Jaar C, DHJ 17

Zeventiende zondag door het jaar C – Lucas 11,1-1 3

Het evangelie gaat vandaag integraal over bidden. Op hun vraag leert Jezus zijn leerlingen bidden. Hij legt hun de woorden in de mond en legt zodoende tegelijk uit wat hun bidden inhoudelijk moet zijn. Daarna heeft Hij het ook over een essentiële kwaliteit van het gebed: de volharding, de aandrang. En ten derde noemt Hij het motief, het waarom: je hebt alle reden om te bidden, omdat God goed is.

In tegenstelling tot de bergen literatuur, al dan niet diepzinnig en geïnspireerd, die in de loop van eeuwenlange christelijke kerkgeschiedenis gewijd is aan het gebed, gaat het in de evangelies in hun geheel, net zoals in het hele Nieuwe Testament, daar niet zo vaak en uitgebreid over.

Enerzijds is dat niet eens zo ongewoon te noemen, als je uitgaat van Jezus’ uitspraak in de Bergrede van Matteüs dat bidden geen kwestie is van veel woorden.

Anderzijds blijkt uit diezelfde Schrift duidelijk dat Christus zelf veel gebeden heeft en dat ook voor de eerste kerk het gebed een wezenskenmerk was.

In het begin van Handelingen staat, aansluitend aan het verhaal van Jezus’ hemelvaart, dat zijn leerlingen eensgezind bleven volharden in het gebed. En aan het einde van hoofdstuk 2 worden de activiteiten van de jonge christenkerk samengevat: ‘Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het Brood en in het gebed.’ Hun bidden vindt zijn grond zeker in de traditie van Israël, maar veel meer nog in de oproep en in het voorbeeld van de Heer dat zij voor ogen hebben en blijven houden.

In het eerste hoofdstuk van Marcus, het oerevangelie, wordt een dag uit Jezus’ leven beschreven. Dat moet begrepen worden als exemplarisch, als een model voor alledag: het volk onderrichten; mensen moed inspreken en hun goeddoen; én bidden: ‘Vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats waar Hij bleef bidden.’

Wat dat bidden geweest is, wordt niet rechtstreeks verteld, noch in het geval van de jonge kerk na Jezus’ hemelvaart, noch wat de Heer zelf betreft tijdens zijn leven. Wij kunnen vermoeden dat het te maken had met de rijke gebedscultuur en -traditie van hun joodse religie, inzonderheid de psalmen. Dat zal er zeker deel van hebben uitgemaakt. Maar wij hebben goede redenen om aan te nemen dat het ook over wat anders gaat, iets met minder omhaal van woorden, Jezus’ eigenste raadgeving indachtig.

Ware dat niet zo, dan was de vraag van de leerlingen aan hun Meester, ‘Heer, leer ons bidden’, overbodig geweest. Want de psalmen kenden zij van huis uit even goed als Hij ze kende. Zij hebben aangevoeld dat Jezus’ bidden ‘anders’ was en dat wilden ze achterhalen.

Hun redenering is logisch. Indien de Meester bidt, dan behoren ook zijn leerlingen te bidden. Of nog: leerlingen behoren zó te bidden, zoals hun Meester bidt.

Hun argumentatie echter in het eerste vers van het evangelie is een beetje indirect: leer ons bidden, zoals Johannes het aan zijn leerlingen geleerd heeft. Er staat dus niet expliciet: zoals Gijzelf bidt; maar het is de logica zelf dat ze dat bedoelen.

Nergens in de evangelies staat te lezen dat Johannes de Doper zijn volgelingen heeft leren bidden. Het enige vers dat enigszins die richting uitgaat, staat bij Lucas in hoofdstuk 5, vers 33, waar de schriftgeleerden Jezus het verwijt toesturen dat de leerlingen van Johannes vasten en ‘gebeden verrichten’, net zoals die van de Farizeeën dat doen. Dat Jezus’ discipelen daarentegen eten en drinken, dat wil zeggen dat dus niet doen: vasten en gebeden verrichten. Misschien dat dit de apostelen in de oren is blijven klinken en dat ze mede daarom hun vraag op die manier hebben gesteld.

Mij is daarbij een klein detail opgevallen, een klein verschil van woordkeuze. De leerlingen van Johannes en die van de Farizeeën ‘verrichten gebeden’, zo staat er; net zoals hun meesters, zou je erachteraan kunnen horen. Hier staat dat Jezus ‘bad’ en dat de leerlingen Hem vragen hun te leren ‘bidden’.

Het eerste klinkt veeleer afstandelijk, het tweede direct. Het eerste klinkt veeleer formalistisch, het tweede helemaal persoonlijk en geëngageerd. Hoe moeten wij bidden om het te doen, zoals Gij het doet: heel direct, heel geëngageerd, heel persoonlijk? Dat is de vraag van de leerlingen.

En dan geeft Jezus hun zijn overbekende antwoord.

De woorden die Hij hun als het ware in de mond legt, zijn de woorden van het onzevader, sindsdien uitgegroeid tot hét christelijk gebed bij uitstek. Geen christen, hoe jong of hoe oud ook, hoe lauw of hoe fervent die het niet kent, zelfs vanbuiten kent. Is dat zo? Wij laten het antwoord in het midden en relativeren tegelijk de draagwijdte ervan vanuit de vaststelling dat Lucas zelf zijn onzevader ook niet helemaal lijkt te kennen. Of is het Matteüs die er wat aan toegevoegd heeft en wiens versie het uiteindelijk in de traditie gehaald heeft? De verschilpunten die er zijn, doen overigens niets af aan de volkomen inhoudelijke overeenkomst. Laat de formulering wat verschillen, het ging niet om het formalisme van een te verrichten gebed, zeiden wij, maar om de inhoud achter die formulering. Vandaag houden wij het vanzelfsprekend bij de iets kortere Lucasversie.

Een vraag van een geheel andere aard die hierbij gesteld kan worden, is de volgende. Zijn de woorden die Hij hun in de mond legt, ook de woorden die Hijzelf gebruikt, als Hij bidt? Dat staat nergens. Dat kan ook niet of tenminste niet helemaal.

Van het eerste woord, ‘Vader’, kunnen wij honderd procent zeker zijn dat het tevens Jezus’ eigenste aanspreektitel is. Ook van de eerste zin kunnen wij zeker zijn. De Zoon die zijn Vader toewenst: geheiligd zij uw Naam, uw Rijk kome; dat spreekt voor zich.

Met de smeekbeden van het tweede deel ligt het anders. Jezus zal biddenderwijs zeker in die zin de voorspreker geweest zijn van de mensen wat hun noden betreft, waarbij uiteraard Hij die zonder zonde is, niet voor zichzelf om vergeving zal bidden, maar wel voor ons zal bidden om barmhartigheid en vergeving voor ons kwaad en ons tekort.

Maar de vraag of de biddende Jezus deze of andere woorden gebruikt heeft, kan met recht en reden worden omgebogen naar de vraag of de Heer überhaupt woorden gebruikt heeft. Contemplatieve geesten en mystici zijn er op hun manier zeker van dat Jezus zelf, in gebed verzonken, uren aan één stuk een woordeloos gesprek voerde met zijn Vader. Wellicht hebben zij het bij het rechte eind, maar dat is geen evangelie. Misschien is de eenvoud van het herhalen van steeds weer dezelfde simpele woorden Hem ook niet vreemd geweest.

Zeker is dat zijn bidden – zij het woordeloos, zij het in woorden tot gestalte gekomen – inhoudelijk totaal aansluit bij dat ene onzevader dat Hij aan de leerlingen heeft geleerd. Heel zijn bidden is lofprijzing en dankzegging: Vader, geheiligd zij uw Naam, uw Rijk kome. Onlosmakelijk daarmee verbonden is het vertrouwvolle smeekgebed voor ons, zijn broeders en zusters, kinderen van diezelfde Vader: geef hun wat ze dagelijks nodig hebben om te leven; wees uw barmhartigheid indachtig, vergeef hun hun ontrouw en laat hen niet bezwijken onder de last van hun beproevingen.

En wij bidden en horen te bidden, zoals Hij het aan ons heeft geleerd.

Niet ieder van ons is geroepen tot mystiek en contemplatie, maar voor iedereen die Christus’ leerling wil zijn, hoe jong of hoe oud ook, hoe vurig of lauw, hoort het dat hij dit gebed tot het zijne maakt. Het onzevader als het minimum minimorum (het allerminste) van gebedscultuur, zou je kunnen zeggen. Maar tegelijk is het een maximum maximorum (het allermeeste), in die zin dat ieder woord ervan gedekt wordt door het concrete leven van eerbied en dankbaarheid enerzijds en van dienstbaarheid en verzoening anderzijds dat achter die woorden schuilgaat.

Niet ieder is geroepen tot mystiek of contemplatie. Maar wel is iedere contemplatief en iedere mysticus geroepen om zo dicht mogelijk te blijven vertoeven in de buurt van het onzevader. Daarom is het een wijze stelregel om elke persoonlijke meditatie of aanbidding telkens opnieuw te beginnen met een in stilte en eenvoud gepreveld onzevader.

En allen, van mystici en contemplatieven tot het zogeheten gewone voetvolk, allen zijn wij ertoe geroepen vaak als christenen samen te komen om de lof van God te zingen en om voor elkaar te bidden. In iedere samenkomst hoort die ene formule thuis, het paternoster, het onzevader dat omwille van zichzelf nooit een formalisme of een formaliteit zal of mag zijn, maar dat – door Jezus zelf gegarandeerd – daadwerkelijk en geëngageerd zal doorstoten naar de kern van de lofzang en het smeekgebed, van de dankbaarheid en de dienstbaarheid.

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x