Jaar C, DHJ 3

Derde zondag door het jaar C – Lucas 1,1-4; 4,14-21

De lezingen zijn aan de lange kant vandaag. Prijzen wij ons toch maar gelukkig dat het niet is, zoals ten tijde van de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Want toen las de priester Ezra voor uit het boek ‘vanaf de dageraad tot de middag’. En daarna lezen blijkbaar ook nog de levieten uit het boek voor; en ze legden het uit, tot iedereen het begreep. Allicht lazen de levieten de mensen voor, want het hele volk barstte in tranen uit, toen ze het hoorden, zegt de tekst. Maar Ezra én de levieten spraken: ‘Dit is de dag van de Heer. Je mag niet treurig zijn. Ga dus maar eens lekker eten en drink er een goed glas wijn bij. En deel ervan mee aan wie niets heeft.’

Dat lekkere eten en die goede wijn, okee, maar die lange lezingen en die uitleg… Gelukkig zegt een ongeschreven regel: lange lezingen, korte preek. Maar dat moet je nog afwachten, en ik vrees ervoor. Want het zijn inderdaad lange lezingen, maar tegelijk inhoudelijk zo rijk dat er meteen veel uit te leggen is. Over iedere lezing wil ik iets kwijt.

Beginnen wij voor één keer met de tweede lezing; het is ook de langste. In deze korte reeks van zondagen door het jaar tussen de kersttijd en de veertigdagentijd is dit jaar in de tweede lezing de eerste Korintiërsbrief aan de orde, de hoofdstukken 12 tot 15. Op zich is het een uniek hoogstaand theologisch traktaat van Paulus over enkele kerngegevens van ons christelijk geloof.

Vorige zondag ging het over de gaven van de Geest. Vandaag over de kerk als het Lichaam van Christus. Volgende week wordt het bekende zogeheten ‘Hooglied der liefde’ gelezen: ‘Al spreek ik engelentaal, zonder de liefde ben ik een rammelend cimbaal.’ De week daarna is het oerke-rugma aan de beurt over de opstanding van hen die in Christus gestorven zijn. Wat een ongemene rijkdom op enkele bladzijden! Dankzij een gelukkige samenloop van omstandigheden wordt vandaag het deel over de kerk als gemeenschap gelezen met die prachtige vondst van de vergelijking ‘de kerk als het lichaam van Christus’ – eenheid in verscheidenheid, verscheidenheid in eenheid – net op de zondag in de week van de oecumene, de bidweek voor de eenheid van de kerk.

In vers 18 lezen wij: ‘God heeft ledematen en organen elk afzonderlijk hun plaats in het lichaam gegeven.’ Het woord ‘afzonderlijk’ is wat ongelukkig vertaald. Letterlijk staat er in de Griekse oertekst: ‘elk van hen op zich’. Maar dat is zeker niet ‘afzonderlijk’, ‘afgezonderd’ van het geheel. Een beter woord is hier: ‘individueel’. Dat wil precies zeggen: op zich, een eenheid vormend op zichzelf. Individueel betekent echter tegelijk: on-deelbaar; onverdeelbaar op zich, maar ook: niet los te maken, niet te scheiden van de andere ‘individuen’. Een individu bestaat enkel op zich, indien het als zodanig onlosmakelijk is ingeschakeld, zichzelf inschakelt, functioneert in het geheel waartoe het behoort. Ledematen en organen zijn enkel maar zichzelf, indien zij functioneren binnen het geheel van het levend organisme.

Wij mogen deze Paulustekst zeker niet exclusief op de problematiek van de oecumene betrekken. Evengoed werpt hij een licht op wat momenteel toch wel een interne crisis genoemd kan worden, dat wil zeggen: binnen de eigen katholieke kerk. Paulus heeft als het ware toen reeds de oorzaken ervan aangeduid.

‘Zijn soms allen apostelen, allen profeten, allen leraars, allen wonderdoeners?’ Inderdaad is het onmiskenbaar een teken van onze moderne tijd dat iedereen zichzelf apostel noemt of waant, leraar, profeet, bestuurder, genezer, wereldverbeteraar… tot op het moment dat het eropaan komt zijn verantwoordelijkheid concreet op te nemen.

Maar ook andersom. Onze kerk is in de loop der jaren en eeuwen en met de steeds complexer geworden levenssituatie van mens en maatschappij de steeds ruimere en groeiende verantwoordelijkheden ter zake maar blijven opsparen voor dezelfde kleine kring van geroepenen en uitverkorenen. Als simpele individuele priester moet je vandaag apostel, profeet, leraar, bestuurder, genezer en manager zijn, en nog zoveel meer. Dat is als het ware tegelijk oog en oor en neus en mond zijn. En zo werkt het mensenlichaam niet.

Van beide kanten, van bovenaf en van beneden uit, gaat het over verdelen van taken, verdelen van verantwoordelijkheden: de Geest laten werken binnen de kerk; verdelen omwille van de eenheid. Een betere term dan ‘verdelen’ is: ‘delen’, delen in. Van beide kanten, van bovenaf en van beneden uit, gaat het over delen in ieders en elkaars verantwoordelijkheid.

Niet alles menen te weten, te kunnen of te moeten. Maar ook niet zeggen, wat mijn taak niet is, is mijn zaak niet. Nooit zeggen: het zijn jouw zaken niet, hou je met je eigen zaken bezig, integendeel.

Paulus zegt: ‘Wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wanneer één lid wordt geëerd, delen alle ledematen in die eer.’

Delen in elkaars leed. Dat wil zeggen: niet het lijden gaan koesteren in een soort gemeenzame beleving ervan, maar samen de strijd aanbinden tegen alle lijden in onze wereld. Dat wil zeggen: de pijn van de andere tot de eigen zaak maken; en je eigen misère uiteraard zelf dragen, maar ze ook toevertrouwen aan de zorg van anderen.

Delen in elkaars vreugde. Dat wil zeggen: de andere van je eigen vreugde laten meegenieten en blij zijn omdat iemand blij is, geslaagd is, gelukkig is.

De eerste lezing voert ons terug tot de tijd van de terugkeer uit de ballingschap, wanneer onder leiding van stadhouder Nehemia en priester Ezra het volk aan de wederopbouw gaat werken: niet van de staat – die is voorgoed voorbij, lijkt het wel – maar van de dienst aan Jahwe en dus van het volk als volk van God, als kerk avant la date, zou je kunnen zeggen.

Je kunt je afvragen waarom hier déze tekst staat en niet de profetie van Jesaja die in het evangelie door Jezus zelf wordt voorgelezen in de synagoge van Nazareth. Maar Jesaja hebben wij dáár sowieso gehoord. Nu is er een andere mooie parallel uitgetekend tussen oudtestamentische lezing en evangelie, met een tekst die gold en geldt als het prototype voor komende jaren en eeuwen van de synagogale liturgie: geen offers zoals in de tempel van Jeruzalem, maar een uitgebreide woorddienst met lezingen, tekstverklaring én zang, antwoordzang, psalmzang, lofzang. Net zoals toen Jezus inderdaad voor het eerst in zijn vroegere thuissynagoge als lector van dienst gaat fungeren.

En wat onze oecumene betreft is uit deze lezing te onthouden dat ‘allen’ luisterden en dat ‘allen’ antwoordden: ‘Amen, amen.’ Ook dat is in onze tijd aan de orde. Een vanzelfsprekendheid is het niet, al kun je zeggen dat er op dit vlak wellicht meer eenheid bestaat tussen de kerken onderling dan binnen onze eigen Vlaamse en Nederlandse kerkgemeenschap, waar de woorddienst met de schriftbeluistering en met beamend, bezinnend en lofprijzend zingen toch wel vaak vertroebeld wordt door allerlei allerindividueelste expressies van allerindividueelste emoties. Moet het ons dan verwonderen dat maar weinig mensen daar nog aan wensen deel te nemen?

Maar dezelfde oude lezing houdt ons voor dat wij er niet om moeten gaan zitten huilen: niet zeuren alsjeblieft, maar doorgaan, volhouden en blij zijn met wat er wél gebeurt op het gebied van verkondiging en lofzang.

In het evangelie beschrijft Lucas op eigen wijze het eerste optreden van Jezus als Gezondene, profeet, leraar in zijn heimatstad Nazareth. Hij las Jesaja voor en zou er achteraf uitleg over geven. De Geest rust op Mij. Goed nieuws voor armen en gevangenen. Een genadejaar van God voor mensen vol verwachting. En dan volgt de preek. Helemaal geen lange preek, integendeel, hij bevat slechts één enkele zin. Thans zijn deze schriftwoorden in Mij in vervulling gegaan.

Het ‘thans’ van Jezus betekent noch min noch meer dat het zwaartepunt van heel de mensengeschiedenis gelegen is in zijn Persoon, in zijn Woord, in zijn leven, sterven en verrijzen. Is het dat niet wat mensen en christenen interkerkelijk en intrakerkelijk allereerst verdeelt: dat het zo onaanvaardbaar lijkt dat het zwaartepunt van je geschiedenis, van je leven in het verleden ligt? Ziedaar de moeilijkste opgave van ons geloof en de aanleiding tot zoveel twist en tweedracht. Eenheid kan slechts ontstaan, kerk kan slechts bestaan, als christenen zich helemaal kunnen overgeven aan de ene Heer Jezus Christus.

Maar wij blijven individuen, schepsels van God die op zichzelf staan, hun eigen identiteit vormen en geen andere. In overgave aan de Heer betekent het ‘thans’ van Jezus ook dat het ‘nú’ van ons de vervulling moet zijn van de Schrift, het genadejaar van God. Hier en nu is Hij in ons midden. Hier en nu zijn wij voor elkaar en voor de wereld het ene lichaam van de verrezen Heer. Hier en nu moeten alle kleine daden van elke dag de verwezenlijking zijn van Gods genadejaar: voor de wereld en voor de tijd, voor de kerk en voor de samenleving van mensen, voor hun lijden en hun eenzaamheid, voor hun vreugde en hun vrede.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x