Jaar C, DHJ 22

Tweeëntwintigste zondag door het jaar C – Lucas 14,1.7-14

Al wie zich verheft, zal vernederd en wie zich vernedert, zal verheven worden.

Lucas vertelt graag maaltijdgebeurtenissen. Bij voorkeur laat hij Jezus aan het woord tijdens tafelgesprekken of tafelspeeches. Maatschappelijk gezien was de maaltijd toentertijd blijkbaar even belangrijk als nu bij ons. Rondom de tafel ontmoeten mensen elkaar en praten ze met elkaar, losweg of in volle ernst, hetzij bij het dagelijks eetmaal, hetzij bij het feest, hetzij bij het gemoedelijke onderonsje van societygenoten.

Maar Lucas zal wel een dieper liggende bedoeling hebben gehad dan enkel zo wat vrijblijvend lijkende beschouwingen over tafelmanieren en -protocol om wat hijzelf toch een gelijkenis noemt, een quasiparabel, in zijn evangelie op te nemen.

Dat wordt trouwens duidelijk bij de samenvattende spreuk aan het einde, die de zaken opengooit naar een levensbrede toepassing. Al wie zich verheft, zal vernederd en wie zich vernedert, zal verheven worden.

Elders in hetzelfde Lucasevangelie, hoofdstuk 18, treffen wij letterlijk dezelfde spreuk aan als samenvattende les van een andere, minstens even bekende parabel: die van de farizeeër en de tollenaar.

In het ene geval gaat het over menselijke verhoudingen onderling, in het andere over de verhouding van mensen tot God. Tweemaal is de conclusie dezelfde: al wie zich verheft, zal vernederd en wie zich vernedert, zal verheven worden.

Dat hoeft ons niet te verwonderen, want het gaat eigenlijk tweemaal over hetzelfde. Je gaat niet op een andere manier om met God dan met je medemens. De farizeeër zal van zijn hoge stoel gestoten worden, omdat hij zich ver boven zijn stand heeft verheven aan de tafel van God en de mensen. De tollenaar zal worden opgetild, omdat hij zich aan diezelfde tafel van Gods schepping op zijn eigen waarde, als nietige kleine zondaar, juist heeft ingeschat.

Meteen zijn wij bij de toepassing van de spreuk inderdaad over heel wat andere dingen bezig dan enkel maar over plaatsing aan de feesttafel. Het gaat dan over een menselijke grondhouding die heel je leven bepaalt en die wij nederigheid noemen.

Een mens past nederigheid tegenover zijn Schepper en zijn medemensen. Nederigheid is het kwaliteitslabel van de menselijke omgang. Nederigheid is een eminente humane waarde, een authentieke christelijke deugd die alle moeite loont om ze te beoefenen en na te streven.

Maar nederigheid nastreven, kan dat? Is dat geen contradictio in terminis? Vanaf het moment dat je het bewust beoogt, ben je toch reeds bezig met jezelf te zoeken? De evangeliespreuk vertaald als: zich vernederen met als doel verheven te worden…

Mensen zijn niet zo vlug toe aan valse schijn en gehuichelde pose. Niets is zo hatelijk als een geforceerd schuilgaan achter het masker van de eenvoud, terwijl datzelfde `goede-voorbeeld-voor-de-gemeenschap’ inwendig zichtbaar aan het genieten is van het feit dat hij extra opvalt.
En toch moet het kunnen, zich oefenen in nederigheid. Zoals mensen zich oefenen in het bidden om te leren bidden – en daarzonder gaat het niet – zoals ze zich oefenen in de stilte om te leren luisteren; zich oefenen in geduld om te leren verwachten; zich oefenen in nederigheid om van de Heer zelf te leren dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart.

Een gevleugelde uitspraak van Bernardus van Clairvaux is de titel geworden van een boek over het leven van Theresia van Lisieux: Nederigheid is waarheid.

Wat hier bedoeld wordt, is niet zo moeilijk te verstaan. Uit de dagelijkse omgang kent ieder van ons wel mensen met veel talenten en die er ook veel mee doen, maar die zichzelf kunnen relativeren en heel eenvoudige lieden blijven. En dat staat in schril contrast met de houding van die halve nietsnutten die precies hun halve werk, hun minste succesje in de volle zon etaleren en grootsprakerig uitbazuinen.

Nederigheid is waarheid.
Het ene criterium is dat je je eigen kleinheid en zondigheid inziet en erkent. Het andere criterium is dat je weet en gelooft dat je Gods kind bent, Gods uitverkorene, Gods begenadigde, de van zijn Geest vervulde.

Nederigheid is waarheid, voor zangers van het Magnificat.
Het ene criterium is van ganser harte zingen voor de Heer, dankbaar zijn om wat je bent en om wat je kunt; en daarom zo goed mogelijk doen wat je te doen staat en zo goed mogelijk zijn als je zijn kunt. Niet de eerste de beste, maar wel de beste, de eerste.

Het andere criterium is dat je steeds voor ogen houdt dat Hij neerzag op de kleinheid van zijn dienares. Dat wil zeggen: zich bewust zijn van zijn roeping, van zijn taak. De beste zijn, de eerste zijn, niet als doel op zich maar als middel om te dienen, om zo goed mogelijk in de dienst te staan van God en medemens.

Nederigheid is waarheid. Nederigheid is dienstbaarheid. Zich oefenen in nederigheid is zich oefenen in dienstbaarheid.

Ik kan mij moeilijk een dirigent voorstellen van een koor of een orkest die met opzet slecht dirigeert, alleen maar om zijn uitvoerenden erbij te lappen.

Ik ken wel dirigenten die zich voor de spiegel oefenen om mooi te buigen voor en na het concert.
Ik geloof helemaal niet dat er dirigenten zijn die opzettelijk fouten zouden maken en veroorzaken, om dan fijntjes géén applaus te krijgen achteraf en zich zodoende te oefenen in de evangelische deugd van nederigheid. Wat een gehuichel, wat een zelfbedrog zou dat zijn!

De dienst die van hem gevraagd en verwacht wordt, is dat hij ertoe bijdraagt dat zijn uitvoerenden zo mooi en zo goed mogelijk zingen en spelen, zodat zij en hun publiek deelgenoot worden van schoonheid en ontroering.

En dan mag voor mijn part, al is het nog zo’n klein detail, een dirigent zich voor zijn spiegel oefenen in het buigen voor zijn publiek: niet voor de schoonheid van dat gebaar, maar voor de echtheid ervan. Dat wil zeggen: dat het teken een uitdrukking moge worden van zijn dienstbaarheid, als het bewust en op den duur reflexmatig-onbewust samengaat met de dubbele gedachte in zijn hart: wat ben ik blij dat ik dit kan, en wat ben ik blij dat ik dit aan jullie heb mogen schenken.

Het Magnificat van de kunstenaar… zoals ieder van ons het zijne te zingen krijgt.

Nederigheid is waarheid.
Ken je het verhaaltje over het o zo nederig nonnetje?
In een klooster was er eens een heel nederig nonnetje. Tot ver buiten de kloostermuren was het bekend geraakt. Toen de bisschop eens op bezoek kwam, stonden alle zusters hem bij de ingang in een kring op te wachten om hem te begroeten. Hij vroeg of het waar was dat er in hun midden een heel nederig nonnetje vertoefde. Zonder enige aarzeling trad eentje uit de kring naar voren en zei: ‘Jazeker, dat ben ik, Monseigneur.’
Vroeger dacht ik alleen maar: wat een goed grapje; vanwege de contradictio terminis. Nu denk ik veeleer: je moet het maar kunnen, dát levensevenwicht te bereiken van ‘nederigheid is waarheid’; enerzijds tussen het besef van kleinheid en zondigheid en anderzijds de terechte dankbaarheid en fierheid, omdat Hij zulke grote dingen aan mij deed.

Al wie zich verheft, zal vernederd en wie zich vernedert, zal verheven worden.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x