Jaar C, DHJ 4

Vierde zondag door het jaar C – Lucas 4, 21-30

Het evangelie is geen biografie van Jezus Christus. Het is de neerslag van de prediking van de eerste kerk, zoals die stilaan is uitgegroeid tot een geschreven geheel in de vorm van een levensverhaal. Uiteraard zijn vele woorden en gebeurtenissen niet zomaar uit Jezus’ leven gegrepen, maar geselecteerd en gerangschikt al naargelang van de behoeften van de christelijke verkondiging van jaren later. Grosso modo zullen woorden en feiten ook chronologisch kloppen en ons in elk geval een goed beeld geven van Jezus’ leven. Wij weten er veel over, maar er is ook veel dat wij helemaal niet weten met de zekerheid van de moderne historicus.

Wie zou durven te beweren dat Jezus’ publieke optreden niet is begonnen met de Doop, door Johannes toegediend, gevolgd door de woestijn-veertigdaagse? Nog zekerder is dat hierop als eerste hoofdstuk aansluit: zijn optreden in Galilea, zijn thuisland.

Maar waar Hij zich gevestigd heeft, waar Hij is gaan wonen, zijn uitvalsbasis, zijn thuishaven – dat weten wij niet met zekerheid. Geen evangelist vertelt het ons trouwens met evenveel woorden. De teksten laten verstaan dat het niet in Nazareth geweest is waar Hij de dertig jaren van zijn jeugd doorbracht. Wij kunnen bevroeden dat het om Kafarnaüm gaat: dat Hij van daaruit de dorpen in de omgeving bezocht om er ’s avonds terug te keren.

De teksten laten ook toe ons voor te stellen hoe Jezus in Kafarnaüm (of in een of ander dorp) op sabbat naar de synagoge ging en er als lector en leraar optrad, als de brenger van een nieuwe Blijde Boodschap voor armen en verdrukten, maar ook als weldoener en genezer. Dat zal wel niet enkel op sabbat geweest zijn, maar: óók op sabbat. En dat was er te veel aan. Dat was de oorzaak of ten minste de aanleiding van het stilaan groeiend conflict met de religieuze leiders van het volk: niet zozeer zijn boodschap – daar reageren ze niet direct op – als wel zijn non-conformistische optreden dat aan mensen en hun noden voorrang verleende boven wet en traditie. Dit conflict zal uitgroeien en escaleren en meereizen naar Jeruzalem.

De evangelist Marcus vertelt aan het einde van zijn Galilea-episode (wanneer het juist gebeurd is, zegt hij niet, ook niet dat het het laatste bezoek in de rij was; hij vertelt het alleen maar op het laatst) dat Jezus zo ook een keer terugging naar zijn vaderstad Nazareth. En daar, zegt Marcus, liep het niet enkel mis met de religieuze leiders, maar met de hele bevolking.

Lucas van zijn kant vertelt het Nazarethbezoek aan het begin van zijn Galileaverhaal: niet als eerste bezoek, want uit de vandaag gelezen tekst zelf blijkt dat Hij vooraf in Kafarnaüm aan het werk is geweest: ‘Doe al wat naar wij vernamen in Kafarnaüm gebeurd is, ook in uw vaderstad.’ Marcus vertelt het aan het einde, allicht om aan te geven, hoe het conflict escaleert van schriftgeleerden, priesters en farizeeën naar alsmaar meer gewone mensen ook, die Hem niet aanvaarden.

Lucas wil blijkbaar dat zijn lezers onmiddellijk te weten komen dat er twee kanten aan de medaille zijn: enerzijds is er de Blijde Boodschap van de weldadige nieuwe leraar die door mensen met open armen ontvangen wordt; anderzijds zijn er tegelijk de afwijzing en het conflict: van in den beginne zegt Lucas.

Die antithese tussen vóór en tegen wordt des te scherper uitgetekend, omdat de evangelist als enige in de rij op deze ene plaats meedeelt over welke boodschap het ging: welke lezing en welke lering. De Geest is op Mij neergedaald om aan armen en geketenden verlossing te melden en te brengen. Dit positieve beeld slaat dan onverhoeds en als het ware zonder aanleiding om in een puur negatieve reactie: zij werden woedend, zij joegen Hem weg en wilden Hem meteen uitschakelen.

Er is nog een andere tegenstelling tussen Marcus en Lucas, een ander verschil: niet qua boodschap, maar qua accent van verkondiging. Het betreft de reden van de afwijzing, het waarom van het niet aanvaard worden in Nazareth.

Marcus zegt dat zijn dorpsgenoten Hem niet als een messias konden aannemen, omdat Hij daarvoor veel te gewoon was. Kom nu, iemand die wij zo goed kennen, wat wil die ons komen vertellen? Dat is toch zonder meer ongeloofwaardig.

Lucas zegt dat de Nazareners er trots op waren dat een van hen zo vol geest en genade tot hen sprak en hen onderwees. Heeft Jezus dan zelf niet het conflict uitgelokt, de mensen geprovoceerd met zijn zomaar hardop geuite gissing dat Hij er niet welkom zou zijn en niet aanvaard zou worden? Je zou om minder kwaad worden.

Hier wordt duidelijk, door wat wij aanvoelen als een gebrek aan logica in het verhaal, dat het niet om een relaas van feiten te doen is, maar om prediking in de vorm van… De predikant Lucas – of is het de discipel van predikant Petrus of predikant Paulus van jaren later? – weet uit ondervinding dat Jezus’ eigen volk, aan wie allereerst de Blijde Boodschap gebracht werd, deze boodschap, deze Jezus heeft afgewezen. Dit projecteert hij in de tijd, naar Jezus’ leven toe, zodat de Nazarethepisode als een profetisch teken gaat gelden ten aanzien van Israël, het uitverkoren volk, als het er – na zijn verrijzenis, in Lucas’ kerktijd – zal aankomen om Hem in geloof te aanvaarden of Hem af te wijzen en uit te schakelen: van in den beginne, toen, en zovele jaren later; maar ook vandaag wat onze kerk en onze wereld betreft.

Het waarom van de afwijzing in eigen stad, door eigen volk dat Hij te gewoon mens was om God en Heiland te zijn, zoals Marcus het stelt. Heel zeker is dat een reden.

Maar bij Lucas gaat het over een andere reden, namelijk dat Hij niet beantwoordde aan hun verwachtingspatroon – een van de onzen – aan het Godsbeeld van hun geloof en religie, aan hun dromen en verlangens; dat Hij anders was dan zij zich hadden voorgesteld: een volksgenoot, een van de onzen, hoe kan die nu zo ondubbelzinnig zijn voorkeur uiten voor weduwen uit Sidon en melaatsen uit Syrië?

De beide kanten van de medaille tonen ons nu een en dezelfde God met twee gezichten: gans nabij en toch gans anders. Zij stellen ons een messias voor met twee facetten: zo gewoon als een mens, een van de onzen, maar zo onverwacht en onbekend als een verre vreemdeling. De beide kanten van de medaille laten ons een Jezus zien onder twee gedaanten: de onkreukbare, de barmhartige. Bij Marcus aanvaardt Nazareth zijn onkreukbaarheid niet: Hij is toch een van de onzen, wij kennen Hem toch. Bij Lucas is het om zijn barmhartigheid te doen: Hij is toch een van de onzen en geen vreemdeling.

Maar Nazareth is Nazareth niet, of tenminste niet enkel Nazareth. Nazareth staat voor het volk Israël, maar niet enkel voor Israël. Het conflict in Nazareth staat voor het conflict dat zich afspeelt in iedere tijd, in onze tijd; in iedere kerk, in onze kerk; in ieder mensenhart, in ons eigen hart – van in den beginne.
Het is een constant en aanhoudend conflict. Wie beweert met zijn geloof niet in conflict te zijn, is een heilige of een leugenaar. Voortdurend willen wij de Almachtige aan onze kant; en dan is er geen plaats voor barmhartigheid jegens de anderen. Ook zijn barmhartigheid, die willen wij aan onze kant, zodat de wetten van de Almachtige enkel de anderen gelden.

Dat conflict op zich is het drama niet. Het kan ook anders eindigen. Je kunt eruit komen als de zogezegde overwinnaar: Hem afwijzen, Hem verjagen, Hem trachten uit te schakelen, al ontglipt Hij je telkens weer om elders of een andere keer opnieuw te beginnen.

Maar je kunt je ook gewonnen geven: je toevertrouwen aan een zo onbekende, zo verre en toch zo vertrouwde God; je toevertrouwen aan zijn ongrijpbare grootheid en zijn menslievende barmhartigheid, aan Jezus’ kruis en verrijzenis.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x