Jaar C, geboorte van de Heer (dagmis)

Geboorte van de Heer (dagmis) – Lucas 2,1-20 en Job 1,1-18

Ik vind het heel jammer dat de inhoud en de betekenis van Kerstmis, dit grote feest van de christenen, zo worden uitgehold, omdat de meeste mensen blijven steken bij de romantische verpakking ervan: de kribbe en het kindje Jezus, Moeder Maria en Sint-Jozef, de stal, de os en de ezel, de herders en hun schaapjes, de engelen, de sterren, de sneeuwnacht.

Dit alles houdt ons af van de boodschap, zo heet dat. Trouwens… er is zoveel legende bij. Trouwens.., ook ongelovigen planten kerstbomen en versieren de kribbe. Trouwens… de winkeletalages staan vol schitterende kerstekindjes als louter reclameglitter. Trouwens… het is niet met kerstverhalen te vertellen dat er vrede komt. Trouwens… wat zitten wij hier gezellig en blij kerstliederen te zingen, als het er op zovele plaatsen in onze wereld zo ongenadig hard en wreed toegaat?

Als je in deze richting verder doordenkt, dan gaat op den duur dat kerstverhaal ons serieus storen. Hoe jammer, hoor je sommige echt gelovige mensen zeggen, dat dat prachtige evangelie van ons zo verkleind wordt door deze naïeve beide eerste hoofdstukken van Lucas.

Ja maar, zeggen andere Bijbelkenners dan, je moet goed inzien welke de bedoeling is geweest van de evangelist met zijn verhalen: het leven van een groot figuur aankondigen door het vertellen van een fantastisch verhaal rondom en over zijn geboorte. Dat doet de Bijbel vaak; en dat doet Lucas hier ook.
Maar er is niet veel fantastisch aan dit verhaal. Integendeel, afgezien van de lof zingende engelen is het een en al vernedering: God die zomaar als een gewoon kindje geboren wordt, mens wordt, in een stal nog wel, niet opgewacht, ongevraagd en ongewenst.

Ze zeiden wel dat ze op de Messias zaten te wachten, maar dat was heel iets anders.

Gods geboorte is niet het geweldige feit van buitenaf dat ze inderdaad verwachtten: de sterke man aan de poorten van de stad die de verzuchtingen van een overwonnen, ontredderde natie kwam inlossen.

Van alle tijden is het, van toen en van nu, dat mensen hun gefrustreerde hoop toevertrouwen aan een toekomstdroom van pure illusie: een horizon van alles oplichtende kleuren van overwinning, vrede en vrijheid – het socialisme dat een feest zal zijn!

Maar die sterke man, van kop tot teen gewapend, daagt niet op. Het is een kindje dat komt: naakt en nutteloos. In plaats van ons te kunnen helpen en te redden doet Hij – zelf hulpeloos – een beroep op ons.

Zo weten wij meteen dat overwinning en vrede en vrijheid niet uit de hemel zullen komen vallen, maar dat wij ze moeten putten uit eigen bronnen en dat wij er nu aan moeten beginnen. Dat zijn wij verplicht aan het hulpeloze Kind in de kribbe.

Zo weten wij ook dat bevrijding niet van buitenaf maar van binnenuit gebeurt, aan onszelf en aan de anderen.

Zo weten wij dat wij geen redder te verwachten hebben die het voor ons, in onze plaats zal komen doen, maar dat onze verantwoordelijkheid steeds op onze eigen schouders terugkeert. Wij verwachten een held, het is echter een kind dat komt.

Gods geboorte stoort ons. Het is te simpel: een verhaal, een lied. Het is te naïef, te weinig-zeggend.

Gods geboorte ontreddert ons, zoals het eenvoudige mysterie van dit Kind, dat steeds mensen heeft ontredderd, dat een uitdaging is zonder weerga.

Wat is inderdaad gemakkelijker? Een God aan het kruis zien sterven, en dan het woord van de apostelen geloven die roepen en blijven roepen dat Hij leeft, dat Hij de Levende is? Een God in een kribbe geboren weten worden, en dan het woord van engelen en herders geloven die zingen en blijven zingen dat Hij de Heer is, de Zoon van de Allerhoogste, dit Kind, armoedig en doodgewoon?

In het begin was het Woord.
En het Woord was God.
En het Woord is vlees geworden.

Het allesomvattende, alles zeggende Woord: op de twee piekmomenten van zijn vleesgeworden bestaan is het sprakeloos, zoals een Kindje dat nog lang niet spreken kan; en een gekruisigde Man die in zijn stervensnood nog amper zeven woorden stamelt.

Tenzij wij het teken van Gods sprakeloosheid verstaan en – zoals de apostelen met Pasen, de engelen en de herders in het kerstverhaal – zelf onze stem metterdaad in de dienst stellen: in de dienst van het Woord.

Het vleesgeworden Woord van God
een kind geboren in een grot
dat sprakeloos onmondig is
dat daarom ons gegeven is.

Dat wij het spreken metterdaad
wij zijn Gods enige toeverlaat
dat wij het zingen klaar en schoon
het hooglied van de Mensenzoon.

Dat wij het spreken uit en in
Gods woord dat was in het begin
dat is en zijn zal – hier en nu
als het spreken – ik en u.

Hoe ongemeen rijk en krachtig Johannes’ Proloog de incarnatie ook onder woorden brengt, toch is het simpele kerstverhaal van Lucas onvervangbaar en onmisbaar. Wellicht blijft het ook het aangewezen middel om de boodschap van Gods liefde aan mensen te vertolken: aan kinderen, zodat de grote mensen luisteren; aan eenvoudigen van hart, zodat de groten der aarde er misschien toch door worden geraakt.

Wellicht is de eenvoud van het kerstverhaal de aangewezen weg om met zekerheid door te dringen tot de harten van mensen, zelfs van ongelovigen. Wellicht is dat schitterende kerstekindje in de reclame-etalages de enige glimlach van God die velen ooit opvangen.

Wellicht of heel zeker is ons simpele kerstlied de zekere band die op dit moment ontelbare vredezoekers, strijders voor recht en vrijheid, mensen van Jezus’ zaligprijzingen met elkaar verbindt: ons, hier en nu, met hen die lijden, ginds in de derde verre wereld, niet in het minst in Jezus’ eigenste geboorteland.

Een zalig kerstfeest zingen wij elkaar toe.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x