Jaar C, DHJ 21

Eenentwintigste zondag door het jaar C — Lucas 13,22-30

Aan het begin van dit evangeliefragment herinnert Lucas zijn lezers, die de draad verloren zouden hebben, eraan, dat Jezus bezig is aan zijn grote reis naar Jeruzalem. In de steden en dorpen waar Hij doorheen trekt, gaat Hij onverdroten verder met de verkondiging van zijn Blijde Boodschap.

Iemand meldt zich bij Hem met een pertinente en toch eigenaardig aandoende vraag: ‘Heer, zijn het er weinig die gered worden?’

Dat woordje ‘weinig’ komt vreemd over. In de courante omgangstaal gebruiken wij bij een dergelijke vraagstelling niet het woordje ‘weinig’, maar eerder ‘veel’, of ten minste beide met elkaar gecombineerd. Zijn het er veel of weinig die een ongeval hebben gehad bij dat slechte weer? Zijn het er veel of weinig die gezakt zijn voor hun examen? Of in de toekomstige tijd van het evangelie: zijn het er veel of weinig, die zullen slagen voor hun examen?

De evangelische vraagsteller moet wel een reden hebben gehad om te vragen of het er weinig zijn. In feite klinkt zijn vraag zo goed als: het zullen er zeker wel slechts weinig zijn die gered worden. Vanwaar komt dat pessimisme? Of is het realisme?

De gelovige Israëliet, ook in Jezus’ tijd, ging en gaat ervan uit dat al wie toe hoort tot het uitverkoren godsvolk, gered zou worden; in de termen van deze parabelachtige perikoop: zou binnengaan en aanzitten in het Koninkrijk Gods.

Jezus’ interpellant heeft diens onderricht voor ogen waarin de Heer toch wel ernstig van mening lijkt te verschillen met de joodse wetgeleerden en kerkleiders in zijn opvatting aangaande het Koninkrijk en zijn gerechtigheid.

Misschien heeft de man Jezus al een keer zijn bekende spreuk horen uitspreken: ‘Velen zijn geroepen, weinigen zijn uitverkoren.’

De vraag kan dan ook gaan betekenen: als het er weinig zijn, loont het dan wel de moeite om dat risico te lopen van U te volgen op uw weg naar Jeruzalem, met alles wat daarbij komt kijken wat zich verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis opnemen betreft?

Jezus lijkt de vraag niet gehoord te hebben. In ieder geval beantwoordt Hij ze niet direct. Maar in wat Hij aansluitend tot zijn toehoorders zegt, lijkt het er wel op dat Hij de vraagsteller gelijk geeft met zijn veronderstelling dat het er weinig zullen zijn.

De toegangsdeur is zo smal, zegt Jezus, dat velen er niet in zullen slagen binnen te komen, allicht omdat zij zich niet tot het uiterste hebben ingespannen. En daarzonder lukt het niet.

Maar dat is nog niet alles. Op een zeker moment, zegt Jezus, gaat de deur dicht en dan is het onherroepelijk te laat. Geen verdienstendossier, hoe lijvig of indrukwekkend ook, kan daar iets aan veranderen.

Het lijkt dus toch over een aartsmoeilijke opdracht te gaan die weinig ruimte laat voor voorwendsels of excuses. Dus? Zijn het er weinig die zullen slagen?

Als wij even teruggaan naar onze alternatieve vraag van daarstraks: `Zijn het er veel of weinig die zullen slagen voor hun examen?’, dan kent iedereen het antwoord van eisen en voorwaarden. Het zal heel wat inspanningen vergen, veel studie die resulteert in parate kennis. En kom niet aan bij de hoogleraar met het uitvlucht dat je het eergisteren nog zo goed wist en dat je trouwens vorig jaar ook voor zijn vak geslaagd was.

Maar ten eerste vindt niemand deze eisen en voorwaarden abnormaal of onredelijk. Ze zijn wat ze zijn, ze horen erbij. En ten tweede: daaruit afleiden dat er maar weinig zijn die zullen slagen, dat is toch een al te vlugge conclusie die getuigt van een vooringenomen idee over de ernst van onze studenten.

Hoeveel te meer dan als het over het leven gaat! Er worden geen onmogelijke dingen van ons gevraagd. We moeten het ernstig nemen tot en met. We moeten het doen op het moment dat het aan ons gegeven en van ons verwacht wordt: nu, niet gisteren, niet morgen. Maar wij mogen er toch redelijkerwijze van uitgaan dat er heel vele, talloze mensen dit beogen en nastreven en er ook in zullen slagen.

Ook Jezus is daarvan overtuigd wat het binnengaan in het Rijk betreft. Zij zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden. Dat zeg je niet, als het gaat over twee of drie uit elke windrichting; dat zegje, als je er heel wat volk mee bedoelt. Zij zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden en zij zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.

Dus uiteindelijk toch een antwoord op de initiële vraag. Het luidt: gemakkelijk of vanzelfsprekend zal het niet zijn; en automatisch wordt het je nooit verzekerd. Maar in elk geval loont het de moeite om eraan te beginnen en om het vol te houden. Goed begonnen is half gewonnen, zegt het spreekwoord. Je mag daar weliswaar niet van maken: is helemaal gewonnen. Dat is gevaarlijk zelfbedrog.

Toch garandeer Ik je, zegt Jezus, dat het er velen zullen zijn die zullen aanzitten in het Koninkrijk: Abraham en Isaak en Jakob en de profeten en tallozen na hen uit oost en west en noord en zuid, talloos als de zandkorrels aan het zeestrand. Uitgesloten bij voorbaat wordt niemand, geen jood, geen christen of wie dan ook. Maar nogmaals: evenmin geniet iemand van een feilloze vrijgeleide.

Naar onze tijd vertaald zou de vraag van ons evangelie kunnen luiden: het zijn er zeker maar weinig die in de hemel zullen komen? Wat is dat voor onzin, zeggen wij dan. Wie gaat er nu zoiets vragen of denken.

Ofwel geloof je in de hemel en dan ben je er meteen om zo te zeggen zeker van dat iedereen erin zal komen. Wat doe je anders met Gods eindeloze goedheid en barmhartigheid?

Ofwel geloof je helemaal niet in de hemel en dan heeft de vraag ook geen zin en stel je ze niet. Niet dat er voor deze mensen geen waarden of normen bestaan, maar die houden op aan de grenzen van het koninkrijk der aarde en beogen uiteraard nooit een entreekaart te zijn voor een Rijk Gods dat niet bestaat.

Ik ben ervan overtuigd dat – wat zij ook beweren – maar weinig mensen in de grond van hun hart toch niet met een zekere schroom en aarzeling met deze materie zullen omgaan. Ook christenen moeten er niet al te licht mee omspringen. Gods goedheid en erbarmen, wat zouden wij er zonder beginnen? Maar de mens is en blijft fundamenteel vrij het antwoord te kiezen dat hij uiteindelijk in zijn hart en metterdaad geven zal op Gods genadeaanbod, op de kansen die het leven biedt en de vragen die het leven stelt.

En is het niet gewoonweg onze plicht om de vraag ook te stellen in de eerste persoon enkelvoud: kom ik in de hemel? Maak ik een kans om erbij te zijn, als ik eraan begin? Als je er niet aan begint, maak je geen enkele kans. Als je eraan begint, moet je er ook mee doorgaan tot het uiterste zonder enige aanspraak te maken op verworven rechten, enkel maar omdat je eraan begonnen bent. Wees waakzaam, zegt de Heer. Maar stel tegelijk je volle vertrouwen in de genade. Wees niet bevreesd, zegt de Heer.

Mogen wij nog eenmaal terugkeren naar de alternatieve vraag over het slagen voor het examen? Het gebeurt regelmatig dat mensen, docenten, studenten onder elkaar zeggen: weet je het al, Jan of Nelleke, Piet of Truus – de namen doen er hier niet toe – die is geslaagd! Had je dat ooit gedacht? Dat is nu echt de laatste van wie je het verwacht had, maar hij of zij heeft het toch maar fijntjes klaargespeeld.

Denk eraan, zegt Jezus: ‘Er zijn laatsten die eersten en eersten die laatsten zullen zijn.’ Ook in deze slotspreuk van het evangelie van vandaag wordt niet gezegd dat er voor deze laatste laatsten geen kans op slagen is; wel dat goede dingen vaak uit een heel onverwachte hoek komen aanwaaien.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x