Jaar C, DHJ 26

Zesentwintigste zondag door het jaar C – Lucas 16,19-3

Het eerste deel van de parabel van Lazarus en de rijke was in Jezus’ tijd een algemeen bekend verhaal. Het is een oud-oosters sprookje aangaande een levenswijsheid, een levensverwachting die trouwens van alle tijden is: eens zullen de rollen omgekeerd zijn. Iedereen die het kwaad of lastig heeft, voelt dat ergens zo aan, hoopt daarop als op een stukje immanente rechtvaardigheid van de schepping zelf.

Dat is dan van Lazarus’ kant uit gezien, niet van de kant van de rijke. Iemand die het goed heeft, voor wie alles op wieltjes loopt, staat maar zelden stil bij de broosheid van zijn geluk en bij een mogelijke plotse ommezwaai. Dat is ergens normaal. Een gezond mens gaat niet voortdurend zitten dubben over mogelijke ziekten die hem kunnen overvallen: daar word je ziek van. Maar er schort iets, als de rijke van de parabel zijn feest viert en het maar blijft vieren, Lazarus of geen Lazarus.

Vaak heeft men de antithese van de parabel helemaal toegespitst op de ene tegenstelling arm – rijk om er langzaam maar zeker een automatische ethische waardering aan te koppelen. Armoede wordt verbonden met moreel goed, rijkdom met moreel slecht. Zalig de armen, wee de rijken! zegt Jezus in Lucas’ versie van de zaligsprekingen.

Dat is natuurlijk een totale ommezwaai in vergelijking met de oude culturen, het Oude Testament bijvoorbeeld, waar rijkdom gezien werd als een teken van Gods zegen en armoede als een straf van de hemel.

De man Job is de eerste Bijbelfiguur die daartegen volop in opstand komt: zo’n god kan voor hem niet. En Jezus treedt met heel zijn boodschap en levensgetuigenis in Jobs spoor. Zijn voorliefde voor de armen is overduidelijk. En dus zal Hij wel tegen de rijken zijn, of niet? Dat kan toch niet anders met uitspraken als: ‘Zalig de armen, wee de rijken.’?

Wij moeten er wel rekening mee houden dat het oud-oosterse taalgebruik geen andere manier kende om kleine en grotere tegenstellingen uit te drukken dan de ‘zwart-wit’tekening. Grijs of kleur, wat meer of minder, trappen van vergelijking kenden ze niet. Ik haat wat ik niet bemin. Wie zijn vader en moeder niet haat, kan mijn leerling niet zijn.

Maar in een andere ‘zwart-wit’uitspraak die alle vorige overtreft in radicaliteit en nieuwheid en ze tegelijk relativeert en tot juiste proporties brengt, luidt het: bemin je naaste, en tegelijk, bemin je vijand. Dat werpt een ander licht op vele situaties.

Zoals in de Bergrede is het Jezus in dit verhaal te doen om af te rekenen met de oude idee dat rijkdom goed en armoede slecht is. Maar dat is niet om dan alles gewoon om te draaien en feitelijk in hetzelfde euvel te vervallen: de rijkdom die gestraft zal worden, zomaar, de armoede zomaar beloond.

Trouwens, Jezus hield duidelijk rijke mensen te vriend. Lazarus bijvoorbeeld. Lazarus?… Niet die van onze parabel, maar die van Bethanië. Herinner je je hem: die met zijn eigen huis, groot genoeg om mensen te ontvangen en feesten te organiseren met zijn twee zussen als keukenprinsessen? Zelfs een eigen groot graf bezat hij om in begraven te worden. Als dat geen rijke vent was…

Personages van parabels blijven bijna steeds naamloos: de rijke jongen, de arme weduwe, de verloren zoon… ze worden nooit bij hun naam genoemd. Hier wel: Lazarus. Zo opvallend dat het spreekwoordelijk geworden is: zo arm als Lazarus, zo hongerig, zo dorstig als Lazarus.

Waarom zou Jezus precies de naam van zijn rijke vriend van wie Hij zo oprecht hield dat Hij weende bij zijn overlijden… precies deze naam gekozen hebben voor die ene keer dat hij een naam gebruikt in een parabelverhaal? Allicht is het zijn manier om te relativeren, om te laten aanvoelen dat het niet enkel of niet in de eerste plaats gaat over de verhouding rijkdom – armoede in de letterlijke zin van het woord.

Niet de rijkdom wordt veroordeeld, niet de armoede de hemel ingeprezen, maar wel dat deze rijke zó in beslag genomen wordt door zijn rijkdom, door zichzelf dat hij geen armoede ziet. En dat als hij ze ziet, het voor hem geen probleem uitmaakt, dat hij het normaal vindt, dat het hem niet raakt, zelfs niet als een in die tijden zo verwerpelijk dier als een hond de wonden van een stervend mens komt likken, teken van diens uiterste verlatenheid en miskenning.

Rijken, bezitters (let wel: daar zijn talloze vormen van) kunnen zó in hun eigen wereld opgesloten, zó erin ingekapseld zitten dat zij totaal ongevoelig geworden zijn voor wat er rondom hen gebeurt en voor wie op hen een beroep doen.

Mensen in de roes van zichzelf, mensen verslaafd aan zichzelf: geld, macht, maar ook alcohol, drugs, zelfs godsdienst en ideologie evenzeer als nihilisme en goddeloosheid.

Alle mogelijke vormen van onze o zo rijke cultuur – voedsel en kleding, werk en ontspanning, computer en gsm, economie en industrie, wetenschap en kunst – kunnen de symptomatische bolwerken worden van roes en verslaving waar mensen niet meer uit weg kunnen of willen. Ergst van al is nog, als deze extreme aberraties precies gaan gelden en ervaren worden als het summum van cultuur en beschaving.

Dit leidt niet enkel tot onbewuste zelfdestructie, maar ook tot onderdrukking en uitbuiting, tot blind chauvinisme en even blind geweld, tot nietsontziende terreur en meedogenloze wraak.

In onze tijd en onze dagen: de parabel van Lazarus en de rijke, niet zomaar een oud-oosters sprookje, maar realiteit op macromondiaal niveau.

Maar waarom grijpt dan in godsnaam de hemel niet in? Waarom laat een rechtvaardige God dat allemaal toe? Waarom laat de Schepper zijn eigen schepselen en schepping verloederen en teloorgaan?

Daarover gaat het tweede deel van de parabel, waar Jezus’ eigenste stem in doorklinkt.
Vader Abraham, waarom doe je niets? Zij het dan alleen maar voor de toekomst van onschuldigen en onwetenden?

Want wij, wij weten niet wat wij moeten doen. De rijke van de parahel als de oeroude en blijvend nieuwe versie van: haben es nicht gewusst… ‘

Wij kunnen het niet helpen, wij kunnen er niet aan verhelpen, machteloos als wij zijn. Wij kunnen er toch niets aan doen. Wij kunnen niets doen…

Voor de arme niet, voor de rijke niet; voor God niet, voor de aarde niet; voor Amerika niet en voor Azië niet; voor de kerk niet, voor de islam niet…

Waarom de hemel niet ingrijpt? Omdat je maar al te goed weet wat je te doen staat, zegt vader Abraham. Daarvoor heb je toch Mozes en de profeten, van vroeger en van nu.

Sterker nog: je hébt iemand die uit de doden is opgestaan. Je hebt er zovelen die in zijn voetstappen zijn getreden en zijn woorden hebben verhaald, zijn Blijde Boodschap verkondigd:

bemin je naaste, bemin je vijand. Wie de eerste wil zijn, moet de dienaar van allen worden. Wie zonden vergeeft, hem worden zonden vergeven. En: vrede zij met u. De Trooster, de Heilige Geest zal Ik u zenden. Ik zal met u zijn tot het einde van de tijd.

Als dat niet genoeg is om je verantwoordelijkheid op te nemen: om voor elkaar en voor heel de wereld een levend geweten en een teken van hoop te zijn.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x