Jaar C, DHJ 6

Zesde zondag door het jaar C – Lucas 6,17.20-26

Iedereen herkent dit stukje evangelie. Het is het evangelie van de zaligsprekingen, gelezen op het hoogfeest van Allerheiligen en vaak ook bij de uitvaartliturgie. Dat is dan wel in de versie van het Matteüsevangelie, die ons meer vertrouwd is.

Wij hebben het onwillekeurig over de acht zaligheden. Maar bij Lucas vandaag worden er slechts vier vernoemd. Wij situeren die acht zaligheden bij het begin van de Bergrede. Maar Lucas begint zijn fragment met de vermelding dat Jezus met zijn twaalf uitverkoren leerlingen van de berg afgedaald was.

Echt onwennig echter gaan wij ons pas voelen, als Lucas overgaat van zalig gij’ naar ‘wee u’. De nu eens kleine en dan weer grote verschillen tussen evangelies onderling zijn onmiskenbaar en doen ons allereerst de vraag stellen hoe dat komt.

Laat er ons niet al te zeer verwonderd over zijn of doen. Als krantenverslagen over dezelfde feiten de dag van vandaag al soms zo sterk van elkaar kunnen afwijken, wat zou het dan zo vreemd zijn dat theologische visies en interpretaties 2000 jaar geleden niet steeds identiek waren, in casu de visie en de theologie van Matteüs en Lucas.

Een andere vraag is: wie of wat staat het dichtst bij de eigen woorden van Jezus?

Exegeten menen dat Matteüs er armen van ‘geest’ van gemaakt heeft. Is Lucas’ versie dus de oorspronkelijke of de versie die daar het meest bij aansluit? Exegeten menen anderzijds dat Lucas er het woordje ‘nu’ aan toegevoegd heeft: die nú honger lijdt, die nú weent. Het mag dan al een kluif voor Bijbelgeleerden zijn, laat ons het belang en de relevantie ervan niet overschatten of overdrijven. In geloof mogen wij ons toevertrouwen aan de evangelieteksten als zijnde de woorden van Jezus zelf. En de verschillen nemen wij erbij als een wederzijdse verrijking en verruiming.

Feit is dat de evangelies niet ontstaan zijn als een krantenverslag daags na de feiten. Het evangelie -heeft het daglicht gezien en is stilaan geworden tot wat het nu is na Jezus’ levenseinde, na zijn sterven. De evangelisten konden dan ook niet anders dan heel zijn leven, zijn doen en spreken zien in het licht van dat levenseinde, van het kruis.

De rauwe realiteit was dus ogenschijnlijk duidelijk dat Christus mislukt was. Armoede en lijden en dood zijn niet weggenomen, uitgeschakeld en overmeesterd. Integendeel, Hij is er zelf ook niet aan ontkomen.
Zijn leerlingen, zijn vrienden hebben echter aan den lijve ondervonden en ervaren dat Hij leeft, dat Hij verrezen is: aan de kracht die sindsdien in hen gevaren is, aan de Geest die sindsdien in hen aan het werk is. Van daaruit verstaan zij nu zijn leven van vroeger, zijn woorden, zijn leer, zijn doen en zijn bidden. En die hele Blijde Boodschap drukken zij uit in het volgende kerugma:

de Heer is gestorven en verrezen – voor ons. Hij heeft het lijden en de zonde op zich genomen: Hij heeft ons verlost. Armoede en leed, honger en ziekte, de dood zelf: ze zijn niet afgeschaft, verdwenen uit de menselijke realiteit en conditie. Maar wel zijn de armen en de lijdenden, de zieken en behoeftigen door de levensgave van de Heer verlost.

Dat is de verrijzeniservaring van de leerlingen. Dat is het geloof van de kerk vanaf het eerste begin. Dat is wat de verkondigers van het eerste uur zo kernachtig en poëtisch hebben uitgedrukt in de zaligsprekingen, zij het in Matteüs’ versie van Allerheiligen, zij het in Lucas’ versie van vandaag.

Dat Jezus Christus mens is geworden om aan de kant te gaan staan van de armen, de hongerigen, de treurenden, de vervolgden, niet om hen van rijkdom en zorgeloosheid te verzekeren, maar wel om hun de Blijde Boodschap te brengen, verlossing te melden: dat zij zullen worden getroost, dat zij zullen worden verzadigd. Want, zo zingt het paaskerugma, de Heer is waarlijk opgestaan. Hij zetelt aan Gods rechterhand. Hij zal bij ons zijn tot het einde van de wereld en de tijd.

Drie korte bedenkingen hierbij:
1. Een christendom zonder het perspectief van de hemel is onbestaande.
2. Noodlijdende mensen, armen en behoeftigen gaan door de bemoediging van medemensen niet plots rijk en probleemloos leven, maar hun lijden wordt een stuk draaglijker; hoeveel te meer dan met de bemoediging van het geloof in de verrijzenis en de hemel.
3. Wij, de kerk van nu, moeten in het volle besef dat er altijd armoede en ziekte, kwelling en onrecht op aarde zullen zijn, toch steeds met alle menselijke kracht en inzet de strijd ermee aanbinden en blijven voeren.

Zoals Jezus het ons heeft voorgeleefd en voorgezegd, zo past het zijn leerlingen, de christenen, om met Woord en daad aan de kant te gaan staan van wie nood lijdt, van wie honger heeft, van wie treurt, van wie vervolgd wordt.

In feite hebben wij het tot nu toe gehad over de overeenkomst tussen Lucas en Matteüs, de kleine verschillen van Matteüs’ armen van geest en van Lucas’ ‘nu’ niet te na gesproken. Maar wat leren ons de ogenschijnlijk grote verschillen: het viermaal ‘wee’ van Lucas en het viermaal extra ‘zalig’ van Matteüs?

Lucas zegt, aansluitend op zijn viermaal ‘zalig’: wee hen die dat niet zijn. Of beter nog: wee hen die dat niet doen. Namelijk: zij die zich niet scharen aan de zijde van de armen, de rijken met name; of aan de zijde van de hongerigen, zij die nú verzadigd zijn; zij die niet aan de kant staan van hen die treuren, de lachers van het ogenblik; of aan de kant van de vervolgden die enkel maar in de gunst willen staan van machthebbers en meelopers.

Niet enkel staan zij niet aan hun zijde. Zij zijn het die de armoede veroorzaken, die de treurnis in de hand werken, die aan de basis liggen van de honger, die mensen van hun vrijheid beroven en hen verknechten. Zij weigeren niet enkel verlossing, zegt Lucas. Zij weigeren daarenboven verlossers te zijn.

In zijn vier extra zaligsprekingen drukt Matteüs feitelijk hetzelfde uit, maar op een positieve manier, zou je kunnen zeggen. Tot nog toe had hij het over de zaligsprekingen van hen aan wier kant Jezus staat, voor wie Hij het opneemt. Dat is waarom zij zalig genoemd worden. Nu prijst Matteüs zalig wie zelf aan Jezus’ zijde gaan staan: zij die barmhartig zijn en met Jezus ervoor kiezen op te komen voor de armen; zij die zachtmoedig zijn en met Jezus ervoor kiezen troost te brengen aan wie weent; zij die zuiver van harte zijn en met Jezus aan de honger naar gerechtigheid trachten te voldoen en die te verzadigen; zij die vrede stichten en met Jezus aan de kant gaan staan van wie vervolgd worden.

Laat ons de boodschap van de zaligsprekingen van Lucas en Matteüs even samenvatten.

Ieder mensenleven zal uiteindelijk slechts zijn vervulling vinden in het mysterie van Gods eigen leven dat wij de hemel noemen. Maar nu reeds zijn wij verlost, kunnen wij door Jezus’ kruis en verrijzenis verlost zijn en als verlosten leven: hoe gebrekkig en onvolkomen, hoe behoeftig en getekend ook, leven als verlosten. En daarenboven leven als medewerkers aan de verlossing, als verlossers van getekenden en geketenden, in het spoor van de Levende.

Wij zijn tezelfdertijd voor een stuk:
– de armen, de treurenden, de hongerigen, de vervolgden van het evangelie;
– wij bidden om verlossing:
– de rijken, de verzadigden, de lachers, de vervolgers;
– wij bidden om bekering, wij bidden om vergeving:
– de zachtmoedigen, de barmhartigen, de zuiveren van harte, de vredestichters;
– wij bidden om genade: wij danken voor de genade aan ons geschonken.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x