Jaar C, DHJ 18

Achttiende zondag door het jaar C – Lucas 12,13-21

IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid! Iedereen met een beetje Latijn in de kleren reciteert het mee: ‘Vanitas vanitatum, omnia vanitas!’ En omdat het zo mooi klinkt en omdat het vakantie is, zeggen wij het ook maar even in de oorspronkelijke taal, het Hebreeuws: ‘Navel havelim, akol havel.’

Binnen de drie jaren van de liturgische lezingencyclus is dit de enige zondag waarop het boek Prediker aan de beurt komt. De lezing bestaat uit de titel van dit essay plus enkele verzen die als een refrein terugkeren en als een rode draad door het geheel lopen.

Ik doe de lezing even over in de Willibrordvertaling, die literair van een hoge kwaliteit is. Eerst is er dus het opschrift, daarna het korte uittreksel uit het tweede hoofdstuk. Voor en na voeg ik er een paar verzen aan toe om het geheel wat meer substantie te geven.

‘De woorden van Prediker, zoon van David, koning in Jeruzalem. IJl en ijdel, alles is ijdel. Wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en tobben onder de zon?

Ik zag geen enkele zin meer in al mijn zwoegen en tobben onder de zon. Want heeft iemand door zijn kennis en wijsheid moeizaam iets gepresteerd, hij moet het toch overlaten aan een ander die er niets voor gedaan heeft. Ook dat is ijdel, onzinnig. Wat heeft een mens dan aan al zijn gezwoeg, aan al zijn tobben en zorgen onder de zon? Zijn leven is één lijdensweg, zijn werk één bron van ellende. Zelfs ‘s nachts vindt hij geen rust. Ook dat is ijdel? Het beste voor de mens is nog: eten en drinken en genieten van wat hij met veel gezwoeg bereikt heeft. Want ook dat, zo begreep ik, komt uit de hand van God.’

Wij kunnen het betreuren dat het bij dit ene fragment gebleven is, omdat de mens van vandaag zich vrij goed kan terugvinden in de teksten van Prediker. Die heeft veel nagedacht over de zin van het leven en is tot de vaststelling gekomen dat er geen zekerheden zijn. Net zoals in onze tijd de mens geen houvast meer lijkt te hebben waaraan hij zich kan vastklampen in zijn zoektocht naar geluk.

Wij gebruiken de termen ijdel en ijdelheid nogal eens in de zin van pronkzucht. Daar gaat het hier helemaal niet over.

IJl en ijdel zijn elkaars synoniem – ijl is een samentrekking van ijdel in de zin van leeg, wazig, warrig, vluchtig. Het Hebreeuwse ‘haver duidt het uitgeademde wolkje lucht aan dat bij felle kou even zichtbaar is en dan plots oplost in het niets. IJl en ijdel, alles is ijdel. Het is allemaal niets, zeggen wij, het is allemaal wind.

Prediker is geen levensvreemde optimist die met het hoofd in de wolken leeft. Maar levenspessimisme is hem, al even vreemd. Hij is een gezonde realist wie je niets wijsmaakt; en ook iemand die zichzelf niets wijsmaakt, maar er toch het beste van wil maken.

Prediker lijkt duidelijk beïnvloed door de jonge Griekse filosofie van zijn tijd. Tegelijk wil hij zijn herkomst en geloof getrouw blijven. ‘Ik kwam tot het inzicht’, zegt Prediker, ‘dat alles wat God doet, voor altijd blijft en dat de mens ontzag voor Hem moet hebben. Gods werk blijft voor mensen van het begin tot het einde ondoorgrondelijk.’

Prediker kent de oude verhalen en geschriften van Israël. Trouw aan de traditie is hij tegelijk kritisch. Ook hier moeten schijnwaarheden gerelativeerd worden: dat rijkdom een beloning en armoede een straf van God zouden zijn; wijsheid een beloning en garantie voor geluk; dwaasheid een straf en een oorzaak van mislukking. De eigen ondervinding heeft hem het tegendeel geleerd. Allicht geldt het verhaal van zijn iets oudere collega, de man Job, als een bewijs voor de juistheid van zijn mening.

Op dit dilemma heeft Prediker geen pasklaar antwoord. Alles is ijl en ijdel. Alles is relatief, zegt de mens nu. Niets onder de zon heeft absolute waarde op zich. Het is dwaas, zegt Prediker, zich vast te klampen aan wat vergankelijk is. Maar ondertussen blijft ons het leven, door God gegeven. Laat ons er dus het beste van maken, bij voorkeur door onze omgang met de simpele goede dingen die ons te beurt vallen; en in elk geval in grote eerbied voor het ondoorgrondelijke raadsbesluit van de Schepper.

Prediker maakt een prachtige, realistische en tegelijk poëtische analyse van de relativiteit van het menselijk bestaan. Maar zijn boodschap schenkt ons geen volledige voldoening. Het aangereikte alternatief overtuigt ons niet, het is niet overduidelijk. Zoals de mens van alle tijden en van vandaag is Prediker niet bij machte om op eigen kracht een volwaardig antwoord te vinden op de vraag naar de zin van het leven.

Het evangelie van vandaag over de gelijkenis van de dwaze rijke man sluit naadloos aan bij Prediker. Het gaat over iemand die denkt dat zijn rijkdom een absolute garantie is voor duurzaam geluk, maar die het tegendeel zal ondervinden, zegt dit keer Prediker-Jezus.

Maar ook Jezus’ alternatief is, niet zonder meer overweldigend of overduidelijk: geen schatten vergaren voor zichzelf, maar rijk zijn bij God. Daarover gaat het nu precies: God is ondoorgrondelijk. Wat is dan ‘rijk zijn bij God’? Er zit in elk geval iets in Predikers goede raad: er het beste van te maken wat de omgang met de simpele goede dingen van elke dag betreft en respectvol om te gaan met Onze-Lieve-Heer. Maar dit blijft toch nog vrij vaag en algemeen.

Afgelopen zondagen kwamen in de liturgie drie prachtige evangelies aan bod. Achtereenvolgens lazen wij Lucas’ parabel van de barmhartige Samaritaan, zijn verhaal over Marta en Maria, en het onzevader door Jezus voorgebeden. Alle drie deze evangelies geven een heel concrete invulling aan het ‘rijk zijn bij God’ van vandaag.

Driemaal een kwestie van voorrang geven: niet aan jezelf in je rijkdom, maar aan de ander in zijn nood; niet aan jezelf in je materiële zorg en welstand, maar aan de binnenkant van je spirituele interesse en welzijn; en ten derde: niet aan jezelf voor jezelf op deze aarde, maar aan God, je Vader die in de hemel is – en: op aarde zoals in de hemel.

Driemaal is het een inkijk in de duurzaamheid en de rijkdom van leven naar de ander toe, tegenover de ijle leegte van leven naar jezelf toe: als de deuren opengaan om te delen; als de oren opengaan om te luisteren; als het hart opengaat om te bidden.

En met zijn eigen woorden zegt Paulus hetzelfde: zet je zinnen op het hemelse, niet op het aardse. Want het aardse, dat weten wij intussen, is ijl en ijdel, vluchtig en vergankelijk.

Willen Schrift en evangelie dan dat wij ons afwenden van de aarde en haar realiteit, en ons enkel maar richten op een verre utopie die hemel heet?

Prediker zegt: het beste voor de mens lijkt nog, ondanks alle ijdelheid van wat hem op aarde bezighoudt, vrolijk te zijn en het er goed van te nemen. Want als je kunt eten en drinken en genieten van wat je met je zwoegen hebt bereikt, dan is dit immers evenzogoed een gave van God.

En alle aangehaalde Lucasteksten hebben het niet over een verre hemel, maar over het hier en nu: daadwerkelijke barmhartigheid; gehoorzaamheid en dienstbaarheid in evenwichtige wisselwerking; eerbied voor wat heilig is zowel op aarde als in de hemel. De fout van de rijke man is niet zijn naarstige inspanning en zijn bezorgdheid voor het goede resultaat ervan, maar wel het feit dat zijn motivering en aandacht enkel zichzelf betreffen en nooit of nergens de ander of de Andere.

En als je Paulus goed leest, is het zeker niet zó dat voor hem de aarde niets met de hemel te maken heeft. Integendeel, wie zint op het hemelse, zal hier en nu op deze aarde alles in het werk stellen om goed te leven. Paulus schrijft in de tegenwoordige tijd. Wij zijn gered, wij zijn met Christus gestorven en opgestaan. Christus is ons leven hier en nu. De kwaliteit van ons leven, ons doen en laten: het is zonder meer de logische en directe consequentie van onze verbondenheid met de Heer.

Zoals in het geval van Prediker is het ook wat Paulus’ tekst betreft een beetje spijtig dat de perikoop niet wat verder doorloopt. Wat volgt, heeft immers alles te maken met wat voorafgaat en is er moeilijk van los te maken.

Vandaag lazen wij: maak radicaal een einde aan immorele praktijken, ontucht, moedeloosheid, hartstocht, begeerlijkheid, hebzucht of afgoderij en leugen. Bekleed u met de nieuwe mens.

In wat volgt zegt Paulus: bekleed u als Gods uitverkorenen met tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld. Verdraag en vergeef elkaar. Voeg bij dit alles de liefde als de band der volmaaktheid. En laat de vrede van Christus heersen in uw hart. Leer en vermaan elkander met alle wijsheid. Zing voor God met een dankbaar hart psalmen, hymnen en liederen, ingegeven door de Geest.

Dat alles heet ‘rijk zijn bij God’: die vele kleine goede dingen van het dagelijks leven, ijl en vluchtig, maar tegelijk dankbaar en dienstbaar, en daarom duurzaam en onvergankelijk voor tijd en eeuwigheid.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x