Jaar C, DHJ 31

Eenendertigste zondag door het jaar C – Lucas 19, 1-10

Lucas is toe aan het einde van zijn reisverhaal: vanuit Galilea door Samaria naar Judea. Wij hebben er voorheen reeds op gewezen dat bij hem Jezus’ tocht naar Jeruzalem veel meer plaats in beslag neemt dan bij de andere synoptici, Marcus en Matteüs. Op die manier kan Lucas heel wat eigen gegevens kwijt: verhalen, Jezuswoorden, parabels uit eigen bron.

Het laatste typische Lucasverhaal in de rij is dat van vandaag: de ontmoeting met de oppertollenaar Zacheüs in de stad Jericho. En Jericho was inderdaad de laatste stad op de reisroute. Vanhier gaat het zuidwestwaarts, rechtsaf zeg maar, regelrecht naar Jeruzalem toe, nog zo’n 25 à 30 kilometer te gaan.

De laatste typische Lucasparabel was vorige week aan de beurt: de parabel van de farizeeër en de tollenaar. Tussen beide in staat onder meer nog het synoptische verhaal van de rijke jongeman die eerlijk op zoek is naar het Rijk, maar die te zeer aan zijn bezit gehecht is om de laatste stap te zetten.

Die drie evangeliebladzijden, de parabel en de twee verhalen, willen wij graag met elkaar in verband brengen, als zijnde drie panelen van één drieluik. Is het je opgevallen dat het in elk van deze situaties over rijke mensen gaat? Dat is toch wel opmerkelijk in het evangelie.

Het eerste luik is de gelijkenis van de ‘rijke’ farizeeër en de ‘rijke’ tollenaar. Het zijn twee fictieve personages maar tegelijk twee levensechte figuren, zo uit de realiteit en de actualiteit van toen gegrepen.

Wie officieel de goede rijke is, de farizeeër, wordt ontmaskerd in zijn eigenwaan en zelfingenomenheid. Wie officieel de slechte rijke is, krijgt een gunstig oordeel vanwege zijn schuldbesef en -bekentenis en zijn oprechte bede om ontferming.

Het tweede en het derde luik, de beide verhalen, zijn evenveel toepassingen van de parabel in de volle realiteit van Jezus’ omgang en ontmoeting met mensen.

De rijke jongeman.

Enkel Matteüs noemt hem zo. Lucas zegt dat het over een aanzienlijk man ging, een vooraanstaand en geacht persoon, het zou wel een farizeeër hebben kunnen zijn. Maar wat een verschil met de farizeeër van de parabel! Verre van hem om zich op zichzelf te beroemen. Integendeel, hij vraagt wat hem te doen staat om het Koninkrijk te beërven. Maar hij brengt het niet op om de uiterste consequenties van die keuze te dragen. Dat lijkt wel aan slechts heel weinig mensen gegeven. ‘Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan’, zegt Jezus, nadat de man is afgedropen, ‘dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.’

Maar dan: Zacheüs, de rijke oppertollenaar van. Jericho.

Wat een verschil met de rijke tollenaar van de parabel! Hier is geen sprake van enige spijt of schaamte. Hij vraagt ook niet: doe ik wat ik doen moet? Of: wat moet ik doen? Hij gaat zijn weg zonder aarzeling of scrupule blijkbaar. Wel is hij geïnteresseerd in Jezus, hij toont belangstelling voor Hem. Hij wil Hem zien, weten wie Hij is, evenwel zonder zelf gezien te worden.

Als de Heer Jezus hem toch ziet en hem ook nog wederzijds zijn belangstelling, zijn menselijke interesse en waardering betoont, en hem als bewijs daarvan vraagt om zijn huis voor Hem te openen, zijn binnenkant, zijn hart, dan slaat de kleine man helemaal om. Die rijke heeft er plots geen moeite meer mee om rechtvaardig en vrijgevig te worden en alles ter beschikking te stellen wat hij bezit. Van roeping gesproken. Van bekering gesproken.

En wij maken dan de bedenking: Hoe kunnen verhalen zo verschillend zijn? Hoe kunnen mensen zo verschillend zijn, zo verschillend reageren op de roepstem van de Heer? Waarom wordt de ene geraakt en de andere niet? In casu, waarom mislukt het bij iemand met de beste bedoelingen en lukt het tegen alle logische verwachting in bij degene die zich van God noch gebod weinig of niets aantrekt?

Een sluitend antwoord op deze vragen hebben wij uiteraard niet. Wij weten dat, zoals geschreven staat, Gods Geest waait waar Hij wil. Wij weten dat de Schepper zijn kinderen in vrijheid geschapen heeft en dat zij in vrijheid op zijn aanbiedingen ingaan of niet. Wij kunnen enkel maar bij onszelf en rondom ons bevestigen hoe wijzelf en zoveel mensen vaak reageren zoals de eerste of soms zoals de tweede, meestal zoals de ene en af en toe zoals de andere.

Diezelfde vraag kan ook heel concreet op een andere wijze gesteld worden. Waarom lijkt de Heer zo veeleisend te zijn voor de eerste rijke en zoveel meegaander en welwillender, menselijker voor de tollenaar?

Stel dat Hij tegen Zacheüs gezegd had: gij moet stoppen met uw bedriegerij, gij slechterik. Ja, dan had die hoogstwaarschijnlijk heel anders gereageerd: dan was die praktisch zeker dichtgeklapt.

En dus: waarom heeft Jezus de aanzienlijke man die de beste bedoelingen heeft, niet gevraagd om Hem uit te nodigen op de maaltijd? Die zou dat negen kansen op de tien onverwijld gedaan hebben: als het dat maar was. Maar dan valt nog te betwijfelen of dat hem ertoe gebracht zou hebben alles prijs te geven, zomaar spontaan, als reactie op die ene vraag. Want dat was wat Zacheüs gedaan heeft.

In onze aanhankelijkheid en overgave aan het evangelie moeten wij ervan uitgaan dat de Heer, de Rabbi, de fijngevoelige en diep bekommerde mens en mensenkenner die Jezus is, feilloos aanvoelde wat de ene nodig had en wat de andere; hoe Hij de ene moest aanspreken en hoe de andere.

In het geval van de rijke hoogwaardigheidsbekleder oordeelt Jezus dat die zonder omwegen voor de keuze gesteld moet worden, ook als Hij met spijt in het hart bij voorbaat vermoedt dat het niet in goede aarde zal vallen.

In Zacheüs’ geval voelt Jezus perfect aan dat Hij hier de weg van de geleidelijke toenadering moet volgen. De man had een uitbrander verwacht, maar hij wordt tegen alle verwachting in goed genoeg bevonden om gastheer van de Meester te zijn. Krediet geven aan anderen die het niet verwachten of zelfs niet verdienen, kan wonderen doen; het kan vertrouwen wekken. Vertrouwen schenken met alle risico’s van dien kan verantwoordelijkheidszin wekken. Verantwoordelijkheid toekennen kan goedheid en engagement wekken.

Telkens opnieuw herkennen wij onszelf, onze tijd en onze wereld in deze evangelieverhalen van zo lang geleden.

Toch graag nog een andere bedenking bij beide verhalen.

Wij weten namelijk niet – en dat is nooit het geval bij evangelieverhalen – hoe ze op de lange duur zullen verder gaan of aflopen. Het kan blijvend zijn, zoals het nu is, het kan zich ook ontwikkelen, het kan omkeren, in beide gevallen, in de ene of de andere richting. Dat blijft toevertrouwd aan de menselijke vrijheid en aan Gods genade en barmhartigheid. Waarom zouden wij, in beide gevallen en in alle gevallen die daarmee van ver of nabij te vergelijken zijn, vanuit onze hoop en ons gelovig optimisme niet het beste mogen en durven vooropstellen?

Om te besluiten stel ik voor om even het lied van Zacheiis te zingen.

Als de kleine man de dichtbebladerde boom inkruipt, speelt hij met Jezus verstoppertje: zelf zien maar niet gezien worden. Maar Zacheüs verliest het spelletje; en in dat geval mag de winnaar, de jager, een wens doen, iets kiezen. Ik wil je helemaal zien, zegt Jezus, ik wil dat je je huis, je binnenste, je hart voor Mij opent. Het is een goede verliezer, onze Zacheüs; hij neemt zijn Zingt jubilate ter hand op nr. 559 en zingt:

De Heer heeft mij gezien en onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen.
Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht,
gaf mij een levend hart en nieuwe ogen.
Zo komt Hij steeds met stille overmacht
en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.
(tekst: Huub Oosterhuis)

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x