Jaar C, DHJ 14

Veertiende zondag door het jaar C – Lucas 10, 1-11.17-20

In deze dagen vieren wij met vele collega’s de verjaardag van onze priesterwijding. Begin juli is de traditionele periode voor de priesterwijdingen. Uiteraard ga je aan zo’n verjaardag niet zomaar achteloos voorbij. Het evangelie van vandaag, al is het zeker niet speciaal voor deze gelegenheid geprogrammeerd, is een zeer geschikte tekst om er in die optiek even bij stil te blijven staan.

Amper enkele bladzijden eerder in hetzelfde Lucasevangelie staat een verhaal dat in grote lijnen en tot in vele details net hetzelfde is als dat van vandaag. Vandaag gaat het over de zending van de tweeënzeventig, iets eerder ging het over de zending van de twaalf.

‘Hij riep de twaalf bijeen en gaf hun macht en gezag over alle boze geesten en de kracht om ziekten te genezen. Daarop zond Hij hen uit om het Rijk Gods te verkondigen en genezingen te verrichten. En Hij vermaande hen: “Neem niets mee voor onderweg: geen stok, geen reiszak, geen voedsel en geen geld. Als ge een huis binnengaat, moet ge daar blijven en vandaar weer afreizen. Als men u ergens niet ontvangt, verlaat dan die stad en schud het stof van uw voeten, als een getuigenis tegen hen.” Toen gingen ze op weg en trokken van dorp tot dorp, terwijl zij overal de Blijde Boodschap verkondigden en genezingen verrichtten.’

Blijkbaar heeft de evangelist Lucas in Jezus’ leven reeds de voortekenen ontwaard en onderkend van een ontwikkeling binnen de eerste jonge kerk. Daar zouden inderdaad vrij snel twee geledingen zijn ontstaan: enerzijds de groep van de twaalf, de apostelen, anderzijds een veel grotere groep van discipelen, zendelingen, noem het missionarissen, die onder de supervisie van de apostelen hun taak volbrachten.

En wij herkennen hierin onmiddellijk, voor heel de kerkgeschiedenis en tot op onze dagen: enerzijds de groep van de twaalf, de opvolgers van de apostelen, paus en bisschoppen; anderzijds een veel grotere groep van priesters, diakens en andere directe medewerkers van paus en bisschoppen die wij gemakshalve samenbrengen onder de naam geestelijkheid, al klopt deze term niet en zelfs hoe langer hoe minder.

In een bredere zin genomen kun je het onderscheid ook maken tussen enerzijds de groep van alle zopas genoemden, aangeduid met de term geestelijkheid, en anderzijds een veel grotere groep van talloze geroepenen en gezondenen die wij leken noemen. Of nog: hiërarchie of pastoraat en godsvolk.

Ten overstaan van al deze van elkaar onderscheiden en verschillende kerkelijke structurele geledingen is het des te meer opvallend en beteke nisvol dat de beide evangelische zendingsverhalen, dat van de twaalf én dat van de tweeënzeventig, in grote lijnen en tot in vele details identiek zijn.

Allen worden zij, allen worden ‘wij’ geroepen en gezonden met eenzelfde opdracht, eenzelfde missie, eenzelfde zending, met dezelfde richtlijnen en raadgevingen van de Heer voor onderweg.

Alle christenen dus, van de grootste theoloog met het hoogste kerkelijk gezag tot de niet theologisch geschoolde intellectueel, maar evengoed de niet geletterde, eenvoudige werker: eenzelfde zending.

Alle christenen, van de meest begaafde spreker en getalenteerde organisator tot de eenvoudige oma met pensioen, tot de jongste telg aan de gezinstafel: eenzelfde zending.

Het spreekt voor zich dat er een groot verschil bestaat betreffende de aard en de eigenheid van die zending, de concrete invulling van de taak die ieder te vervullen krijgt: de theoloog en de niet-theoloog; de geestelijke en de leek; de gezagdrager en de uitvoerder; de oma en de kleinzoon. Maar in de levenshouding, in de geest waarmee ieder de eigen taak uitvoert, is er geen verschil.

Dit gezegd zijnde houden wij het verder vooral bij wat er in de eerste plaats onder die tweeënzeventig verstaan wordt binnen onze kerk, namelijk de groep van bijzondere medewerkers van de twaalf, van paus en bisschoppen: de priesters, de diakens, de pastores, de predikanten. Het is hun concrete taak en opdracht die in Jezus’ raadgevingen en richtlijnen in het bijzonder beoogd worden.

Jezus zegt niet tot de tweeënzeventig, zoals Hij dat ook niet tot de twaalf gezegd heeft, wat zij allemaal moeten zeggen en vertellen, leren en voorhouden om het Rijk te verkondigen, maar wel: hoe zij zich daarvoor te gedragen hebben onderweg.

Zoals het woordje zending het zelf al aangeeft, gaat het er in de eerste plaats over dat zij, ieder van de tweeënzeventig, net zoals trouwens ieder van de twaalf op zijn niveau, naar de mensen moeten toegaan.

Naar mensen toegaan. In beweging komen. Niet bij de pakken blijven neerzitten. Uit je eigen beschutte kringetje losbreken en naar de huizen en dorpen en steden in de omtrek toegaan. Het risico durven te lopen van de weerloosheid van lammeren te midden van de wolven.

Naar mensen toegaan. Hun vrede toewensen, met hen het leven delen, met hen eten en drinken, en hun zieken genezen. Wie dat doet, zegt Jezus, spreekt — met of zonder woorden — mijn boodschap uit. Hij heeft recht van spreken. Hij is geloofwaardig in zijn spreken. Hij zegt met de woorden van heel zijn leven dat het Rijk Gods nabij is.

Naar mensen toegaan. Niet met al wat je hun te bieden hebt uit je eigen onmetelijke rijkdom en wijsheid. Laat die maar rustig thuis: geen beurs, geen reiszak, geen schoeisel. Maar naar de mensen toegaan met enkel wat je voor hen wilt zijn: vrede en vriendschap, eten en drinken, genezing en bevrijding.

In beide zogoed als identieke verhalen, dat van de twaalf en dat van de tweeënzeventig, is er één verschilpunt dat bij nader toezien opvalt.

Bij de zending van de twaalf wordt niet vermeld in welke formatie zij eropuit gestuurd worden. Gaat ieder individueel zijn eigen weg of blijven ze met zijn twaalven samen? Ik denk: allebei, het ene én het andere. Iedere apostel, ieder van zijn opvolgers draagt individueel de gehele zorg en verantwoordelijkheid voor de eigen taak op de eigenste plaats, maar nooit zonder die fundamentele verbondenheid, die onlosmakelijke band met de elf anderen, in de collegiale verantwoordelijkheid voor het gehele Rijk Gods op aarde.

Zoals het altijd is geweest vanaf het eerste pinksterfeest, zo is het ook in onze dagen: paus en bisschoppen in grote eenheid met elkaar verbonden en handelend als één college; maar tegelijk ieder met de volle eigen verantwoordelijkheid op zijn gebied, zijn terrein. Zo werkt de Geest binnen de twaalf.

In het verhaal van de tweeënzeventig lezen wij merkwaardig genoeg dat zij gezonden worden: twee aan twee. Er zijn vele goede motieven voor deze goede raadgeving van de Heer. Zo kunnen zij elkaar wederzijds helpen, elkaar steunen bij ontmoediging en tegenslag. Zo kan de ene de andere uit de put halen, als die het niet meer ziet zitten. Zo kunnen zij elkaars goede geest zijn.

Fundamenteler gaat dit twee aan twee betekenen dat samenwerking essentieel is. Wie niet samenwerkt of niet kan of wil samenwerken, is niet geschikt voor het werk van de gezondene.

Uiteindelijk betekent dit twee aan twee dat je reeds vóór de zendingstocht de ene voor de andere vrede beoefent en vrede sticht, eten en drinken bent voor elkaar, dat je elkaars ziekte en last draagt en geneest. Dan kun je ook onderweg, twee aan twee, met je leven zelf gelovig en geloofwaardig getuigen dat het Rijk Gods nabij is.

Gezondenen zijn geen eenzaten, maar in principe mensen van twee aan twee.

Als van ons, priesters, gevraagd wordt het celibaat te onderhouden om vrij te zijn voor de Heer, dan moeten wij vanwege dit twee aan twee onderkennen en durven te stellen dat ook wij behoefte hebben aan vriendschap, aan geborgenheid, dat wij een lotgenoot, een zielsgenoot nodig hebben met wie wij innig verbonden kunnen zijn.

Voor de priester is dat vanzelfsprekend in de eerste plaats de collega met wie hij samenwerkt. Collegialiteit is van het grootste belang; collegialiteit, confraterniteit. Maar het twee aan twee kan ook, voor een stuk althans, worden ingevuld door de omgang of relatie met een ander, ook een niet-collega: een vertrouwenspersoon, een raadsman, een ouder, zus of broer, een jeugdvriend, de huisgenoot die zijn toeverlaat is voor de dagelijkse dingen en zorgen.

Zelfs in een klooster, dat prototype van de kerk als eenheid, als gemeenschap — de gemeenschap van de heiligen — is het nodig en goed dat mensen individueel op elkaar kunnen terugvallen. Dat hoeft niet direct het odium of de stempel te krijgen van een verdachte particuliere vriendschap. Het kan in alle openheid en transparantie. Het kán enkel in openheid en transparantie. Maar in elk geval is een gemeenschap niet de optelsom van eenzaten.

Aan het slot van het verhaal gaat het nog over de vreugde van de tweeënzeventig bij hun terugkeer. Zij lijken tevreden over hun werk en het resultaat ervan. Waarom ook niet, als dat goed is?

Maar voor de Heer is het ultieme criterium van vreugde niet het resultaat, maar de gelovige zekerheid dat zij in God geborgen zijn, dat hun namen zijn opgetekend in de hemel.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x