Jaar C, DHJ 20

Twintigste zondag door het jaar C – Lucas 12, 49-53

Wij zijn halverwege het Lucasevangelie, aan het einde van hoofdstuk 12 van de 24 hoofdstukken in totaal. Heeft de auteur hier het eerste deel van zijn geschrift welbewust willen afsluiten en heeft hij daarom deze tekst hier geplaatst? Ook als dat niet zo is, blijft het een merkwaardige korte ontboezeming van de Heer die typisch lijkt voor iemand ‘halverwege’, enerzijds terugblikkend op wat voorbij is, anderzijds vooruitkijkend naar wat nog te gebeuren staat en te verwachten is.

Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait! Ik moet een doopsel ondergaan, en hoe beklemd voel Ik mij totdat het volbracht is!

Is hier een ontgoochelde Jezus aan het woord, zoals mensen al ontgoocheld raken, ergens halverwege, als ze zich in hun goede bedoelingen van het begin en zich bij hun inzet geconfronteerd zien met de realiteit en het resultaat?

Het vuur laait maar niet op: het vuur dat mensen moest begeesteren voor het komende Rijk, verlichten in de duisternis, verwarmen in de kilte. Het is amper een klein pitje, bedreigd door de lichtste wind en regen.

De doop die de Heer moet ondergaan, een vooruitzicht dat Hem beklemt en beangstigt, heeft ook met vuur te maken, maar dan in de tegengestelde betekenis van verschroeiend en vernietigend: een vuurdoop van tegenkanting en beproeving, tot het lijden toe. Klinkt in dit Jezuswoord niet reeds de doodsangst van Getsemane door?

Is dit niet inderdaad een voluit ontgoochelde en ontmoedigde Jezus, beklemd en angstig, op het ogenblik dat Hij zich ergens van bewust wordt en tot het inzicht komt dat het in feite aan het mislukken is?

Ik denk niet dat wij Onze-Lieve-Heer belasteren of kleineren met Hem, halverwege, deze ontmoediging en ontgoocheling toe te dichten. Niets menselijks is Hem vreemd. Het tegenovergestelde zou veeleer vreemd en eigenaardig geweest zijn voor een mens van vlees en bloed.

Maar wij zouden de Heer wel tekortdoen, als wij dit niet meteen, evenzogoed halverwege, in het tegenlicht plaatsen van zijn onkreukbare godsgeloof en zijn rotsvaste vertrouwen: de trouw aan zijn roeping, zijn zending. Niet mijn maar uw wil geschiede: ook die Getsemanewoorden klinken reeds door in de aanvaarding en de overgave waarmee de Heer de toekomst tegemoet blijft gaan.

Vuur ben Ik komen brengen; hoezeer blijf Ik verlangen en verwachten en er alles aan doen dat het oplaaien zal. Een doop moet ik ondergaan; hoe Mij dat ook beklemt, Ik zal de weg ten einde gaan, tot alles is volbracht.

Ergens halverwege. Tussen ontmoediging en blijvende geestdrift. Tussen angst en blijvend vertrouwen.

Er is een derde zin die wij nog niet vernoemd hebben, misschien nog wel de meest controversiële van de drie. Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid.

Kun je dat ánders verstaan dan als ontgoocheling tot verbittering toe? Het is toch duidelijk dat de bedoeling was: vrede brengen; en dat blijkt even duidelijk uit te draaien op verdeeldheid. Kan dat ánders worden uitgelegd dan als mislukking van de opdracht die wordt gegeven?

Het is trouwens het laatste dat je uit de mond van Gods Gezalfde en Gezondene verwacht: van Hem die eeuwenlang door psalmen en profetieën van de verwachting is aangekondigd als de komende Vorst van vrede. Wat betekent eigenlijk ‘vrede’ in het algemeen en meer bepaald in deze context? Is het ook een symbool, zoals vuur en doop? In de eerste plaats verbindt iedere mens het met de afwezigheid van strijd, van oorlog en het geweld dat daarbij hoort. Heel wat positiever ingevuld is vrede de uiterlijke maar ook de innerlijke harmonie die een mens tekent in zijn relatie met zijn God, met zijn evenmens en met zichzelf.

Dat de Heer de onvrede die Hij brengt, in direct verband stelt met onenigheid binnen het gezin, heeft te maken met de oorspronkelijke betekenis van het begrip vrede in de oude Bijbel. Dit wordt daar precies omschreven als de toestand die er heerst in de familiekring. Als er ergens vrede is, dan is het daar. Als daar verdeeldheid heerst, dan moet dat wel een signaal zijn van ontreddering, misschien zelfs van verwording: dus van het faillissement van de Blijde Boodschap?…

Ook hier moeten wij het tegenlicht laten schijnen van Jezus’ vertrouwen en van zijn trouw. Voor wie de Heer een beetje heeft leren kennen, voor christenen, voor ons, is deze uitspraak moeilijk te aanvaarden als een pessimistische ontboezeming van mislukking en faillissement, evenmin als een oordeel over de verwording van een gezin. Daarentegen wel als de vaststelling van een realiteit waar je niet omheen kunt, maar die in niets afbreuk doet aan zijn geloof in de toekomst van het Koninkrijk.

Vrede was de bedoeling en blijft de bedoeling. Vrede was het aanbod en blijft het aanbod. Maar die vooropgestelde en beoogde harmonie van Schepper en schepsel en van schepselen onderling is een heel veeleisende aangelegenheid die mensen voor een verscheurende keuze kan en zal plaatsen.
Het aanbod van vrede brengt inderdaad verdeeldheid mee. Het scheidt mensen tot in hun diepste samenzijn, zelfs hun familie, zegt de Heer – en dat wil wat zeggen – hun broeder- en zuster-zijn van elkaar.

Om deze realiteit te onderkennen hoeven wij maar even het begrip vrede te nemen in zijn meest gebruikelijke betekenis van afwezigheid van strijd en oorlog. Welk zinnig mens is daar niet vóór en wil dit aanbod niet met beide handen aangrijpen? Wij weten echter maar al te goed dat zelfs in de hechtste familie- of vriendenkring er discussie zal zijn over de manier waarop die vrede bereikt kan of moet worden: ten koste waarvan, tegen welke prijs? Wie dan zoals Jezus passieve weerstand en geweldloosheid predikt, zal nooit iedereen of zelfs maar een meerderheid van mensen achter zich krijgen.

Daarvan is de Heer zich terdege bewust: wat dit ene voorbeeld aangaat en wat tal van aspecten, om niet te zeggen alle aspecten van zijn vredesaanbod, zijn Blijde Boodschap van het Koninkrijk aangaat. Het evangelie stelt mensen voor de keuze; het zal ons steeds opnieuw voor keuzes stellen. En die kunnen verscheurend zijn en door mensenharten heen gaan. Het is een persoonlijke keuze die niemand in andermans plaats kan maken.

Heel concreet betekent het dat christenen naar vrede uitzien als immanent Godsgeschenk en ze nastreven als opperste levenswaarde, goed wetende dat wij die vrede nooit helemaal zullen bereiken en dat het zeker niet zonder slag of stoot, zonder moeite en pijn zal verlopen.

Het gaat niet over een gemakkelijke, een goedkope, een oppervlakkige vrede: een vrede die de problemen doodzwijgt en weigert te zien, om zó mensen enkel maar voor de schone schijn te verenigen; een vrede van gemakzucht die niet gestoord wil worden en die alle discussies vermijdt, omdat daar toch slechts herrie van komt; een vrede van eerloze compromissen die je bereikt door steeds maar ja te zeggen en toe te geven; een vrede die moedeloos en machteloos de handen in de schoot legt en zich met niets meer wil bemoeien; een vrede van een afgeleefd christendom dat geen (blijde) boodschap meer heeft, omdat die het toch niet meer haalt, een christendom dat geen offers meer vraagt.

En wat de verdeeldheid betreft die je noodzakelijkerwijze zal ondervinden en die je kan treffen en verwonden als een messteek: het is een belangrijk aspect van de christelijke vrede dat je je principes en overtuigingen trouw blijft en toch de andersdenkenden, de anderszijnden omhelst in de geest van verzoening en verdraagzaamheid. Het gaat over agape vieren, zowel in je gezin en je vriendenkring als in welke gemeenschap dan ook: ‘de facto’ agape vieren, ook al zijn de anderen bij bepaling anders.

Ziedaar het grote dilemma van ons christelijk geloof, helemaal in de voetsporen van Hem die ons daarin is voorgegaan. Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid.

Halverwege het evangelie van Lucas staat deze zin. Misschien is hij door de evangelist nog meer bewust hier geplaatst en op deze wijze geformuleerd dan de beide andere.

Halverwege tussen de vrede van het begin en die van het einde; de vrede die in den beginne bedoeld is en die aan het einde zal zegevieren; de vrede van de menswording en die van de opstanding.

Aan het begin van Lucas’ verhaal, als de Heer in Bethlehem geboren is, verkondigt een engel het blijde nieuws aan de herders. En ‘plots’, zegt de evangelist, ‘voegde zich bij de engel een hemelse heerschare. Zij verheerlijkten God met de woorden: eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.’

Aan het einde van Lucas’ verhaal, als de Heer verrezen is, vertellen de leerlingen van Emmaüs paaservaring aan de apostelen. En ‘plots’, zegt de evangelist, ‘stond Hijzelf in hun midden en zei: vrede zij u!’

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x