Jaar C, DHJ 30

Dertigste zondag door het jaar C – Lucas 18,9-14

Ik ben ervan overtuigd dat ieder van ons het evangelie van vandaag sinds jaar en dag kent. Als de parabel van de farizeeër en de tollenaar inderdaad zo overbekend is, bij kerkgangers in elk geval, dan ligt dat nochtans niet aan de liturgie, aangezien hij vroeger toch slechts eenmaal per jaar werd voorgelezen. Na het concilie is dat zelfs nog slechts eenmaal om de drie jaar.

Veeleer is het te danken aan de catechese op school en in de parochie, waar dit beeldrijke en tot de verbeelding sprekende verhaal ruimschoots aan bod kwam en waarschijnlijk nog steeds aan bod komt.

Toegegeven, voor jong en oud is het een dankbaar thema: de onkreukbare gezagdrager op zijn eenzame hoogte die de mantel wordt uitgeveegd, en de mislukkeling die ondanks alles wat hij op zijn kerfstok heeft, toch genade vindt in Gods ogen.

Een zwart-wittekening die gewoonweg niet mis te verstaan is: de farizeeër is een slechterik, wat hij ook aan goede werken doet, en de tollenaar is ergens toch een goeie vent, wat hij ook heeft uitgespookt.

De farizeeër zegt bij zichzelf: ik dank U, God, dat ik niet ben gelijk die tollenaar daar. En wij zeggen bij onszelf – niet dat wij ons met de tollenaar identificeren wat zijn doen en laten betreft – ik dank U, God, dat ik niet ben gelijk die farizeeër daar. De tollenaar zegt dat niet. Die zegt heel wat anders bij zichzelf.

Wanneer het zo wordt gesteld, voel je aan dat er iets aan de hand is en dat de parabel toch niet zo’n probleemloos geval is als het op het eerste gezicht lijkt. Misschien dat wij de les toch niet zo goed begrepen hebben.

Want als wij net hetzelfde zeggen als de farizeeër – en wie van ons reageert inderdaad niet op deze wijze? – dan zijn wij ook in hetzelfde bedje ziek: het bedje namelijk van de minachting van de ander, bijna synoniem én gevolg van zelfoverschatting en zelfingenomenheid, en zeker de tegenpool van achting voor de ander, noem het naastenliefde.

Wij trachten even onze farizeeër objectief en zonder vooroordeel wat van naderbij te bekijken.

Over die man is toch heel wat goeds te vertellen. Hij heeft van Gods heilige wet, de Thora, zijn hele leven gemaakt. Alles doet hij om ze zelf trouw te onderhouden en ze gaaf over te brengen bij het volk; ervoor te zorgen dat er geen jota aan veranderd wordt. En daarnaast doet hij nog heel wat aan goede werken, iets waartoe de wet hem zelfs niet eens verplicht: vasten en vrijgevig zijn, veel meer dan wat is voorgeschreven. En, er is toch ook niets fout aan het feit dat hij God ervoor bedankt dat hij deze talenten en genade van Hem gekregen heeft en er volop gebruik van maakt?

Maar het slaat helemaal om als hij, tegenover God dan nog wel, zich gaat vergelijken met ‘die daar’, met ‘de rest van de mensen’, dat wil toch zeggen: alle anderen buiten zichzelf om.

Daaruit blijkt overduidelijk dat het bij hem niet opkomt dat hij zelfs ook maar iets fout zou kunnen doen; net zomin als het zijns inziens ook maar enigszins mogelijk is dat ‘die daar’, dat iemand anders ook maar één enkele goede eigenschap zou bezitten, zij het maar het besef van eigen kleinheid of van zijn behoefte aan barmhartigheid.

Het wordt niet met evenveel woorden hardop gezegd, want zowel de ene als de andere in het parabelverhaal spreekt ‘bij zichzelf’. Maar je ziet als het ware de tollenaar, die al bij al maar een hoopje ellende is, voor je ogen nog verder ineenschrompelen en instorten onder het zo gevreesde oordeel van dit morele zwaargewicht dat hij hem voelt uitspreken. En andersom: je ziet de farizeeër nog een stuk groeien en opengaan, als hij het nietigheidsgevoel van de ander om zo te zeggen opsnuift.

Hebben wij dan geen gelijk, als wij ‘bij onszelf’ zeggen: maar goed dat wij niet zijn zoals die farizeeër daar? Met andere woorden: hebben wij geen gelijk, als wij slechteriken minachten? Neen, zegt Jezus ons. Het kwaad, de zonde, de slechtheid mag je verachten, moet je verfoeien, maar nooit de mens, wie hij ook moge zijn, niet de tollenaar maar ook niet de farizeeër. Want dan zijn jullie in je hart geen haar beter dan zij.

Laat het ons voorlopig hier even bij houden. Ik zou graag een band willen leggen met het evangelie van vorige zondag, de passage die in het achttiende hoofdstuk van Lucas net voorafgaat aan de tekst van vandaag.

Dat begon zo: ‘Hij leerde hun (Jezus leerde aan zijn apostelen) dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen.’ En daartoe vertelde Hij hun de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter en de rechteloze weduwe: hoe de ene op de lange duur toegaf aan de andere, puur om van het gezaag en gezeur verlost te zijn.

Hoeveel te meer dan – zoals zo vaak is het de les ook van deze parabel – zal een algoede Vader gehoor geven aan zijn geliefde kinderen die tot Hem bidden en blijven bidden.

De band met de parabel van vandaag is dat het hierin ook over bidden gaat. De gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar sluit evengoed aan bij het eerste vers van vorige week, behoort evenzeer tot Jezus’ onderricht aan zijn leerlingen over hun bidden.

Twee mensen gaan naar de tempel, het gebedshuis bij uitstek, om te bidden. Zij bidden tot dezelfde God. Weliswaar doen zij dat beiden op een geheel andere manier. Welnu, de manier van bidden lijkt van minstens even groot belang te zijn als het feit van het bidden.

Aan de tweede manier van bidden hecht de Heer zijn goedkeuring, omdat het voluit gaat over de houding van een allesbehoevend kind tegenover zijn algoede Vader, van een mens in het besef van zijn kleinheid neerbuigend voor Gods erbarmen. Reeds een ondeugende kleine jongen die kattenkwaad uitgehaald heeft, weet uit zichzelf dat hij bij pa en ma niet moet aankomen met een hoop excuses en drogredenen en dat hij zeker zijn fout niet moet afschuiven op de rug van een ander. Een stilletjes gemompeld ‘sorry, ik zal het niet meer doen’ is het enige dat hem te doen staat.

De eerste manier van bidden daarentegen komt helemaal niet overeen met de houding van een kind tegenover zijn vader, gewoonweg omdat de allerbeste vader het niet neemt, het niet nemen kan dat een van zijn kinderen, hoe briljant en geniaal die ook moge zijn, zichzelf komt ophemelen en dit nog eens uitdrukkelijk doet ten koste en over de rug van broer of zus.

Nogmaals, mogen wij God dan niet danken voor de goede gaven die Hij ons gegeven heeft, voor het goede dat Hij in en aan ons laat gebeuren? Heel zeker wel.

Maar als dat gebed ook maar een zweem vertoont van grootspraak en zeker van minachting tegenover een ander, dan is het gewoon geen gebed meer, maar pure zelfverheerlijking onder het mom van dankzegging: een pleidooi pro domo waarin betoogd wordt dat een rechtvaardige God toch niet anders kan zeker dan je grote verdienste erkennen en belonen.

Wij zeiden reeds dat de manier van bidden zeker zo belangrijk is als het feit op zich. Het bepaalt de echtheid van het gebed, zoals het tegelijk de mens die het uitspreekt tekent tot in zijn diepste zijn. Daarom besluit Jezus zijn parabelles met de herhaling van een bekende spreuk: al wie zich verheft, zal vernederd en wie zich vernedert, zal verheven worden.

Waarom geeft de Heer Jezus zo vaak af op de farizeeën? Hij zal hen zeker niet allemaal over één kam scheren, want er waren heel wat altruïstische mensen bij vol mededogen en nederig van hart. Maar er moeten er toch heel wat geweest zijn die veel gelijkenis vertoonden met deze van onze parabel. Is Jezus misschien jaloers op hun succes en op de zij het gedwongen achting waarvan zij genieten?

Ik denk dat Jezus besefte en aanvoelde dat zij, Hijzelf én de farizeeën, dicht bij elkaar stonden: in hun trouw aan en de ijver voor Gods woord, hun aanhankelijkheid aan Wet en traditie, hun goede bedoeling om de mensen voor te gaan op de juiste weg.

Eén stap echter krijgen velen maar niet gezet, de stap namelijk vanuit zichzelf, van zichzelf weg naar de ander toe; de stap van verdraagzaamheid, waardering, begrip, dienstbaarheid; kortom, de stap naar de naastenliefde toe, de caritas. Zij zien enkel zichzelf graag, niet de ander. En dat laat de Heer niet los. Dat stemt Hem droef. Hij wil daar iets aan doen. En daarom spaart Hij hen niet met zijn aanmaningen om dat toch in te zien. Wie Gods kinderen minacht en niet hoogacht, kan ook God niet hoogachten en eren. Wie Gods kinderen niet graag ziet, zijn broers en zussen, ook de kleinsten en zwaksten onder hen, kan ook God zelf niet liefhebben.

Waarom zou de Heer Jezus zo’n boontje gehad hebben voor tollenaars? Toch niet omdat het collaborateurs en bedriegers waren? Zou het niet veeleer zijn omdat niemand hen graag zag en dat zij juist daarom zijn liefde zo broodnodig hadden, en wel om zich aan op te tillen tot ommekeer en geloof in de barmhartigheid?

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x