Jaar C, DHJ 23

Drieëntwintigste zondag door het jaar C – Lucas 14,25-33

Ik meen dat er niet veel liturgievierders zijn die zich herinneren wat er vorige week, laat staan veertien dagen geleden in het evangeliefragment stond. Dat is nog enigszins denkbaar als het over een bekende parabel gaat of over een mirakelverhaal. Maar Jezus’ woorden, zijn onderricht, zijn toespraken, op enkele korte spreuken na, die blijven wij ons niet zo herinneren. Dat is ook niet per se nodig. Dezelfde themata komen regelmatig opnieuw aan bod in verscheidene varianten en met verschillende accenten.

Over leerling-zijn leerling-zijn bijvoorbeeld gaat het geregeld. In hoofdstuk 9, net bij het begin van zijn grote reis naar Jeruzalem, zegt Jezus aan wie het maar horen wil: `Wie mijn volgeling wil zijn (dat wil zeggen: wie mijn leerling wil zijn), moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen.’ Vandaag zijn wij vijf hoofdstukken verder en horen de Heer zeggen: ‘Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn.’ Dat lijkt toch duidelijk een bijna letterlijke herhaling.

Leerlingen van Jezus zijn net hetzelfde als leerlingen altijd en overal: goedleers, hardleers. Zij hebben het nodig dat de belangrijke en zeker de moeilijke zaken herhaald worden, niet één keer maar vele keren. Welnu, dit is een moeilijke zaak. Het leerling-zijn op zich is een moeilijke zaak: zichzelf verloochenen en zijn kruis dragen.

Leerling zijn van Jezus is zeer veeleisend. Aan het slot van dit fragment staat: Je moet je losmaken van alles wat je bezit.’ In het begin wordt het nog sterker uitgedrukt: je vader en moeder haten, je vrouw en
kinderen, je broers en zussen, ja zelfs je eigen leven – haten!

Dat is natuurlijk zwart-wittaal van de oude Bijbel; wij mogen dat niet letterlijk verstaan. Jezus gaat echt niet in tegen de oude decaloog: ‘Eer uw vader en uw moeder, dan zult gij lang leven op de grond die Jahwe u schenkt.’

Jezus’ forse taal betekent – en dat is al moeilijk genoeg – dat je absolute voorrang moet geven aan het leerling-zijn, aan Hem persoonlijk, de Leraar en Meester, wat ook je andere belangen en zorgen zijn. Nu hoeft dat niet per se met elkaar te botsen. In de regel zal het je veeleer tot inspiratie dienen voor de dienstbaarheid en gegevenheid in je relatie met wie je dierbaar zijn en met wie je een diepe band hebt. Maar somtijds kan het ons voor moeilijke keuzes stellen.

Slechts enkele bladzijden terug, veertien dagen geleden gelezen, vertelde Lucas dat iemand van Jezus’ toehoorders zich afvroeg of dit levensprogramma wel haalbaar was: het zullen er zeker wel weinig zijn die gered worden? Het zullen er zeker maar weinig zijn die dat tot een goed einde brengen?

Jezus ging daar toen op in met te onderstrepen dat het inderdaad een moeilijke opgave was die heel veel inspanning en attentie vergde. Maar daar zomaar uit opmaken dat er maar weinig zouden slagen, dat was aan Hem niet besteed. ‘Zij zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden en zij zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.’

Blijkbaar heeft dat de mensen aangemoedigd, want vandaag begint de tekst met Lucas’ vaststelling dat talloze mensen met Jezus meetrokken. Dat moet de Heer toch plezier gedaan hebben, dat zo massaal een positief gevolg gegeven werd aan zijn oproep om zijn leerlingen te worden, om hun roeping te volgen: Hém te volgen.

Misschien juist daarom vindt Hij het moment gekomen om hen nog maar eens te confronteren met de ernst van de zaak. Zijn jullie zich dat wel goed bewust? Hebben jullie daar ten minste goed over nagedacht? Het spreekwoord zegt: bezin eer je begint! Ieder normaal en weldenkend mens doet dat, een torenhouwer of een legeraanvoerder bijvoorbeeld, voordat hij aan zijn onderneming begint. En als hij tot de conclusie komt dat het zijn krachten te boven gaat, dan doet hij het niet: dan bouwt hij geen toren en voert hij geen oorlog.

Het gaat uiteraard niet om torens bouwen of ten strijde trekken. En de oproep om Hem te volgen is toch van Jezus zelf uitgegaan. Toch is het nodig en goed dat wij ons afvragen of wij het aankunnen, of wij er alles voor overhebben. Zijn wij zo zeker van onszelf?

Als de vraag zo gesteld wordt, zou je op zijn minst ertoe geneigd zijn te concluderen dat het over een zogoed als onmogelijke taak gaat, dat niemand die aankan, dat ze ieders krachten te boven gaat.

Het lijkt erop dat Jezus de tallozen die met Hem meetrekken, wil ontmoedigen, hun dit avontuur wil ontraden: eerst met zijn eisen over het leerling-zijn nog eens in alle scherpte te stellen en daarna met zijn dubbele miniparabel. Deze kun je toch op zijn minst verstaan als Jezus’ mening, dat het toch moeilijk te aanvaarden is dat al die vele volgelingen zich inderdaad zouden hebben bezonnen en dan ook nog tot de slotbevinding gekomen zijn van: jawel, ik kan dat!

Jezus lijkt het erop aan te leggen duidelijk te maken dat leerling-zijn zo moeilijk is, zo veeleisend dat het niet voor gewone stervelingen is weggelegd. Voor wie dan wel eigenlijk?

Laten we dus even ingaan op Jezus’ oproep tot bezinning. Kunnen wij het aan? Zijn wij ertoe in staat onze levenstoren te bouwen: hebben wij daarvoor wel materiaal en kapitaal genoeg? Zijn wij ertoe in staat onze levensstrijd te strijden: zijn wij daar manhaftig en slagkrachtig genoeg voor? Kunnen wij het leven aan?

Aan de basis van ons christendom, zoals van elk godsgeloof, ligt de diepe overtuiging dat het leven ons in handen gegeven is als de gave Gods bij uitstek. Leerling zijn van Jezus is in de eerste plaats omgaan met het leven als een geschenk van de Vader. Ingaan op je roeping is ingaan op de uitnodiging om dit geschenk dankbaar te aanvaarden, zoals het is: zoals het door God geschapen en gewild is. Dat betekent meteen dat deze levensgave een opgave inhoudt, een levenstaak. Die kan onmogelijk zwaar lijken: alles loslaten, je leven op het spel zetten. Dan past echter de bedenking dat wij, de aard van de Schepper indachtig, niet overvraagd worden, maar dat de middelen en de mogelijkheden, de genade om te doen wat ons te doen staat, inclusief behoren tot het geschenk zelf.

In die zin mogen en durven wij – schroomvol, bijna ondanks onszelf – concluderen: ja, Heer, wij trekken verder met U mee. Ja, wij bouwen de toren, want er is materiaal en kapitaal genoeg: daar hebt Gijzelf voor gezorgd. Ja, wij durven de strijd aan, want dankzij U zijn wij mans genoeg.

Het fundament waarop wij bouwen, de vaste grond onder onze voeten is niet onze zelfverzekerdheid, maar ons vertrouwen in het leven, ons vertrouwen in God. Wees waakzaam, zegt de Heer, niet roekeloos en onbedacht. Tegelijkertijd zegt Hij steeds: wees niet bevreesd.
Een grote troost is het voor ons te weten dat het gaat over leerling-zijn en dat wij dit mogen begrijpen in de volle betekenis van dat woord: mensen die te leren hebben, te groeien, te vorderen, vooruit te gaan, wetend dat het eindpunt nog niet bereikt is en slechts bereikt zal en moet worden aan de allerlaatste streep. Leerlingen hebben recht op hun fouten en vergissingen, zegt de opvoeder. Wij leren met vallen en opstaan. Maar ‘onmogelijk’ is een woord dat niet in het vocabularium van de leerling, van de goede leerling voorkomt. Die zegt niet dat hij iets niet kan; wel dat hij iets nóg niet kan, nog niet goed kan, nog niet helemaal aankan.

Daarbij gaat het hier niet over dát schoolse leren dat enkel maar een examen en een diploma beoogt, maar over het levenslang leren van waarden en waarheden, op een dusdanige manier dat je er stilaan maar zeker helemaal van doordrongen raakt.

Het evangelie van het leerling zijn is geen evangelie van ontmoediging, maar een van waakzaamheid en bedachtzaamheid, een van vertrouwen en van zich toevertrouwen aan de genade.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x