Jaar C, DHJ 5

Vijfde zondag door het jaar C – 1 Kor 15,1-11 /Lucas 5,1-11

Uit de brief van Paulus aan de Korintiërs, hoofdstukken 12 tot 15, zoals voorgelezen op de groene zondagen van het jaar C: de tweede tot de negende zondag.

Broeders en zusters, er zijn verschillende gaven, maar er is slechts één Geest. Broeders en zusters, gij zijt het Lichaam van Christus en ieder van u is een lid van dit lichaam.

Broeders en zusters, al heb ik de gave der profetie, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen verzet, als ik de liefde niet heb, ben ik niets.

En vandaag: door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet tevergeefs geweest.

Vandaag last Paulus in zijn brief een citaat in: niet zomaar een citaat, het is het oudste christelijke credo dat wij kennen. Of beter nog: het credo dat Paulus’ christenen kenden, vanbuiten kenden, reciteerden, scandeerden, uitriepen, uitzongen, telkens letterlijk herhaald zonder er één jota aan te veranderen.

Zo hebben wij het ontvangen, zegt Paulus, zo geven wij het door: onze grondvesten, ons houvast, ons evangelie. Namelijk: dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, en dat Hij verschenen is aan Kefas en daarna aan de twaalf’.

Alles staat of valt bij de belijdenis, onverkort en onvervalst, van kruis en verrijzenis: dat Hij gestorven is, dat Hij begraven is, dat Hij is opgestaan, dat Hij verschenen is.

Merkwaardigerwijze is hieraan toegevoegd, niet door Paulus maar door de eerste christenkerk zelf: volgens de Schriften.

De evangelieverhalen over Goede Vrijdag en paasmorgen kunnen hier niet bedoeld zijn, want die stonden nog niet op schrift, die waren nog geen ‘Schrift’, niet toen Paulus zijn brief schreef en zeker niet twintig tot vijfentwintig jaar vroeger, toen de eerste christenkerk haar eerste credo componeerde en van mond tot mond overleverde.

Het Oude Testament dus. Maar daarin zoek je vruchteloos naar een profetie over het kruis en de verrijzenis van een messias die komen zal.

Het gaat hier niet over bepaalde plaatsen of passages in de Schrift. Het gaat hier wel over de zekerheid, de stilaan sinds zijn lijden en kruis – gegroeide overtuiging, het geloof dat Jezus Christus de vervulling is van heel de Schrift: van alle Belofte van de kant van God en van alle verwachting van de kant van het volk; van alle Genade door de Vader toegezegd en geschonken, en van alle trouw die als antwoord hierop mogelijk is in een mensenhart.

Een andere toevoeging van de eerste christenkerk in haar basiscredo, gegroeid uit enkele jaren van bezinning, is: voor onze zonden; dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften.

Dus toch: het kruis als zoenoffer voor een onmenselijk wrede en wraakzuchtige god?

Enkele teksten uit het Oude Testament staan dichter bij deze problematiek. Het zijn die over de lijdende Dienaar: wanneer de gelovige, in zijn pril en stilaan ontluikend geloofsinzicht, op zoek gaat naar de zingeving van het menselijk lijden, en die uiteraard niet vindt omdat lijden op zich zinloos is, maar wel ontdekt wat zinvol is en zijn kan, namelijk de wijze waarop een mens zijn lijden draagt, evenals zijn trouw aan het leven tot het einde toe, in overgave aan en vertrouwen op de Vader van alle Belofte en Genade, ook als dit avontuur van trouw uitloopt op de consequentie van een kruis.

Dit betekent ‘dat Hij gestorven is voor onze zonden’: in de plaats van onze ontrouw, in de plaats van de eeuwige ontrouw en vlucht van mensen, als het moeilijk, een beetje moeilijk of ook wel heel moeilijk wordt.

Dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, en dat Hij verschenen is aan Kefas en daarna aan de twaalf!…
Dat is de grond van het geloof: voor de eerste christenkerk en via haar voor Paulus, die niet tot de allereersten heeft behoord. Hij geeft graag toe dat hij zijn geloof te danken heeft aan deze belijdenis en dit getuigenis van de eerste kerk, die hij vervolgde. Hun motief wordt zijn motief. Hun grond wordt zijn grond waarop hij heel zijn zegenrijke apostelieven verder bouwen zal.

Maar na dit ‘citaat’ vervolgt Paulus zijn brief met een zeer persoonlijke noot:

het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte. Ja, ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten, want ik heb Gods kerk vervolgd. Maar door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest.
Dit is een tweede motief voor zijn geloof: naast de kernachtige belijdenis van de eerste kerk, de zeer persoonlijke drijfveer in het diepste van zijn hart, de genade hem te beurt gevallen.
En die twee motieven, die twee geloofsfundamenten zijn onafscheidelijk van elkaar: het credo van de kerk en het eigen levenscredo. Geloven is leven van de voortdurende wisselwerking en wederzijdse beïnvloeding van het credo van de kerk, ons aangereikt, en het eigen levenscredo, te ontdekken in het diepste van ons hart.
Mijn vurige patroonheilige Paulus zou het mij kwalijk nemen, als ik enkel over hem bezig zou blijven en niet ook iets zou zeggen over zijn in één adem genoemde vis-â-vis met Petrus, zeker als die in het evangelie van vandaag een hoofdrol mag spelen en als dat evangelieverhaal een perfecte toepassing, illustratie, bevestiging is van Paulus’ onderricht:

hoe Petrus, prototype van de verloochenaar, van de ontrouw, door de genade van de Barmhartigheid is omgekeerd, ‘be’keerd tot allereerste geloofsgetuige. Vóórdat het credo er was, heeft Hij het geformuleerd en aan de zijnen voorgezegd, want aan den lijve ondervonden:

dat Christus gestorven is voor mijn zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, en dat Hij aan mij, Kefas, verschenen is;

en dat Hij tot mij, Kefas, gezegd heeft: gooi je netten uit; altijd opnieuw en ondanks alle mislukte pogingen, gooi je netten uit.

In de school van de mislukking heeft Petrus de les van de trouw geleerd.

In de school van het besef van eigen zondigheid en onmacht heeft Petrus de levensles geleerd van de dienende liefde en het getuigenis.

Wat doen wij met het verhaal van een wonderbare visvangst op een moment dat klaarblijkelijk de meerderheid van de gevangen vis door de mazen van het net heen glijdt, opnieuw de lokkende diepte van het zwarte meer in? Geloven dat het allemaal wel weer goed komt met de kerk? Hopen tegen beter weten in? Vluchten in een fabeltje?

Of: van Paulus leren dat niet ikzelf maar Gods genade mij maakt tot wie en wat ik ben; van Petrus leren dat Gods genade mijn onvermogen omzet in trouw en levenskracht ondanks alle mislukking?

Zeker voor onze tijden is dit evangelie een verhaal van bemoediging: dat wij zin blijven vinden in ons bestaan en onze roeping, omdat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, omdat Hij begraven is, omdat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, omdat Hij verschenen is aan Kefas en daarna aan de twaalf;

aan Paulus en ook – al lijkt het nog zo zelden en zo vaag – aan mijzelf: zó, op dit eigenste uur, in dit gebeuren, in deze ontmoeting, dit samenzijn.

Ons credo, over enkele ogenblikken opgezegd, zal ons allicht iets sterker dan andere keren verenigen met de belijdenis van de christenkerk van twintig eeuwen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x