Jaar C, DHJ 28

Achtentwintigste zondag door het jaar C – Lucas 17,11-19

Dit evangelieverhaal staat enkel bij Lucas. Eet is het tweede dat hij vertelt over de genezing van melaatsheid. Het eerste, twaalf hoofdstukken terug, komt ook voor hij zijn collega-synoptici Marcus en Mattes. Lucas is nochtans iemand die niet uit is op herhalingen. Dit tweede leprawonder moet voor hem dus wel een heel bijzondere betekenis hebben en een belangrijke boodschap inhouden.

In elk geval is het leerrijk de beide mirakelvertellingen even met elkaar te vergelijken.

De eerste keer gaat het over één enkele zieke, de tweede keer over tien mannen. De verschillende reactie van deze toen, één tegen negen, één enkeling tegenover heel wat meer lotgenoten, zal uiteraard niet onbelangrijk blijken te zijn. Wij komen er straks op terug.

In het eerste verhaal raakt Jezus de zieke aan en geneest hem zodoende ter plekke. De wonderen die de Heer in het begin van zijn openbare leven verricht, zijn de duidelijke tekenen dat het Rijk Gods nabij is, zoals Hij het verkondigt. Maar in de ogen van de joodse kerkleiders, de farizeeën, de schriftgeleerden zijn het vaak provocaties. De wet verbood de omgang met melaatsen. Hen aanraken was een taboe.

In het tweede tafereel is er van provocatie geen sprake. De zieken blijven immers op een respectabele afstand staan en Jezus steekt geen hand naar hen uit. Zo kun je dit tweede gebeuren ook soberder noemen dan het eerste. De genezing zelf wordt zelfs niet beschreven. Het wonder gebeurt ergens onderweg, ongezien, zoals inderdaad in het leven van mensen de dagelijkse wonderen ongezien ergens onderweg te gebeuren staan.

Laten wij het even hebben over de wijze waarop de melaatsen in beide gevallen Christus aanspreken.

De eerste maal is dat met ‘Kyrie’, Heer, hetgeen duidelijk wijst op het geloof van de zieke man, die zich trouwens aan Jezus’ voeten ter aarde neerwerpt. Maar dat was, zoals reeds opgemerkt, verkeerd; dat mocht niet. Want zo bleef je niet op afstand van de gezonde mensen, zoals de wet het wilde.

De tweede maal blijven ze op een afstand staan en noemen Hem heel opvallenderwijs met een eigenste eigennaam. Meester Jezus, zeggen zij: even duidelijk een teken van hun geloof in Hem. Die aanspreektitel echter is heel uitzonderlijk. Slechts één enkele keer gebeurt dit nog in het Lucasevangelie. Op Golgotha wordt de Gekruisigde zo aangesproken door die ene die samen met Hem geëxecuteerd wordt en die wij de goede moordenaar noemen: Jezus, denk aan mij.

Deze overeenkomst verbindt meteen dit mirakelverhaal met het kruis, zoals het verder ook met de verrijzenis verbonden zal worden, wanneer Jezus aan het einde van het gebeuren tegen de genezen Samaritaan zegt: ‘Sta op’, dezelfde term die dezelfde evangelist zal gebruiken om te verwoorden dat de Heer verrezen is, ‘opgestaan’ op de derde dag.

Om dit af te ronden wijzen wij er nog op dat de geheelde Samaritaan die naar Jezus teruggekeerd is, zich dan wél aan zijn voeten neerwerpt. Hier dus na de genezing, in tegenstelling tot de eerste keer ervoor: de eerste maal om te smeken, de tweede maal om te danken. Ook daar komen wij op terug.

In beide gevallen zendt Jezus de melaatsen, de ene of de tien, naar de priesters om hun genezing officieel te laten bevestigen, zoals het wettelijk was voorgeschreven. Daarin lijkt de Heer duidelijk de wet te erkennen. Maar ook hier zal er nog een verschilpunt naar boven komen. In het geval van de tien lepralijders is er immers een vreemdeling bij, een Samaritaan. En die hoeft helemaal niet naar de priesters toe, dat wil zeggen: naar de tempel van Jeruzalem, waar zij te vinden zijn. Hij mag daar zelfs niet binnen. Hij valt gewoon niet onder de wet, aangezien Hij officieel een heiden is, een ongelovige.

Daaruit vloeit dan het eerder reeds vernoemde verschil in reactie voort van de tien die onderweg genezen zijn: één tegen negen, één vreemdeling tegenover heel wat meer volksgenoten, één heiden tegenover negen religiegenoten.

Als de man uit Samaria zijn genezing constateert, ziet hij meteen in dat hij niets kan gaan doen in Jeruzalem, samen met de negen anderen. Hij had gewoon naar huis kunnen gaan. Maar hij keert haastig op zijn stappen terug om God met luide stem te verheerlijken, om aan Jezus zijn dankbaarheid te betonen. Dat is een verdienste van de man. Daar mag je weliswaar niet zomaar uit afleiden dat de negen anderen die wel naar de priesters zijn gestapt in Jeruzalem, geen dankbare mensen zouden zijn.

Zij zullen warempel God in zijn eigen tempel wel geloofd en geprezen hebben voor hun wondere heling.

Voor Jezus lijkt dat nochtans niet voldoende te zijn. Hij eist duidelijk voorrang op voor zijn boodschap, voor zijn persoon, voor het Koninkrijk Gods dat Hij vertegenwoordigt en verkondigt. Niet de priesters van Jeruzalem maar Jezus van Nazareth is de ware Godsgezant, de Kyrie, de Meester, de veelgeliefde Zoon. Je laten gaan zien aan de priesters is het voldoen aan een wetsvoorschrift. Maar dat is het dan ook en daarmee houdt het niet op. Dan begint het pas, zegt de Heer.

Moeten we daaruit besluiten dat de negen Galileese genezenen onherroepelijk veroordeeld worden? Jezus oordeelt of veroordeelt niet, zegt Hij voortdurend. Menselijkerwijze gesproken zou men zich best kunnen indenken dat zij achteraf ook nog teruggekeerd zijn naar hun Genezer om Hem te bedanken. Maar dat bedoelt de logica van het verhaal zeker niet.

De bedoeling is een onderscheid te maken, een verschil aan te duiden.

Soms wordt het verschil tussen het eerste en het tweede gebeuren uitgelegd als enerzijds een genezing en anderzijds een genezing met daarbovenop een bekering, uit hoofde van de Samaritaan, welteverstaan. Gelovig zijn ze allen: Kyrie, Jezus, Gij kunt ons genezen. Maar de vreemdeling is de enige die tot het volle geloof is doorgestoten.

Je kunt dat onderscheid tussen één en twee of tussen de reactie van de ene en van de negen, ook uitdrukken in termen van dankbaarheid. Niet in de zin dat de negen niet dankbaar en dat enkel de tiende, de ene Samaritaan wel dankbaar zou zijn. Maar wel in de zin van gradaties in de dankbaarheid en de dankzegging.

En daar heeft de man uit Samaria – Lucas bezigt het Griekse woordje allogeen, waar wij heel goed onze term allochtoon in herkennen – een stap verder in gezet naar God toe, naar de Heer Jezus toe. Hij wordt er terecht voor geprezen. Maar dat mogen wij dan weer niet zó verstaan dat Hij is waar Hij zijn moet, dat zijn taak is volbracht ten einde toe.

Er is nog een trap hoger te klimmen op de ladder van de dankbaarheid, een stap verder te zetten, en wel naar een derde dimensie in de ruimte van de dankbaarheid.

Dankbaarheid moet je uiten, niet met mondjesmaat als een te volbrengen plicht, maar volop. Je moet het zeggen en zingen, het uitdrukken met een evangelische knieval – Hij wierp zich aan zijn voeten neer – of met een kinderlijke en tedere omhelzing. Daarnaast moet je dankbaarheid ook ‘doen’.

Dankbare mensen zetten hun dank om in daden, bewijzen hun dank door de inzet en de intensiteit waarmee zij hun taak en hun opdracht uitvoeren, hun roeping volgen, welke die ook moge zijn.

Sta op, zegt Jezus. Je mag niet blijven neerliggen en mijn voeten blijven vastklemmen. Je moet Mij loslaten, zoals dankbare mensen elkaar dienen los te laten. Je moet verder. Leven moet je; je weg moet je gaan!

En zou dat niet in de eerste plaats zijn, niet de weg naar de priesters in de tempel van Jeruzalem, maar wel de weg met Mij mee, zegt de Heer, naar het Jeruzalem van kruis en verrijzenis.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x