Jaar C, DHJ 13

Dertiende zondag door het jaar C – Lucas 9,51-62

Het eerste dat opvalt in het evangelie, is de zeer plechtige toon van het beginvers. ‘Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling naderden, aanvaardde Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem en zond boden voor zich uit.’ Op die wijze wordt de belangrijke beslissing om deze definitieve stap te zetten naar zijn bestemming toe in het licht gezet en extra onderstreept. Lucas maakt duidelijk dat na de episode van Galilea, hier het tweede deel van zijn evangelie begint: de opgang naar Jeruzalem.

Onmiddellijk daarna springt in het oog dat bij Lucas de reis langs Samaria verloopt, dit in tegenstelling tot Matteüs en Marcus, die Samaria juist met opzet mijden vanwege de breuk tussen joden en Samaritanen. Bij Matteüs en Marcus neemt de tocht naar de hoofdstad ook maar weinig tijd en tekstruimte in beslag, daar waar Lucas er tien hoofdstukken aan besteedt. Hij heeft daar uiteraard zijn bedoeling mee.

Lucas is namelijk tegelijk de auteur van de Handelingen van de Apostelen. Dit boek over de eerste kerk is opgebouwd als zijnde de weerspiegeling van zijn evangelie. Heel Jezus’ leven is één grote tocht náár Jeruzalem. Het verhaal van de kerk is één grote uittocht vanuit Jeruzalem de wijde wereld in. Het eerste tussenstation ná Jeruzalem is dan Samaria, waar het vlot tot een redelijk contact en begrip komt tussen de Samaritanen en de christenen, misschien wel omdat deze laatsten nu ook afgescheurde joden waren.

In zijn evangelie bouwt Lucas de spiegel retrospectief uit, doordat hij de reis naar Jeruzalem via een uitgebreide omweg door Samaria laat verlopen. Maar Jezus wordt er niet goed ontvangen, precies omdat Hij naar Jeruzalem wil. Wel zal de evangelist er werk van maken om die ongastvrije en dus niet graag geziene Samaritanen stilaan een wat betere naam te bezorgen, ter voorbereiding van Handelingen later. Dat verklaart waarom hij bijvoorbeeld een hoofdstuk later die prachtige parabel vertelt van de barmhartige Samaritaan. En zo zijn er nog wel enkele dingen. Tegelijk neemt Lucas deze zelfgecreëerde gelegenheid te baat om een aantal verhalen en gebeurtenissen te plaatsen die hij alleen vermeldt en die niet bij Matteüs of Marcus voorkomen: materie die trouwens tijdens de komende zondagsevangelies ruim aan bod zal komen.

Tot hier kun je het dagevangelie de start van de reis noemen. Wat nu komt, handelt over wat er verwacht wordt van hen die met de Heer Jezus mee de tocht naar Jeruzalem willen ondernemen, wat dit ook te betekenen zal hebben; wat er verwacht wordt van zijn volgelingen, van zijn leerlingen, van wie geroepen worden of zich geroepen voelen en weten.

Er worden als het ware drie casussen verteld die elk hun beslag krijgen in een soort spreuk.

Ten eerste: als je Mij wilt volgen naar Jeruzalem, weet dan dat vossen holen hebben en vogels nesten, maar Ik en dus ook jij, wij hebben niets van dien aard: geen dak boven en geen kussen onder het hoofd.

De volksmond heeft hiervan gemaakt: geen steen om zijn hoofd op ter ruste te leggen.

Tussen haakjes: niemand weet waar die steen van de volksspreuk vandaan komt. In geen enkele tekstversie komt hij voor. Wel zijn er plaatselijke gidsen die vandaag de dag pelgrims en toeristen de steen aanwijzen die Christus dus niet had om zijn hoofd op ter ruste te leggen…

Ten tweede: als je Mij wilt volgen naar Jeruzalem, laat dan de doden hun doden begraven. Want je moet totaal beschikbaar zijn voor het Rijk. Een kanttekening hierbij is dat de doden begraven een heel belangrijk voorschrift was van de joodse wet. Dat maakt deze spreuk des te moeilijker om te verwerken. Trouwens, kwam het aan op deze paar uren of deze ene dag uitstel?

En ten derde: als je Mij wilt volgen naar Jeruzalem, sla dan de hand aan de ploeg en zie niet meer om, naar niets of niemand meer. Want je moet totaal beschikbaar zijn voor het Rijk. Als je dan weet hoe belangrijk de familie, de clan was in de oude culturen in het algemeen en de Joodse cultuur in het bijzonder, dan is het duidelijk dat ook deze eis nogal wat ophef maakte.

Vergeet je thuis, vergeet je dierbaarste huisgenoten, maakt niet uit of ze overleden zijn en je verlieten, dan wel of ze leven en je hen verlaten moet. Vergeet je huis, je bestaan, je verleden en je heden. Vergeet al wat je menselijk gesproken dierbaar is, en allen aan wie je alle dank verschuldigd bent voor je leven. Dat is toch niet meer menselijk. Dat gaat toch sterk lijken op een onmenselijke godsdienst van een onmenselijke god.

Dat kan ook de bedoeling niet geweest zijn, zeker niet als je bedenkt dat dit komt uit de mond van Iemand die zelf dertig jaar lang rustig thuis was en dan zelf ook nog het moment uitkoos om op te stappen; van Iemand die zelf tegen het einde van de reis een omweg zal maken voor de begrafenis van een verre vriend; van Iemand die niet ongevoelig was voor het gezelschap van moeder en zusters om onderweg voor Hem te zorgen.

Ook wat de leerlingen betreft ging het er in de feitelijkheid niet zo drastisch toe. Zij gingen thuis niet weg, eens en voorgoed, maar keerden er regelmatig terug. Zij lieten hun familie niet achter zonder meer, maar bleven gehuwd.

Men mag van deze spreuken geen letterlijk te begrijpen voorwaarden maken voor het christen-zijn in het algemeen. De Heer heeft echt niet gewild dat men familie en vrienden, huis en gezin in de steek zou laten als conditio sine qua non voor een goed christelijk leven, integendeel.

Als het eropaan komt, als je ervoor staat, als het van je verwacht wordt, mag niets je afleiden van de hoofdzaak, zodat je keuze inderdaad radicaal is, onvoorwaardelijk, consequent tot en met. Dat is de boodschap.

Maar dat is zeker niet voor iedereen identiek. Elke roeping is anders.

Het betreft ook niet per se of enkel maar een eenmalige beslissing voor een heel leven. Het kan aan de omstandigheden gebonden zijn, het kan van de omstandigheden afhangen. Het kan veranderen. Het kan variëren. Soms wordt een christen helemaal opgeëist door zijn werk, soms door zijn gezin, zijn huwelijk in de enge betekenis, zijn kinderen; soms door een vriend in nood; soms door een vriend die zijn vreugde delen wil… en dan komt het eropaan er helemaal te zijn voor hen. Soms wordt een christen helemaal, tot levenslang toe, opgeëist door de verkondiging, door het dienstwerk, door de lofzang.

Dit kan een zeer brede interpretatie lijken van het evangelie. Toch kun je het niet eenzijdig opvatten, in die zin dat enkel priesters en kloosterlingen volwaardige volgelingen, leerlingen, christenen zouden zijn of kunnen zijn.

Zoals ze er staan, doen de evangelische spreuken ons echter wel sterk denken aan bepaalde strenge kloosterregels; die herkennen wij erin. Het is nog niet zo lang geleden dat binnentreden in een kloosterorde betekende dat een postulant letterlijk niets van of voor zichzelf had, geen enkele privacy, geen eigen kamer, zelfs in bepaalde gevallen geen eigen cel. Iedere familieband was van meet af aan verbroken. Zelfs voor de uitvaart van vader of moeder mocht de strenge-ordeling zijn klooster niet verlaten.

Gelukkig zijn die regels niet meer zo rigoureus. Terecht zijn ze versoepeld, vermenselijkt. Er zijn ook nog maar weinig mensen in onze kerk die van oordeel zijn dat dit een toegeving is die afbreuk doet aan de evangelische authenticiteit inzake de zogeheten hogere roepingen. Wij zijn ervan overtuigd dat dit niet zo is, dat er geen afbreuk gedaan wordt aan de essentie van de bijzondere roepingen, maar dat die essentie zelfs beter begrepen is naar de geest dan vaak vroeger het geval was bij de slaafse invulling van de letter.

Dat neemt de mooie parallel niet weg die je kunt trekken tussen de drie evangeliespreuken en de drie kloostergeloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid.

Het parallellisme tussen armoede en de eerste spreuk — niets hebben om je ter ruste te leggen — is vrij evident. Minder rechtlijnig is dat bij de andere geloften en spreuken. Maar in elk geval gaat het ook bij zuiverheid en gehoorzaamheid om de keuze zich niet te laten binden door welke band dan ook, zowel op het individuele of interindividuele, het affectieve of seksuele vlak als op het sociale vlak, het vlak van de gemeenschap van gelijkgezinden, van geroepenen, tenzij door die ene exclusieve en onverbrekelijke band met de Heer zelf en met de mensen met wie je door Hem en met Hem en in Hem verbonden bent.

De diepe zin en grote waarde van de kloostergeloften liggen besloten in hun tekenwaarde: dat mensen zich willen engageren tot een totale invulling van de evangelische roepingscriteria, niet omdat ze zich betere christenen wanen of zich zodoende betere christenen weten, maar omdat ze deze levenshouding in alle authenticiteit en eerlijkheid als een teken willen stellen van hun totale beschikbaarheid voor het Rijk; meteen trouwens als een teken van en een appel aan de inzet, de edelmoedigheid, de dienstbaarheid, de beschikbaarheid van zovelen in kerk en samenleving, ieder op zijn niveau, met zijn specifieke gaven en opgaven, hoe doodgewoon en onopvallend deze ook mogen lijken, maar even onontbeerlijk voor het Rijk.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x