Jaar C, DHJ 12

Twaalfde zondag door het jaar C – Lucas 9,18-24

De keuze van de zondagse evangelielezingen berust op twee principes. Ten eerste: het principe van de driejarige cyclus.

In het jaar A komt het Matteüs-, in B het Marcus- en in C het Lucas-evangelie aan bod. Johannes komt voor in alle drie de jaren, vooral in de sterke liturgische tijden, inzonderheid de veertigdagentijd en de paastijd.

Wat de gewone zondagen van de tijd door het jaar betreft, wordt een tweede principe gehuldigd: dat van de zogeheten semicontinue lezing. Dat betekent dat men de volgorde van ieder geschrift respecteert, dat men de tekst hoofdstuk voor hoofdstuk laat doorlopen, uiteraard met de nodige sprongen en weglatingen, omdat het anders veel te veel zou worden. Daarbij wordt er zo goed mogelijk voor gezorgd dat heel de materie ten minste één keer aan bod komt, over de drie jaren heen verspreid.

Sommige passages komen in alle drie de jaren voor. Dat wil dus zeggen dat het in de ogen van de liturgiemakers over belangrijke teksten gaat die het waard zijn om ieder jaar opnieuw onder de aandacht van de mensen te worden gebracht.

Dit is het geval met het evangelie van vandaag: de belijdenis van Petrus (hij Matteüs en Marcus gelokaliseerd in Caesarea Filippi) en de daarop aansluitende eerste lijdensvoorspelling.

In dit C-jaar is zoals gezegd Lucas aan de beurt. Vorige zondag lazen wij het verhaal van de boetvaardige vrouw die de voeten van de Heer heeft gewassen bij de maaltijd in het huis van Simon de farizeeër. Dat was het slot van hoofdstuk 7. Vandaag zitten wij reeds een eindweegs in hoofdstuk 9. Hoofdstuk 8 is bijgevolg integraal weggelaten, met nochtans bekende stukken als de parabel van de zaaier en de verhalen over de storm op het meer, de opwekking van het dochtertje van Jaïrus en de broodvermenigvuldiging: evenveel themata die elders op zondagen in andere cyclusjaren geprogrammeerd zijn.

Net zoals bij Matteüs en Marcus staan in het Lucasevangelie de belijdenis van Petrus en de eerste lijdensvoorspelling aan het einde van het eerste deel: het optreden van Jezus in Galilea. Deel 2 handelt over de reis naar Jeruzalem. Deel 3 over Jezus’ dagen in Jeruzalem, aansluitend bij zijn blijde intocht en al vlug uitlopend op zijn lijden en kruisdood.

Bij Matteüs en Marcus is het tweede deel veeleer kort en bestaat uit slechts enkele hoofdstukken. Bij Lucas zijn de drie delen om zo te zeggen even lang. Zonder hier en nu in te gaan op het waarom hiervan, kunnen wij zijn gehele structuur qua lengte van de tekst vergelijken met een schooljaar bij ons: een lang eerste trimester (de Galileaperiode), een bijna even lang tweede trimester (de reis door Samaria), en een kort maar uiterst belangrijk derde trimester (de Jeruzalemperiode) met inclusief de eindexamens.

Maar aan het einde van de eerste periode, het eerste trimester, zijn er ook examens, vroeger weleens partiële examens genoemd. Het zo belangrijke evangelie van vandaag heeft iets weg van een partieel examen. Er is maar één enkele vraag die Jezus zelf aan zijn leerlingen stelt: een vraag met twee luiken, a en b. Luik a: wie zeggen de mensen dat Ik ben? Luik b: wie zegt gij dat Ik ben?

Het antwoord van de mensen lijkt nagenoeg unaniem: een profeet. Hetzij de laatste in de lange rij van profeten, Johannes de Doper, hetzij de eerste, Elia, hetzij een van de vele andere oude profeten die is opgestaan. Het antwoord lijkt unaniem, maar daarom is het dat nog niet wat de bedoeling en de betekenis ervan betreft. En zeker is het daarom nog niet juist. Dat laatste weten wij trouwens uit het vervolg van het verhaal, waar het juiste antwoord gegeven wordt.

Maar unaniem is het in feite ook niet. Onder de mensen zijn er immers duidelijk die anti zijn, denk maar aan een aantal religieuze en politieke leiders. Zelfs zijn familie lijkt tegen Hem te zijn. En die bedoelen: een valse profeet, eentje die door de duivel bezeten is. Ze zochten naar middelen om Hem uit de weg te ruimen, heeft Lucas reeds verteld, zoals ze steeds met profeten hadden gedaan.

Onder de mensen zijn er ook pro’s of gaat het bij de meesten van hen heen en weer tussen ja en neen? Het is juist die vraag die zij zichzelf stellen: wie is die Man? Dan kun je van hen moeilijk zomaar een juist antwoord verwachten. Het zal wel een profeet zijn, zeggen ze. Daarmee zitten ze trouwens op het juiste spoor. Maar verder gaan dan dat durven ze niet.

Het antwoord van de leerlingen is zonder meer juist, overweldigend juist. Petrus, hun woordvoerder, durft het wel aan om verder te gaan. Gij zijt de gezalfde van God: Gods Christus, om het geëigende woord uit de Griekse tekst te gebruiken; Gods Messias, om dat woord op een even correcte wijze te vertalen.

Dat dit juiste antwoord er zo vlot en ondubbelzinnig uitkomt, wekt misschien wat verwondering. Misschien hebben ze wat examengeluk gehad, een goeie ingeving van het moment, van de Heilige Geest – waarom ook niet? In ieder geval: geslaagd zijn ze voor het examen. En toch krijgen ze hun diploma nog niet. Hij verbood hun het verder te vertellen. Eer zij daartoe het mandaat krijgen, zullen ze nog heel wat stage moeten lopen in de komende tijd, tot Pasen toe, tot Pinksteren toe.

Er is nog iemand die de examenvraag wil beantwoorden. Het verhaal dat aansluit bij de perikoop van vandaag is dat van de gedaanteverandering op de berg: Jezus’ verheerlijking op de Tabor. Daar weerklinkt de stem van de Vader zelf: dit is mijn Zoon, de Uitverkorene. Van bevestiging gesproken. Jezus echter bevestigt van zijn kant ook het spreekverbod, en wel om dezelfde redenen. De leerlingen moeten hun tijd afwachten, de tijd van de Geest.

Terug naar het verhaal van de dag. De vraagsteller, de examinator, Jezus zelf wenst op zijn beurt voluit zijn eigen antwoord te formuleren. De Mensenzoon, zegt Hij.

Gezalfde van God, Gods Christus, Gods Messias, mijn Zoon, de Uitverkorene, de Mensenzoon.

Jezus voegt er echter een wat meer gedetailleerde omschrijving aan toe. De Mensenzoon is Hij die veel moet lijden en ter dood gebracht zal worden, maar op de derde dag zal verrijzen.

In het paasverhaal van Lucas over het lege graf zeggen de engelen tot de vrouwen: ‘Herinner u, hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft: de Mensenzoon moet overgeleverd worden en aan het kruis geslagen, maar op de derde dag verrijzen.’

In het paasverhaal van Emmaüs zegt de vreemde metgezel die de leerlingen weldra als de Levende zullen herkennen: ‘Moest de Messias dit alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?’

Dat eeuwige ‘moeten’, die eeuwige ‘must’ die ons christendom zo moeilijk maakt, maar waar niemand omheen kan, in de eerste plaats de eerstbetrokkene niet.

Wist Jezus dat dan allemaal zo precies op voorhand? Allicht niet. De Mensenzoon is een mens maar geen supermens. Dit neemt niet weg dat Hij verstandig en logisch genoeg was om er zich van bewust te zijn dat dit niet goed kon aflopen.

Moest dat dan per se zo fataal en finaal zijn? En heeft de Heer zich daar zonder meer bij neergelegd vanaf het begin? Tot het laatste ogenblik heeft Hij het anders gehoopt. ‘Vader, laat deze kelk aan Mij voorbijgaan.’ Maar niet God, de mensen hebben er anders over beschikt.

Helemaal aan het begin van de daglezing staat dat Jezus aan het bidden was. Dat doet Hij vaker bij Lucas op cruciale momenten. Op zo’n moment zal door dat bidden zijn bewustzijn van wat komen moest, wel aangescherpt zijn vanuit zijn verbondenheid met en overgave aan de Vader, in consequente trouw tot het uiterste toe en tegelijk vanuit zijn onwankelbare vertrouwen dat dit niet op niets kon uitlopen, maar dat de Vader Hem zou doen opstaan uit de doden op de derde dag.

Aan het einde staat dan vrij plots: ‘Tot allen sprak Hij.’ Maar wie zijn dat, die allen? Er is toch niemand anders aanwezig dan de leerlingen? Als Lucas dat zo uitdrukkelijk inlast, dan bedoelt hij duidelijk dat de woorden die gaan volgen, de ruimte en de tijd overstijgen en gericht zijn tot alle christenen van zijn tijd, van alle tijden en van onze tijd.

Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om mijnentwil, zal het redden.’

Dat is het dagelijkse aspect van het eerdergenoemde moeilijke ‘moeten’ van ons christendom: onze ‘must’ die ieder moment aan de orde kan zijn. Zijn leven geven, dat is pas leven.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x