Jaar C, DHJ 25-34

Tweeëndertigste zondag door het jaar C — Lc 20,27-3 8
Onze God is een God van levenden, niet van doden.
In deze laatste weken van het kerkelijk jaar blijven de liturgie en haar schriftlezingen in de sfeer van Allerheiligen en Allerzielen verwijlen bij het mysterie van leven en dood, van opstanding en wederkomst.
Tussen evangelie en eerste lezing loopt ook vandaag traditiegetrouw een parallel. Tweemaal gaat het over zeven broers die na elkaar sterven. En na hen is de vrouw aan de beurt: de moeder of de echtgenote. Inhoudelijk echter ontgaat ons ieder verband tussen het gruwelijke verhaal van zeven voorchristelijke martelaren uit het boek Makkabeeën en dat veeleer flauwe verzinsel van een pseudoparadig-ma dat de Sadduceeën aan Jezus voorleggen.
In tegenstelling tot hun collega’s, de farizeeën, en tot cle meeste religieuze leiders en gelovige joden van Jezus’ tijd is er voor deze theologen geen plaats voor verrijzenis en opstanding binnen hun geloof. Wat vrij algemeen aanvaard wordt, kan voor hen gewoon niet. Als bewijs hiervoor moet hun verhaal duidelijk aantonen dat de consequenties aan verrijzenis verbonden onmogelijk zijn, en (lat dit dus verrijzenis zelf onmogelijk maakt.
Voor Jezus kan het wel, iets dat buiten kijf staat. Meteen wijst Hij zijn opponenten op een fout in hun benaderingswijze en redenering: een fout die in onze tijd evengoed gemaakt wordt. De problematiek van leven na de dood is van alle tijden, is uiterst actueel. Tegenover verrijzenisgeloof voeren vandaag de dag biologen aan dat een mensenlichaam hoegenaamd niet kan leven buiten de biologische omgeving. En dus is ook voor deze tijdgenoten verrijzenis of opstanding onmogelijk.
De fout die én de oude theologen én de moderne biologen maken, heeft te maken met het feit dat om te denken en te redeneren over iets dat voorbijgaat aan de grenzen van het menselijk bestaan en de menselijke conditie — verrijzenis en opstanding — wij begrippen en beelden hanteren die wél binnen die context thuishoren.
Wij kunnen niet anders. De beperktheid van ons verstand en onze verbeelding brengt mee dat wij voor spirituele en mystieke waarden en waarheden een begrippentaal bezigen die slechts in een zeer overdrachtelijke zin spreekt over wat in feite onzegbaar en onvoorspelbaar is. Maar hieruit valt nog niet af te leiden dat het spirituele en mystieke niet bestaan, dat ze geen realiteit zijn. Verrijzenis en opstanding zijn daarom niet minder echt en waarachtig.
In zijn wederwoord aan de Sadduceeën gaat Jezus dan ook niet tegen-redeneren. Hij wijst er enkel maar op dat het over iets heel ‘anders’ gaat: iets onvoorstelbaar anders. _Het huwelijk, de mens, het leven dán zal heel anders zijn dan het huwelijk, de mens, het leven mi. Maar leven zal er zijn, zegt Jezus. Zijn argument is afkomstig uit de oude Pentateuch, waarop ook de Sadduceeën zelf zich beroepen. De Heer is geen God van doden, maar van levenden. Abraham, Isaák, Jakob: voor Hem zijn zij allen levend. Jezus zegt: Ik weet, Ik geloof dat er leven zal zijn. Maar Ik weet niet, zelfs ik weet niet wat of hoe het zal zijn.
Gaat het clan misschien over het alternatief van cle Griekse filosofie: een sterfelijk lichaam maar een onsterfelijke ziel? Dit komt in de joodse denkwereld niet eens op. Mens is mens, ziel én lichaam, onafscheidelijk, zelfs niet onderscheidelijk. Het gaat over de gehele mens, kind van Gods liefde.
Diepe menselijke waarden die wij hier en nu beleven, met ons lichaam hoe dan ook — want denken en dromen, liefhebben en haten, hopen en wanhopen doen wij allemaal met hart en ziel, met ziel en lichaam — die spirituele waarden moeten ergens (hoe ‘anders’ dan ook) een verlengstuk, een bekroning krijgen. Dat heet verrijzenis. De volledige mens moet erbij betrokken zijn. Het mensenlichaam, hoe sterfelijk en vergankelijk het ook moge zijn, is niet voor ondergang en verdoemenis geschapen: het is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.
Credo. Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam. Bij Jezus’ verrijzenis laat Lucas Hem om eten vragen, laat Johannes Hem tot Thomas zeggen: betast mijn wonden en steek uw hand in mijn zijde. Het is tweemaal een extra bevestiging van opstanding en verrijzenis als zijnde betrokken op de gehele mens, de gehele Jezus van Nazareth, met hart en ziel tot het leven opgewekt, met ziel en lichaam verrezen uit de doden.
Maar als de verrijzenis uit de doden voor Jezus’ tijd en tijdgenoten toch zo’n vertrouwd gedachtegoed was, waarom wordt dan door joden én vooral door wie zo’n heisa gemaakt over Jezus’ verrijzenis? Waarom wordt wat voor joden een normaal geloofsgegeven is, in het geval van Jezus zo ongewoon? Waarom wordt Jezus’ opstanding plots de kern en het hart van de christelijke geloofsverkondiging?
Want zo klinkt het oudste kerugma toch reeds als een uniek geloofsrefrein: ‘dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften’. Of zoals in Handelingen hoofdstuk 3: ‘Hem die gij door de hand van goddelozen aan het kruis hebt genageld, die Jezus heeft God doen verrijzen.’
Nogmaals: waarom wordt Jezus’ verrijzenis zo geaccentueerd en centraal gesteld als een nieuw en uniek gegeven, als toch volgens het joodse geloof zoals Jezus zelf het kent, elke dode verrijst? Nogmaals: met ziel en lichaam verrijst?
In tegenstelling tot hun collega’s, de farizeeën, en tot de meeste religieuze leiders en gelovige joden van Jezus’ tijd is er voor deze theologen geen plaats voor verrijzenis en opstanding binnen hun geloof. Wat vrij algemeen aanvaard wordt, kan voor hen gewoon niet. Als bewijs hiervoor moet hun verhaal duidelijk aantonen dat de consequenties aan verrijzenis verbonden onmogelijk zijn, en dat dit dus verrijzenis zelf onmogelijk maakt.
Voor Jezus kan het wel, iets dat buiten kijf staat. Meteen wijst Hij zijn opponenten op een fout in hun benaderingswijze en redenering: een fout die in onze tijd evengoed gemaakt wordt. De problematiek van leven na de dood is van alle tijden, is uiterst actueel. Tegenover verrijzenisgeloof voeren vandaag de dag biologen aan dat een mensenlichaam hoegenaamd niet kan leven buiten de biologische omgeving. En dus is ook voor deze tijdgenoten verrijzenis of opstanding onmogelijk.
De fout die én de oude theologen én de moderne biologen maken, heeft te maken met het feit dat om te denken en te redeneren over iets dat voorbijgaat aan de grenzen van het menselijk bestaan en de menselijke conditie — verrijzenis en opstanding — wij begrippen en beelden hanteren die wél binnen die context thuishoren.
Wij kunnen niet anders. De beperktheid van ons verstand en onze verbeelding brengt mee dat wij voor spirituele en mystieke waarden en waarheden een begrippentaal bezigen die slechts in een zeer overdrachtelijke zin spreekt over wat in feite onzegbaar en onvoorspelbaar is. Maar hieruit valt nog niet af te leiden dat het spirituele en mystieke niet bestaan, dat ze geen realiteit zijn. Verrijzenis en opstanding zijn daarom niet minder écht en waarachtig.
In zijn wederwoord aan de Sadduceeën gaat Jezus dan ook niet tegen-redeneren. Hij wijst er enkel maar op dat het over iets heel ‘anders’ gaat: iets onvoorstelbaar anders. Het huwelijk, de mens, het leven dán zal heel anders zijn dan het huwelijk, de mens, het leven mi. Maar leven zal er zijn, zegt Jezus. Zijn argument is afkomstig uit de oude Pentateuch, waarop ook de Sadduceeën zelf zich beroepen. De Heer is geen God van doden, maar van levenden. Abraham, Isaiik, Jakob: voor Hem zijn zij allen levend. Jezus zegt: Ik weet, Ik geloof dat er leven zal zijn. Maar Ik weet niet, zelfs ik weet niet wat of hoe het zal zijn.
Gaat het dan misschien over het alternatief van de Griekse filosofie: een sterfelijk lichaam maar een onsterfelijke ziel? Dit komt in de joodse denkwereld niet eens op. Mens is mens, ziel én lichaam, onafscheidelijk, zelfs niet onderscheiclelijk. Het gaat over de gehele mens, kind van Gods liefde.
Diepe menselijke waarden die wij hier en nu beleven, mét ons lichaam hoe dan ook — want denken en dromen, liefhebben en haten, hopen en wanhopen doen wij allemaal met hart en ziel, met ziel en lichaam — die spirituele waarden moeten ergens (hoe ‘anders’ dan ook) een verlengstuk, een bekroning krijgen. Dat heet verrijzenis. De volledige mens moet erbij betrokken zijn. Het mensenlichaam, hoe sterfelijk en vergankelijk het ook moge zijn, is niet voor ondergang en verdoemenis geschapen: het is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.
Credo. Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam. Bij Jezus’ verrijzenis laat Lucas Hem om eten vragen, laat Johannes Hem tot Thomas zeggen: betast mijn wonden en steek uw hand in mijn zijde. Het is tweemaal een extra bevestiging van opstanding en verrijzenis als zijnde betrokken op de gehele mens, de gehele Jezus van Nazareth, met hart en ziel tot het leven opgewekt, met ziel en lichaam verrezen uit de doden.
Maar als de verrijzenis uit de doden voor Jezus’ tijd en tijdgenoten toch zo’n vertrouwd gedachtegoed was, waarom wordt dan door joden én vooral door wie zo’n heisa gemaakt over Jezus’ verrijzenis? Waarom wordt wat voor joden een normaal geloofsgegeven is, in het geval van Jezus zo ongewoon? Waarom wordt Jezus’ opstanding plots de kern en het hart van de christelijke geloofsverkondiging?
Want zo klinkt het oudste kerugma toch reeds als een uniek geloofsrefrein: ‘dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften’. Of zoals in Handelingen hoofdstuk 3: ‘Hem die gij door de hand van goddelozen aan het kruis hebt genageld, die Jezus heeft God doen verrijzen.’
Nogmaals: waarom wordt Jezus’ verrijzenis zo geaccentueerd en centraal gesteld als een nieuw en uniek gegeven, als toch volgens het joodse geloof zoals Jezus zelf het kent, elke dode verrijst? Nogmaals: met ziel en lichaam verrijst?
DE C-CYCLUS 1J \J kl n. IA 1, a a. a
En zijn antwoord aan de Sadduceeën, vers 3 5 van onze tekst van vandaag, heeft Jezus het over ‘hen die waardig gekeurd zijn deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden’. Dat werpt toch wel een nieuw licht op de problematiek. Want hier staat dat — nogmaals volgens het joodse geloof zoals Jezus het kent — niet alle doden verrijzen, maar enkel zij die daartoe waardig bevonden worden; de rechtvaardigen noemt de Schrift hen.
Hier ligt het antwoord op de vraag naar de unieke betekenis van Christus’ verrijzenis.
Een dode die verrijst is een rechtvaardige. Jezus echter werd gekruisigd om te bewijzen dat Hij géén profeet, géén gezalfde Gods, géén rechtvaardige was. ‘Kom van uw kruis af,’ zeiden de omstanders, ‘dan zullen wij zien en geloven.’ Maar Jezus kwam niet van het kruis af. Hij stierf de dood van rechtelozen, van onrechtvaardigen, van zondaars.
Doordat God zijn dienaar Jezus uit de doden heeft opgewekt, zegt de Schrift, heeft Hij Hein gerechtvaardigd, heeft Hij Hem tot Heer en Christus gemaakt, Hem verheven aan zijn rechterhand. Meteen is geloven in de verrijzenis van Jezus geloven in een God die de mens, die ook de zondige mens aanvaardt, zoals Hij Jezus de Rechtvaardige geplaatst heeft aan zijn rechterhand.
Jezus’ dood is geen zinloos einde; Jezus’ verrijzenis is verlossing. Jezus’ opstanding is Gods bekrachtiging van zijn Blijde Boodschap van vergeving en verzoening, van gegevenheid en dienstbaarheid. In dezelfde context immers wordt gesteld en begrepen dat als de graankorrel in de aarde valt en sterft, hij rijke vrucht voortbrengt; en dat wie zijn leven verliest, het winnen zal.
Hier ligt dan ook uiteindelijk de parallel tussen evangelie en eerste lezing: de link tussen dit evangelie van verrijzenisgeloof en het oude verhaal over de zinloze moord op zeven jonge broers, een verhaal dat ook nu nog in de kranten staat en even zinloos blijft en dat toch gelovig kan worden bekeken in het licht van Jezus’ verrijzenis.d

Drieëndertigste zondag door het jaar C — Lc 2 1,5-18
Aan het einde van het kerkelijk jaar wordt het evangelie steeds gekozen uit de laatste hoofdstukken van Matteiis, Marcus of Lucas, de hoofdstukken namelijk die onmiddellijk voorafgaan aan het lijdensverhaal. Oog in oog met zijn nabije levenseinde neemt Jezus afscheid van zijn vrienden en spiegelt hun in apocalyptische stijl het einde van de tijden voor.
Aan het begin van het nieuwe kerkelijk jaar, op de eerste zondag van de advent, kiest de kerk haar evangelie uit diezelfde afscheidswoorden van de Heer bij de synoptici. Zo wordt de kring gesloten, de liturgische jaarkring. God staat aan het begin en Hij komt aan het einde, zo zingen wij.
Maar de toon klinkt in beide gevallen wel verschillend. Bij het begin van de advent lijkt het geschetste toekomstbeeld positiever en hoopgevender; Gods over alles triomferende Majesteit staat dan immers centraal.
Op deze zondag is de klank veeleer onheilspellend, want de menselijke neergang en mislukking staan centraal. En de Lucastekst van vandaag klinkt bijzonder dreigend, al wordt deze dreigende ondertoon duidelijk overstemd door een rustige boventoon van gelovige zekerheid: geen paniek ondanks de chaos, luidt de boodschap, de terecht z(5 genoemde `Blijde’ Boodschap. Getuigenis en standvastigheid, daar komt het opaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.
Het is opvallend hoe de evangelist Lucas aan het einde van de eerste eeuw zo’n nuchtere en realistische analyse maakt van mens en mensheid, een die nog steeds geldig is voor ons, christenen, aan het begin van deze eenentwintigste eeuw.
De tempel, de prachtige tempel van Jeruzalem staat als het tijdloze symbool van alle menselijk kunnen en alle menselijke macht. Wij denken dan aan de wolkenkrabber- en computermensheid van onze dagen.
Loop er niet in, zegt Jezus. Geen steen zal op de andere blijven. Naar Babel én Hiroshima gaan onze gedachten dan uit, maar ook naar het tot voor kort onkwetsbaar gewaande New York, waar een blijkbaar niet te stuiten terrorisme genadeloos toesloeg (op i i september 2001).
De valse profeten van toen staan symbool voor de menselijke overmoed en zelfoverschatting van alle tijden, ook van onze tijd.
DE C-CYCLUS DOOR HET JAAK
Loop er niet in, zegt Jezus. Loop hen niet achterna: de roepers en vleiers, de consumptie- en reclamemensen van vandaag. Aan massabeïnvloeding door de massamedia denken wij clan; aan oogverblinding en oorverdoving van wat zich dan nog aandient als de cultuur van de vrijheid.
Ook de oorlogen, de hongersnood, de aardbevingen, in dit stukje evangelie vernoemd, maken het tot volle actualiteit en realiteit: chaos op wereldschaal die op den duur alle leven dreigt te vernietigen.
Maar ook daar mag je niet in lopen, zegt Jezus. Trap niet in de val van het droom-denken van de menselijke almacht, maar evenmin in de val van het doem-denken van de menselijke onmacht en machteloosheid.
Want voorbij aan de verste grenzen van de kosmos die het menselijk vernuft meent te hebben bereikt — qua kunde én qua onkunde — is er de God van leven en liefde, onze troost en onze hoop.
En daarnaast, naast die geweldige grenzeloze en toch zo bedreigende macrokosmos is er ook nog je eigen kleine wereld, je eigen bestaan — ook dat is eeuwige, hedendaagse, alledaagse, evangelische realiteit. Precies het goede en het beste in de mens staan bloot aan de dreiging van foltering en vervolging, van miskenning en vernietiging, nog wel door wie of wat het meest nabij is of lijkt te zijn.
En nog maar eens herhaalt Jezus: loop er niet in. In het diepste van je hart, voorbij aan de bodem van je eindigheid en nietigheid, met enkel nog de hoop als bondgenoot vind je diezelfde God en Vader van leven en liefde.
De valse profeten van de macro- en microkosmische almacht kennen enkel zichzelf als de afgod waarop zij steunen. De doemdenkers van de macro- en microkosmische menselijke ondergang anderzijds belijden aan de buiten- en binnenkant enkel goddeloosheid: zelfs in zichzelf geloven ze niet.
Daartegenover staat de Heer Jezus die oog in oog met zijn eigen levenseinde zijn onaantastbare geloof belijdt in de levende God.
Oog in oog met zijn levenseinde, in consequente trouw aan zijn levensroeping, ook Hij geconfronteerd met de uitdaging van de bekoring (`Maak van deze stenen brood’) en evenzeer met de benauwdheid van de totale mislukking, belijdt Jezus zijn overgave in hoop en vertrouwen aan zijn Vader. En ons, zijn leerlingen, roept Hij op tot dezelfde belijdenis, tot dezelfde hoop: wie standvastig is, zal zijn leven winnen.
Straks, bij het begin van de nieuwe advent is, zoals hij ieder nieuw begin, hoop op wat de toekomst brengen zal, een menselijke vanzelfsprekendheid. Oog in oog- echter met het einde van iets is hopen veel minder vanzelfsprekend, maar meteen kan het ook veel echter en zuiverder zijn. De laatste zondagen van het kerkelijk jaar zijn zondagen van de christelijke hoop.
Hoop is niet synoniem van natuurlijk optimisme. Het zal wel gaan, zeggen de mensen, het kan niet stuk, wij kunnen het wel aan. Dat is een prijzenswaardige en niet te versmaden karaktertrek die mensen kunnen vertonen: je mag blij zijn als je van nature een zonnig temperament hebt. Maar daarom is het nog geen verdienste of deugd, geen christelijke hoop. Vlak voor je levenseinde bijvoorbeeld is er niets meer dat nog wel zal gaan of dat wij nog wel aankunnen, tenzij die ongerepte, standvastige, naakte hoop van het evangelie.
God staat aan het begin en Hij komt aan het einde. Hoop staat aan het begin en hoop komt aan het einde. De laatste zondagen van het liturgisch jaar zijn, zoals de laatste levensdagen van een mensenleven, bij uitstek dagen van de christelijke hoop.
In de tweede brief aan de christenen van Tessalonica, waaruit tijdens deze laatste zondagen het epistel gekozen is, komt het thema van de hoop rijkelijk aan bod.
Vorige week lazen wij:
`Moge God onze Vader, die ons zijn liefde heeft betoond en die ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop heeft geschonken, uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds, in woord en daad.’
Daarop aansluitend, vandaag, schrijft Paulus ons het recept voor van de christelijke hoop. Het is helemaal niets speciaals of bijzonders; het is de gewone taak, het gewone werk van elke dag.
Niet, zegt Paulus, zoals er daar in ons midden zijn die zich overal mee bemoeien en zich intussen geen enkele moeite getroosten om ook maar iets te doen.
Maar wel, zegt Paulus: de plicht, het werk, de opdracht, de taak van elke eendere dag. Daarop steunt alle toekomst, alle verwachting, alle hoop: daadkrachtiger dan alle doemdenken, vruchtbaarder dan alle valse dromen en onheilsprofetieën, sterker dan het einde van de tijden. Net zo sterk als de liefde, dat is: sterker clan de dood.
DE C-CYCLUS

Vierendertigste zondag door het jaar C — Lc 23,35-43 Christus-Koning
Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar vieren wij het feest van Jezus Christus, Koning van het heelal. Zo heet officieel wat wij gewoonlijk iets minder plechtig noemen: het feest van Christus-Koning.
Maar vooral die plechtige officiële titel suggereert dat het gaat over iets als de indrukwekkende en alomvattende slotapotheose van het meest
dramatische spel der spelen dat de liturgie is; als het eindbeeld en de eindgeneriek van de liturgische verfilming van ‘Gods droom over mens en wereld’, met in de hoofdrol Jezus Christus, al dan niet ‘superstar’.
Laat dit een wat oneerbiedig klinkende verwijzing zijn naar een succesmusical van een aantal jaren geleden, de gebruikte termen eindbeeld en eindgeneriek zijn zeker niet misplaatst en zinloos.
Het stilgelegde eindbeeld dat wij blijven bekijken, is: Jezus Christus — gekruisigd.
De eindgeneriek die eroverheen vloeit, is de hymnische Paulustekt: `Hij is het beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping.’
Jezus Christus — gekruisigd!
`Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.’
Jezus Christus — gekruisigd!
`Hij is de oorsprong, de eerste die uit de dood is opgestaan om in alles de hoogste te zijn, Hij alleen.’
Jezus Christus — gekruisigd!
Je kunt hierbij ook denken aan een diamontage, zoals dat nogal eens gebeurt, met twee projectoren die afwisselend foto’s op hetzelfde scherm in elkaar laten overvloeien. Terwijl het ene beeld verdwijnt, is het andere reeds verschenen. Maar op het slotmoment blijven ze beide staan en vormen als het ware één enkele nieuwe beeldcompositie.
Van rechts, vanuit het evangelie van Lucas: de Calvarieberg — met het volk en de Joodse leiders en de soldaten en het opschrift boven de Gekruisigde en aan weerszijden nog een kruis met een tweede en een derde veroordeelde misdadiger.
Van links, vanuit de Kolossenzenbrief van Paulus: een visioen, een imponerend, verblindend beeld, een icoon van ‘Hem in wie God heeft willen wonen in zijn volheid, Jezus Christus, de geliefde Zoon: Hij alleen’, zo zegt Paulus.
Gods glans, Gods heerlijkheid straalt op zijn aangezicht. Was de eerste mens al geschapen naar Gods beeld, nu is de gelijkenis totaal.
Maar Hij, de Koning van het heelal, de Verheerlijkte, de Verrezene, Hij is en blijft de Gekruisigde — tussen twee boosdoeners — te midden van de soldaten en de Joodse leiders van het volk.
Nooit zal het ene beeld het andere bedekken of verbergen. De paradox is en blijft er. Op het feest van Jezus Christus, Koning van het heelal, horen tezamen en onlosmakelijk van elkaar: verrijzenishymne én lijdensverhaal.
De vraag is dan: waar sta ik, waar staan wij op dit dubbele beeld? Waar staan wij om onze hulde te brengen aan deze Jezus Christus, Koning van het heelal?
Op de icoon van de Kolossenzenbrief komen wij klaarblijkelijk niet voor. Tot tweemaal toe herhaalt Paulus dat het gaat over Jezus, ‘Hem alleen’. Maar wij horen er volgens dezelfde Paulus wel bij, ‘want God heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon’.
Op het tafereel dat Lucas heeft geschilderd, daar staan wij in elk geval wel ergens. Maar de vraag blijft: waar?
Staan wij tussen het zwijgende volk, op een afstand — afstandelijk — toe te zien, ontgoocheld over de mislukking? Wij die hadden gedacht dat Hij het was die ons verlossen zou, ons brood zou geven, ons zou genezen van al onze kwalen. En nu hangt daar een gekruisigde, machteloze man: al onze hoop is aan stukken geslagen. Hoe zou die Jezus kunnen zijn: de Eerstgeborene van de schepping?
Of staan wij tussen de spottende leiders van het volk? ‘Anderen heeft Hij gered!’ Maar dat is het nu juist wat voor hen (voor ons) onbegrijpelijk en onvergeeflijk is. Armen en zieken en zondaars, die heeft Hij geholpen, maar zelf is Hij machteloos aan het kruis geslagen. God kan dan toch niet met Hem zijn…
1
Staan wij tussen de honende soldaten van Pilatus? Wij lezen het opschrift, spottend, met luide stem: ‘Koning van de Joden.’ Het doet ons minachtend reageren: hoe kan iemand koning zijn die zijn macht enkel voor anderen, niet voor zichzelf gebruikt? Red jezelf, koning…
Red jezelf en red ons, snauwt een van de boosdoeners Hem toe, snauwen tallozen ter wereld een gekruisigde God toe.
Of staan wij ergens in de schaduw van de derde gekruisigde? En ervaren wij, zoals hij, die eerste uitverkorene, iets van het ware Koningschap en Koninkrijk?
Van twee wegen die beide leiden naar het kruis, de ene zichzelf zoekend, de andere zichzelf verliezend — ervaren wij de eerste, de onze, als een weg ten dode; ervaren wij de tweede, de zijne, als de weg ten leven.
Daar wordt ons dan ook de genade geschonken om het allereerste woord van koninklijke hulde te vinden en uit te spreken dat aan alle andere woorden voorafgaat: Jezus, denk aan mij. Kyrie eleison: Heer, ontferm u over mij.
Dan ervaren en geloven wij ook zijn antwoord, ons gegeven: ‘Vandaag nog zult gij met Mij zijn.’ Alle dagen zal Ik bij u zijn.
Dan zullen wij het stralende aangezicht van de Paulusicoon in zijn volle helderheid zien. Het zal al onze vragen en angsten, onze menselijke kleinheid en onmacht niet bedekken en verbergen, zoals het evenmin de Gekruisigde bedekken of verbergen zal.
Maar het zal ons hart, ondanks alles wat het bedrukt en beklemt, vervullen met vrede en vreugde. Het zal onze hulde doen uitgroeien van een Kyrie eleison tot een loflied van vrede en vreugde — uw Koninkrijk komt tot een engagement van dankzegging en gegevenheid; waar mensen blij zijn om uw genade, waar mensen goed zijn voor elkaar. Uw Koninkrijk komt. De Heer zal met ons zijn: alle dagen tot aan de voleinding der wereld.

Feesten
Allerheiligen — Mt 5,1-8
Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde. Zo beginnen de twaalf artikelen van het geloof. Wie onze geloofsbelijdenis reciteert, is zich bewust van de historische dimensie ervan en tegelijk van het verband met het verloop van het kerkelijk jaar: schepping, menswording, verlossing (kruis, verrijzenis, hemelvaart), de gave van de Heilige Geest, het leven van de kerk. De eindsequens verbinden wij dan vooral met de eindperiode van het liturgisch jaar, in het bijzonder de novemberfeesten, het hoogfeest van vandaag, Allerheiligen: Ik geloof in de gemeenschap van de heiligen, de vergiffenis van de zonden, de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.
Ik geloof. Maar wat is dat, geloven? Paulus stelt deze vraag even letterlijk als ze hier staat. En het antwoord dat hij geeft is kort en laconiek. Zo begint het elfde hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën.
`En wat is het geloof? Het geloof is de vaste grond van wat wij hopen. Het overtuigt ons van de werkelijkheid van de onzichtbare dingen. Om hun geloof zijn de ouden met ere vermeld.’
In de prachtige en poëtische tekst die hierop aansluit, vermeldt Paulus die ouden, onze vaderen, onze voorgangers in het geloof, zoals ze elkaar opvolgen in het grote verhaal van Genesis, te beginnen met aartsvader Abraham, de eerste aller heiligen, het prototype van de gelovige.
`Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God. Hij ging op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen. Hij vertrok zonder te weten waarheen.’
rt,I,.iI c,,
`Door het geloof heeft hij als vreemdeling vertoefd in het land dat hein beloofd was. Evenals Isaik en Jakob, de erfgenamen van dezelfde belofte, woonde hij er in tenten; want hij zag uit naar de stad met fundamenten waarvan God de ontwerper en bouwer was.’
`Door het geloof heeft Sara, ofschoon haar tijd allang voorbij was, de kracht tot vruchtbaarheid ontvangen, want zij wist dat Hij die de belofte had gedaan, zijn woord zou houden. Daarom is dan ook aan één man, en nog wel in zijn hoge ouderdom, een nageslacht ontsproten, talrijk als de sterren aan de hemel, ontelbaar als de zandkorrels aan het strand van de zee.’
`In het geloof zijn zij allen gestorven, zonder te hebben ontvangen wat hun beloofd was. Zij hebben het heil alleen uit de verte gezien en begroet. Zij hebben zichzelf vreemdelingen en passanten op aarde genoemd. Zo gaven ze duidelijk te kennen dat zij op zoek waren naar een vaderland. Hadden zij heimwee gehad naar het land van hun herkomst, dan hadden zij gemakkelijk kunnen terugkeren. Maar hun verlangen ging uit naar een beter vaderland, het hemelse. Daarom schaamt God zich niet hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd.’
Geloven. Geloven is verder zien dan enkel wat de ogen zien. Geloven is onzichtbare dingen zien, niet terugblikken naar het land van herkomst, zich niet blindstaren op het land van doortocht, wel uitzien en blijven uitzien naar het land van belofte. Ons vaderland is de hemel, zegt Paulus. Geloven is zich toevertrouwen aan dit visioen.
Maar de wereld van het ongeloof neemt Abraham en zijn nageslacht, neemt ons dit geloven kwalijk. Het is een vlucht uit de realiteit, zo wordt gezegd: een vlucht voor de aardse werkelijkheid van het leven en voor de daaraan verbonden verantwoordelijkheid van mensen.
Je zou dus hierbeneden niets hoeven te doen?… Je moet hier dus niets trachten op te bouwen of te realiseren, aangezien er toch niets van blijvende waarde is?… Dat is toch wel wat al te gemakkelijk gedacht. Zo ‘speculeren’ op leven na de dood is toch het leven vóór de dood niet serieus nemen.
Kan het wereldvreemder en onrealistischer dan wel: geloven in de gemeenschap van de heiligen, de vergiffenis van de zonden, de verrijzenis van het lichaam, het eeuwig leven?
Heb je weleens opgemerkt dat er bij de twaalf artikelen van het geloof geen enkele bij is dat zegt: ik geloof in de hemel, zonder meer? En zeker niet: ik geloof in de hemel, niet in de aarde. Integendeel, het allereerste artikel als een grote titel boven het geheel luidt: ‘Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel én aarde.’
Hemel én aarde, daar gaat het over. Geloven is een kwestie van hemel én aarde, niet het ene óf het andere, niet het ene zonder het andere: niet de hemel alleen, de aarde alleen; maar de hemel en de aarde.
Geloven in leven over de dood heen, durven te kijken naar de hemel, durven te leven van het visioen, dat is helemaal geen miskenning van de aarde, van de schepping: van het licht en het duister; van de dag en de nacht; van het land en de zee; van de grond en van het groen; van de vogels en de vissen en de dieren; van de mens, geest en lichaam; van je ogen en je oren, je handen en voeten, je hart en je verstand; van de andere die is als jezelf, je naaste, je medemens.
Schepping en menswording, verlossing en wederkomst: alles heeft te maken met heide, de hemel en de aarde. En zo ook moeten wij heel in het bijzonder de laatste vier geloofsartikelen verstaan: in hun betrokkenheid op de hemel en op deze goede aarde.
Ik geloof in de gemeenschap van de heiligen.
Het gaat niet enkel over hen die ons zijn voorgegaan. Het gaat tegelijk over onszelf, hier en nu. Het gaat over onze onderlinge verbondenheid: met hen en met elkaar. Geloven in de gemeenschap van de heiligen is: ervan overtuigd zijn dat er een hemel bestaat — wat dat ook zijn moge en dat die hemel alles te betekenen heeft voor het mensenleven voorbij de dood; maar ook dat hij alles te maken heeft met het leven hier en nu. Geloven in de gemeenschap van de heiligen betekent evenzeer: dat wij op deze aarde onze verantwoordelijkheid opnemen voor deze aarde. Wij kunnen niet alles, wij hebben geen antwoord op elke vraag, geen oplossing voor elk probleem. Maar wij kunnen niet niets, wij kunnen heel veel. Het behoort tot onze taak en ons privilege deze aarde te bewonen en vrucht-
DE C-CYCLUS -14

baar en leefbaar te maken voor onszelf en allen die onze medemensen zijn, in de gemeenschap van de heiligen.
Ik geloof in de vergiffenis van de zonden.
Wij vertrouwen ons toe aan het mysterie van de barmhartigheid. Dat betekent niet alleen dat wij in de hemel komen, omdat de goede God in zijn erbarmen ons al onze zonden heeft vergeven. Dat betekent evenzeer, op aarde als in de hemel, dat wij barmhartig en vergevingsgezind in het leven staan, hopend op elkaars barmhartigheid. Geloven in de vergiffenis van de zonden is: geloven in verzoening hier en nu. En dat is niet de vergoelijking van alle kwaad en de straffeloosheid voor alle onrecht. Maar evenmin dat wij ons hart en onze samenleving laten leiden door wrok en wraak en vergelding.
Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam.
Dat wil niet zeggen: je levende lichaam van nu is het laatste criterium, je enige idool, de enige norm van geluk of mislukking; evenmin wil het zeggen dat je het niet met grote aandacht en zorg moet omgeven en verzorgen. Vanwege ons geloof in de verrijzenis van het lichaam verplegen wij onze zieken; koesteren wij onze kinderen; gaat onze grote zorg uit naar wie zwak en behoeftig zijn. Vanwege dat geloof gaan wij vol eerbied en tederheid met elkaar om in de diepste relatie die onder mensen mogelijk is en die mensen met elkaar verenigt.
Ik geloof in het eeuwig leven.
Eeuwigheid is niet iets dat pas begint voorbij dit leven in een heel vage verre toekomst en dat dan voor altijd blijft voortbestaan. Eeuwigheid is iets dat nu al voorgoed begonnen is. Eeuwigheid is begonnen in den beginne, toen God hemel en aarde schiep. Vandaag is een dag van Gods eeuwigheid; en daarom is vandaag, is hier en nu van eeuwigheidswaarde. Deze dag, in al zijn eendere alledaagsheid, is dé dag uit de duizend. Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en gegeven. Eeuwigheid bevindt zich niet enkel in een ‘ander’ leven, maar ook in dit leven ons geschonken dat onverwoestbaar is, ook al is het nog zo vergankelijk. Ik geloof in het eeuwig leven. Ik geloof in het verleden, in vandaag, in de toekomst. Ik geloof dat niets verloren zal gaan van wat in liefde geboren is.

Opdracht in de tempel — Lichtmis — Lc 2,22-40
Lichtmis is het oudste van alle Mariafeesten, gevierd op 2 februari. Beter gezegd: het oudste Christusfeest met een uitgesproken mariaal accent. Maar hoe mooi en betekenisvol ook, dit blijft een nevenaccent. De sterkste klemtoon van het feest ligt bij het eerste bezoek van Jezus aan de tempel van Jeruzalem, hetgeen wordt begrepen en geduid als de vervulling van de oude Messiaanse profetie van Malcachi: Hij die komt in de naam des Heren, zal bij zijn komst aanstonds zijn heiligdom binnentreden.
Ondertussen echter is het vrome christendom toch maar — iets te veel en tot in de naamgeving toe — de aandacht blijven toespitsen op de kerkgang van de moeder, de veertigste dag na de geboorte. Lucas zegt: zoals voorgeschreven door de wet van Mozes.
Misschien is Lucas zelf mee de aanleiding geweest tot deze dubbelzinnigheid. Blijkbaar verwart hij trouwens zelf ook sommige wetten van Mozes met elkaar. Het eerste vers van deze perikoop verwijst naar de reinigingsritus, zoals omschreven in het boek Leviticus. Maar daar reeds gaat Lucas in de fout. In Leviticus heeft de ritus enkel met de moeder te maken, niet met het kind dat helemaal niet gereinigd hoeft te worden, zoals hij schrijft: ‘Toen de tijd aanbrak waarop Maria én haar kind volgens de wet van Mozes gereinigd moesten worden…’
In het volgende evangelievers gaat het over een ander wetsvoorschrift uit het andere oude boek Exodus dat wél het kind betreft: de eerstgeboren zoon die aan Jahwe de Heer moest worden toegewijd. Het offeren van het koppel tortelduiven is dan weer afkomstig uit Leviticus.
Ofwel is het Lucas die de teksten door elkaar gooit, ofwel waren ze in Jezus’ tijd, zoals wel meer gebeurt, routinematig tot één ritus samengesmolten. Dan rijst er een ander probleem, als je de tekst van Exodus van dichterbij bekijkt.
`Jahwe sprak tot Mozes: wijd Mij alle mannelijke eerstgeborenen toe, want zij behoren Mij toe.’ Mozes legt dit als volgt uit aan het volk: ‘Omdat Jahwe u met krachtige hand uit Egypte heeft weggeleid en daartoe alle eerstgeborenen van de Egyptenaren heeft gedood, daarom moet gij al het mannelijke dat de moederschoot opent, aan Jahwe offeren en elke eerstgeboren zoon vrijkopen.’

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x