Jaar C, Heilige Drie-eenheid

Heilige Drie-eenheid – Johannes 16,12-15

Spreken over de heilige Drie-eenheid, preken op Drievuldigheidszondag: het moet een vette kluif zijn voor de rastheoloog, die dan al zijn thomistische of ‘schillebeeclociaanse’ geleerdheid ontvouwen kan om uit te leggen dat dit mysterie toch niet zo onvatbaar en onverwoordbaar is als je zou denken.

De liturg van zijn kant zit met een wat overvolle maag en dat doet op zijn minst onbehaaglijk aan. Het was allemaal zo mooi en goed opgebouwd, een climax in twee bewegingen: eerst de kerstkring met de advent en de kerstfeesten, en daarna de paaskring met de veertigdagentijd naar de paashoogvlakte toe met de drie grote christelijke hoogfeesten van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren.

En daar wordt dan plots nog een hoogfeest of drie aan toegevoegd: niet alleen Drievuldigheidszondag, maar ook nog Sacramentsdag en het feest van het heilig Hart. Is dat niet wat overdadig: een veel te zwaar en moeilijk verteerbaar tussengerecht vóór het begin van de lange reeks zogeheten gewone zondagen, de tijd door het jaar?

De liturg heeft het wat moeilijk met het feest van vandaag, net zoals met beide andere feesten, omdat het niet over een moment of een feit uit de heilsgeschiedenis gaat. En dan krijgt de liturg het altijd een beetje te kwaad, zeker als soortgelijke devotiefeesten op zondag vallen. Ook het ogenblik lijkt niet zo goed gekozen: een hoogfeest ná en boven op een hoogvlakte van kruis- en verrijzenishoogdagen.

Toch moet de goede liturg in staat zijn dit gevoelen van ongemak te overwinnen. Trouwens, met de inhoud van het mysterie heeft hij als symboolspecialist geen onoverkomelijke problemen. Die hogere spirituele wiskunde van 1 in 3 en 3 in 1 kent hij overigens uit de net voorbije paashoogvlakte zelf: het éne Pasen van opstanding, verheerlijking en geestesgave; of nog de éne verrijzeniservaring van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren.

Dichter bij de kern van de dag ligt het feit dat iedere liturgische viering zo vaak verwijst naar het mysterie van de drie-ene God – bij het begin, aan het einde en telkens weer tussendoor – kruisteken, zegen, zegenwens, doxologie, de eindformule van de oraties, het aan de psalmen toegevoegde slotvers. Waarom zou deze zondag dan niet als zodanig zinvol, in de eerste plaats liturgisch zinvol kunnen worden ingeschakeld op dit moment van het liturgisch jaar?

Wij kunnen het zien als een pauze, maar dan een pauze met een grote P, zoals past in aansluiting op het bereikte hoogtepunt. Even stilstaan na zoveel gebeurtenisherdenkingen: geen punt die geplaatst wordt achter wat voorafgaat, maar een uitroepteken. Niet één enkele zin, maar een hele zondag: ‘Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Zoals het was in het begin, nu en altijd, tot in de eeuwen der eeuwen.’

Liturgie wordt nogal eens vergeleken met een film: de verfilming van de heilsgeschiedenis die zich ieder jaar opnieuw voor onze ogen afspeelt. Het is echter zo’n lange film dat hij omwille van de toeschouwers moet worden opgedeeld. Drievuldigheidszondag is in die vergelijking dan als de eindgeneriek van deel 2, de paaskring; zoals het feest van het Doopsel des Heren de eindgeneriek is van deel 1, de kerstkring; en het feest van Christus-Koning de slotgeneriek is van deel 3, de tijd door het jaar.

Een eindgeneriek kan nogal verschillen qua invulling en constructie, maar door de band bevat hij wel de overzichtelijke vermelding van alle belangrijke namen die met de film te maken hebben: de namen van de auteur, de hoofdrolspeler, de regisseur. En zie, driemaal is het in ons geval dezelfde naam die terugkomt: God!

God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Hij is van al het zijnde
oorsprong en doel en zin.

Maar liturgie is meer dan een film. Het is de zo reëel mogelijke realisatie, actualisering, gestaltegeving van het heilsgebeuren: in het nú, als ons spanningsveld tussen ‘toen’ ‘in die tijd’ – en ‘eeuwigheid’ – ‘wederkomst’ – hemel’.

En God is meer dan auteur; Hij is Vader, Schepper. God is meer dan hoofdrolspeler; Hij is Zoon, Heer, vergevingsgezindheid, voor vertrouwen en dienstvaardigheid. Verlosser. God is meer dan regisseur; Hij is Geest, Gever, Helper.

En Drievuldigheidszondag is meer dan een vluchtige generiek. Het is de samenvatting, de samenballing, het oersymbool van de inhoud van heel het heilsmysterie dat aan ons gebeurt: in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. De Vader die het leven geeft; de Zoon die het leven leeft; de Geest die het leven verder leidt naar zijn bestemming.

Als liturgie vergeleken wordt met film, dan is er een andere kunstvorm die niet met liturgie vergeleken moet worden, maar die er in wezen zeer sterk mee verbonden is. Over muziek hebben wij het dan: over muziek en Drievuldigheid op deze liturgische zondag van de heilige Drie-eenheid.

Muziek heeft zoiets als haar eigen drievuldigheidsmysterie dat niet helemaal uit te leggen valt, hoe goed muziekwetenschappers dat ook proberen te doen. En de muzikant is er blij mee dat het niet uit te leggen valt met cijfers of met beelden of met woorden. Anders was muziek haar primaire menselijke functie kwijt: dan was zij ondergeschikt aan rede en wetenschap; dan zou zij te vervangen zijn door taal of wiskunde, door elektronica of computer.

En dat is gelukkig niet het geval. Gelukkig maar dat je akoestiek niet honderd procent berekenen kunt; dat een compositie niet helemaal te becijferen is; dat een concert bijvoorbeeld niet zomaar onder woorden te brengen valt wat de beleving en de belevenis ervan betreft. Muziek moet gezongen worden, muziek moet klinken om zichzelf te zijn.

Maar daarmee is nog niet gezegd wat dat eigen drievuldigheidsmysterie van de muziek wel mag zijn. Dat is nochtans heel simpel: het akkoord, het ‘volmaakte’ akkoord, de ‘volmaakte’ ‘drie’klank, het grondakkoord van DO, DO Majeur. DO MI SOL en dan nog een keertje DO. Drie tonen die alles voor elkaar te betekenen hebben, die los van elkaar niet kunnen leven. Drie noten die samen één eenheid vormen: het mooie akkoord van DO, begin- en eindpunt van alle melodie en harmonie.

DO heet tonica of grondtoon: grond van het muzikale bestaan.

Noemt de theologie de Vader niet: de grond van het bestaan?

SOL is de dominant, de beheersende toon, het centrum van alle melodie.

Noemt de theologie de Zoon niet: het centrum van de schepping?

MI is de mediant, de middelnoot, de bemiddelaar tussen DO en SOL die de melodie vloeiend maakt, stuwt of afremt.

Noemt de theologie de Geest niet: uit de Vader en de Zoon, de Helper, de Heler, de Trooster, de Gever?

Let wel: dit heeft helemaal niet de pretentie van een soort verheven muziektheologie te zijn. En je hoeft evenmin een geleerde muzikant te zijn om dit ‘door’ te hebben. Ook de gewone liedjeszanger die iedere mens is, weet dit, voelt dit, zingt dit, kent dit deuntje uit het hoofd in zovele variaties en varianten.

Bijvoorbeeld dat eeuwenoude, op het volmaakte akkoord van DO gebouwde ‘Gloria Patri et Filio et Spiritui Sancto’.

Maar dat is lang niet het enige model. Zovele melodieën zowel van grote kunstwerken, profaan en religieus, als van liederen en kerkliederen hebben dezelfde oergestalte die de gehele muziek maakt tot een immanente hulde aan de heilige Drievuldigheid.

Straks zingen wij bij wijze van acclamatie in het grote dankgebed ook een melodie van dien aard, en daarmee is wel alles samengevat:

Danken wij de Heer. Wij danken U, God, dat Gij onze God wilt zijn: Vader en Zoon en Heilige Geest. Amen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x