Jaar C, DHJ 34

Vierendertigste zondag door het jaar C – Lucas 23, 35-43 Christus-Koning

Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar vieren wij het feest van Jezus Christus, Koning van het heelal. Zo heet officieel wat wij gewoonlijk iets minder plechtig noemen: het feest van Christus-Koning.

Maar vooral die plechtige officiële titel suggereert dat het gaat over iets als de indrukwekkende en alomvattende slotapotheose van het meest dramatische spel der spelen dat de liturgie is; als het eindbeeld en de eindgeneriek van de liturgische verfilming van ‘Gods droom over mens en wereld’, met in de hoofdrol Jezus Christus, al dan niet ‘superstar’.

Laat dit een wat oneerbiedig klinkende verwijzing zijn naar een succesmusical van een aantal jaren geleden, de gebruikte termen eindbeeld en eindgeneriek zijn zeker niet misplaatst en zinloos.

Het stilgelegde eindbeeld dat wij blijven bekijken, is: Jezus Christus – gekruisigd.

De eindgeneriek die eroverheen vloeit, is de hymnische Paulustekst: ‘Hij is het beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping.’

Jezus Christus – gekruisigd!

‘Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.’

Jezus Christus – gekruisigd!

‘Hij is de oorsprong, de eerste die uit de dood is opgestaan om in alles de hoogste te zijn, Hij alleen.’

Jezus Christus – gekruisigd!

Je kunt hierbij ook denken aan een diamontage, zoals dat nogal eens gebeurt, met twee projectoren die afwisselend foto’s op hetzelfde scherm in elkaar laten overvloeien. Terwijl het ene beeld verdwijnt, is het andere reeds verschenen. Maar op het slotmoment blijven ze beide staan en vormen als het ware één enkele nieuwe beeldcompositie.

Van rechts, vanuit het evangelie van Lucas: de Calvarieberg – met het volk en de Joodse leiders en de soldaten en het opschrift boven de Gekruisigde en aan weerszijden nog een kruis met een tweede en een derde veroordeelde misdadiger.

Van links, vanuit de Kolossenzenbrief van Paulus: een visioen, een imponerend, verblindend beeld, een icoon van ‘Hem in wie God heeft willen wonen in zijn volheid, Jezus Christus, de geliefde Zoon: Hij alleen’, zo zegt Paulus.

Gods glans, Gods heerlijkheid straalt op zijn aangezicht. Was de eerste mens al geschapen naar Gods beeld, nu is de gelijkenis totaal.

Maar Hij, de Koning van het heelal, de Verheerlijkte, de Verrezene, Hij is en blijft de Gekruisigde – tussen twee boosdoeners – te midden van de soldaten en de Joodse leiders van het volk.

Nooit zal het ene beeld het andere bedekken of verbergen. De paradox is en blijft er. Op het feest van Jezus Christus, Koning van het heelal, horen tezamen en onlosmakelijk van elkaar: verrijzenishymne én lijdensverhaal.

De vraag is dan: waar sta ik, waar staan wij op dit dubbele beeld? Waar staan wij om onze hulde te brengen aan deze Jezus Christus, Koning van het heelal?

Op de icoon van de Kolossenzenbrief komen wij klaarblijkelijk niet voor. Tot tweemaal toe herhaalt Paulus dat het gaat over Jezus, ‘Hem alleen’. Maar wij horen er volgens dezelfde Paulus wel bij, ‘want God heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon’.

Op het tafereel dat Lucas heeft geschilderd, daar staan wij in elk geval wel ergens. Maar de vraag blijft: waar?

Staan wij tussen het zwijgende volk, op een afstand – afstandelijk – toe te zien, ontgoocheld over de mislukking? Wij die hadden gedacht dat Hij het was die ons verlossen zou, ons brood zou geven, ons zou genezen van al onze kwalen. En nu hangt daar een gekruisigde, machteloze man: al onze hoop is aan stukken geslagen. Hoe zou die Jezus kunnen zijn: de Eerstgeborene van de schepping?

Of staan wij tussen de spottende leiders van het volk? ‘Anderen heeft Hij gered!’ Maar dat is het nu juist wat voor hen (voor ons) onbegrijpelijk en onvergeeflijk is. Armen en zieken en zondaars, die heeft Hij geholpen, maar zelf is Hij machteloos aan het kruis geslagen. God kan dan toch niet met Hem zijn…

Staan wij tussen de honende soldaten van Pilatus? Wij lezen het opschrift, spottend, met luide stem: ‘Koning van de Joden.’ Het doet ons minachtend reageren: hoe kan iemand koning zijn die zijn macht enkel voor anderen, niet voor zichzelf gebruikt? Red jezelf, koning…

Red jezelf en red ons, snauwt een van de boosdoeners Hem toe, snauwen tallozen ter wereld een gekruisigde God toe.

Of staan wij ergens in de schaduw van de derde gekruisigde? En ervaren wij, zoals hij, die eerste uitverkorene, iets van het ware Koningschap en Koninkrijk?

Van twee wegen die beide leiden naar het kruis, de ene zichzelf zoekend, de andere zichzelf verliezend – ervaren wij de eerste, de onze, als een weg ten dode; ervaren wij de tweede, de zijne, als de weg ten leven.

Daar wordt ons dan ook de genade geschonken om het allereerste woord van koninklijke hulde te vinden en uit te spreken dat aan alle andere woorden voorafgaat: Jezus, denk aan mij. Kyrie eleison: Heer, ontferm u over mij.

Dan ervaren en geloven wij ook zijn antwoord, ons gegeven: ‘Vandaag nog zult gij met Mij zijn.’ Alle dagen zal Ik bij u zijn.

Dan zullen wij het stralende aangezicht van de Paulusicoon in zijn volle helderheid zien. Het zal al onze vragen en angsten, onze menselijke kleinheid en onmacht niet bedekken en verbergen, zoals het evenmin de Gekruisigde bedekken of verbergen zal.

Maar het zal ons hart, ondanks alles wat het bedrukt en beklemt, vervullen met vrede en vreugde. Het zal onze hulde doen uitgroeien van een Kyrie eleison tot een loflied van vrede en vreugde – uw Koninkrijk komt – tot een engagement van dankzegging en gegevenheid; waar mensen blij zijn om uw genade, waar mensen goed zijn voor elkaar. Uw Koninkrijk komt. De Heer zal met ons zijn: alle dagen tot aan de voleinding der wereld.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x