Jaar C, DHJ 32

Tweeëndertigste zondag door het jaar C – Lucas 20, 27-38

Onze God is een God van levenden, niet van doden.

In deze laatste weken van het kerkelijk jaar blijven de liturgie en haar schriftlezingen in de sfeer van Allerheiligen en Allerzielen verwijlen bij het mysterie van leven en dood, van opstanding en wederkomst.

Tussen evangelie en eerste lezing loopt ook vandaag traditiegetrouw een parallel. Tweemaal gaat het over zeven broers die na elkaar sterven. En na hen is de vrouw aan de beurt: de moeder of de echtgenote. Inhoudelijk echter ontgaat ons ieder verband tussen het gruwelijke verhaal van zeven voorchristelijke martelaren uit het boek Makkabeeën en dat veeleer flauwe verzinsel van een pseudoparadig-ma dat de Sadduceeën aan Jezus voorleggen.

In tegenstelling tot hun collega’s, de farizeeën, en tot de meeste religieuze leiders en gelovige den van Jezus’ tijd is er voor deze theologen geen plaats voor verrijzenis en opstanding binnen hun geloof. Wat vrij algemeen aanvaard wordt, kan voor hen gewoon niet. Als bewijs hiervoor moet hun verhaal duidelijk aantonen dat de consequenties aan verrijzenis verbonden onmogelijk zijn, en (lat dit dus verrijzenis zelf onmogelijk maakt.

Voor Jezus kan het wel, iets dat buiten kijf staat. Meteen wijst Hij zijn opponenten op een fout in hun benaderingswijze en redenering: een fout die in onze tijd evengoed gemaakt wordt. De problematiek van leven na de dood is van alle tijden, is uiterst actueel. Tegenover verrijzenisgeloof voeren vandaag de dag biologen aan dat een mensenlichaam hoegenaamd niet kan leven buiten de biologische omgeving. En dus is ook voor deze tijdgenoten verrijzenis of opstanding onmogelijk.

De fout die én de oude theologen én de moderne biologen maken, heeft te maken met het feit dat om te denken en te redeneren over iets dat voorbijgaat aan de grenzen van het menselijk bestaan en de menselijke conditie – verrijzenis en opstanding – wij begrippen en beelden hanteren die wél binnen die context thuishoren.

Wij kunnen niet anders. De beperktheid van ons verstand en onze verbeelding brengt mee dat wij voor spirituele en mystieke waarden en waarheden een begrippentaal bezigen die slechts in een zeer overdrachtelijke zin spreekt over wat in feite onzegbaar en onvoorspelbaar is. Maar hieruit valt nog niet af te leiden dat het spirituele en mystieke niet bestaan, dat ze geen realiteit zijn. Verrijzenis en opstanding zijn daarom niet minder echt en waarachtig.

In zijn wederwoord aan de Sadduceeën gaat Jezus dan ook niet tegen-redeneren. Hij wijst er enkel maar op dat het over iets heel ‘anders’ gaat: iets onvoorstelbaar anders. Het huwelijk, de mens, het leven dán zal heel anders zijn dan het huwelijk, de mens, het leven nu. Maar leven zal er zijn, zegt Jezus. Zijn argument is afkomstig uit de oude Pentateuch, waarop ook de Sadduceeën zelf zich beroepen. De Heer is geen God van doden, maar van levenden. Abraham, Isaak, Jakob: voor Hem zijn zij allen levend. Jezus zegt: Ik weet, Ik geloof dat er leven zal zijn. Maar Ik weet niet, zelfs ik weet niet wat of hoe het zal zijn.

Gaat het dan misschien over het alternatief van de Griekse filosofie: een sterfelijk lichaam maar een onsterfelijke ziel? Dit komt in de joodse denkwereld niet eens op. Mens is mens, ziel én lichaam, onafscheidelijk, zelfs niet onderscheidelijk. Het gaat over de gehele mens, kind van Gods liefde.

Diepe menselijke waarden die wij hier en nu beleven, met ons lichaam hoe dan ook – want denken en dromen, liefhebben en haten, hopen en wanhopen doen wij allemaal met hart en ziel, met ziel en lichaam – die spirituele waarden moeten ergens (hoe ‘anders’ dan ook) een verlengstuk, een bekroning krijgen. Dat heet verrijzenis. De volledige mens moet erbij betrokken zijn. Het mensenlichaam, hoe sterfelijk en vergankelijk het ook moge zijn, is niet voor ondergang en verdoemenis geschapen: het is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

Credo. Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam. Bij Jezus’ verrijzenis laat Lucas Hem om eten vragen, laat Johannes Hem tot Thomas zeggen: betast mijn wonden en steek uw hand in mijn zijde. Het is tweemaal een extra bevestiging van opstanding en verrijzenis als zijnde betrokken op de gehele mens, de gehele Jezus van Nazareth, met hart en ziel tot het leven opgewekt, met ziel en lichaam verrezen uit de doden.

Maar als de verrijzenis uit de doden voor Jezus’ tijd en tijdgenoten toch zo’n vertrouwd gedachtegoed was, waarom wordt dan door joden én vooral door wie zo’n heisa gemaakt over Jezus’ verrijzenis? Waarom wordt wat voor joden een normaal geloofsgegeven is, in het geval van Jezus zo ongewoon? Waarom wordt Jezus’ opstanding plots de kern en het hart van de christelijke geloofsverkondiging?

Want zo klinkt het oudste kerugma toch reeds als een uniek geloofsrefrein: ‘dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften’. Of zoals in Handelingen hoofdstuk 3: ‘Hem die gij door de hand van goddelozen aan het kruis hebt genageld, die Jezus heeft God doen verrijzen.’

Nogmaals: waarom wordt Jezus’ verrijzenis zo geaccentueerd en centraal gesteld als een nieuw en uniek gegeven, als toch volgens het joodse geloof zoals Jezus zelf het kent, elke dode verrijst? Nogmaals: met ziel en lichaam verrijst?

En zijn antwoord aan de Sadduceeën, vers 3 5 van onze tekst van vandaag, heeft Jezus het over ‘hen die waardig gekeurd zijn deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden’. Dat werpt toch wel een nieuw licht op de problematiek. Want hier staat dat – nogmaals volgens het joodse geloof zoals Jezus het kent – niet alle doden verrijzen, maar enkel zij die daartoe waardig bevonden worden; de rechtvaardigen noemt de Schrift hen.

Hier ligt het antwoord op de vraag naar de unieke betekenis van Christus’ verrijzenis.

Een dode die verrijst is een rechtvaardige. Jezus echter werd gekruisigd om te bewijzen dat Hij géén profeet, géén gezalfde Gods, géén rechtvaardige was. ‘Kom van uw kruis af,’ zeiden de omstanders, ‘dan zullen wij zien en geloven.’ Maar Jezus kwam niet van het kruis af. Hij stierf de dood van rechtelozen, van onrechtvaardigen, van zondaars.

Doordat God zijn dienaar Jezus uit de doden heeft opgewekt, zegt de Schrift, heeft Hij Hem gerechtvaardigd, heeft Hij Hem tot Heer en Christus gemaakt, Hem verheven aan zijn rechterhand. Meteen is geloven in de verrijzenis van Jezus geloven in een God die de mens, die ook de zondige mens aanvaardt, zoals Hij Jezus de Rechtvaardige geplaatst heeft aan zijn rechterhand.

Jezus’ dood is geen zinloos einde; Jezus’ verrijzenis is verlossing. Jezus’ opstanding is Gods bekrachtiging van zijn Blijde Boodschap van vergeving en verzoening, van gegevenheid en dienstbaarheid. In dezelfde context immers wordt gesteld en begrepen dat als de graankorrel in de aarde valt en sterft, hij rijke vrucht voortbrengt; en dat wie zijn leven verliest, het winnen zal.

Hier ligt dan ook uiteindelijk de parallel tussen evangelie en eerste lezing: de link tussen dit evangelie van verrijzenisgeloof en het oude verhaal over de zinloze moord op zeven jonge broers, een verhaal dat ook nu nog in de kranten staat en even zinloos blijft en dat toch gelovig kan worden bekeken in het licht van Jezus’ verrijzenis.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x