Jaar C, DHJ 10

Tiende zondag door het jaar C – Lucas 7, 11-17

Mensen hebben het moeilijk met de dood. Filosofisch gezien is het een probleem waar geen mens hét antwoord op weet: een levensgrote vraag die een levensgrote vraag blijft.

Mensen moeten de dood wel aanvaarden. Ze kunnen niet anders. Mensen leren dan ook leven met de dood: met de dood voor ogen, met de dood in ’t bloed. De ene mens heeft het er minder moeilijk mee dan de andere.

Ook al heeft een mens het, al naargelang van het geval, moeilijk of minder moeilijk met de dood van een andere mens, met het sterven van een bekende, een vriend, een familielid. Het maakt een verschil uit of het gaat over iemand die je amper kent dan wel iemand die je vriend was; een verre aanverwant dan wel je eigen vader of moeder; een oude vader dan wel een jonge moeder; een oudere moeder dan wel een jonge zoon of dochter of zus of broer; of een kind, een meisje van twaalf, een jongen van vijftien.

Als je vriend gestorven is, dan ben je bedroefd. Als je dochtertje op sterven ligt, voel je je machteloos en hopeloos. Als ze gestorven is, ben je wanhopig. Als je enige zoontje gestorven is en begraven wordt, dan rest je niets meer, dan ben je alles kwijt. Dat is geen leven meer voor die moeder, zeggen de mensen terecht, zeker als het om een alleenstaande vrouw gaat.

Naïm is een onooglijk dorpje op zowat tien kilometer van Nazareth. Het staat amper op de kaart, kun je zeggen. Het wordt ook nergens vernoemd in het Oude Testament, even zomin in het Nieuwe Testament, ware het niet in dit stukje Lucasevangelie van vandaag. Het is een gehucht waar niets te beleven valt, een gat, een doods geval.

Er woont een jonge weduwe in Naïm. Het is echt een plaats voor weduwen om er te wonen: aan de buitenste rand van de maatschappij. Juist haar overkomt het dat ze haar enige zoontje moet afstaan. Het kind is dood. Je kunt bijna evengoed zeggen dat de moeder zelf ook dood is. Zij heeft niets meer om in te geloven, niets meer om op te hopen, niemand meer om van te houden.

Het hele dorp deelt in haar leed. Ze zijn er allemaal bij om het kind te begraven. Letterlijk vertaald zegt de Griekse tekst: om hem ter aarde te bestellen. Het wordt niet in een rots ter ruste gelegd, zoals gebruikelijk in de joodse cultuur, maar in de aarde, onder de grond: begraven in de meest letterlijke betekenis. Kan het nog doder, kan het nog doodser?

Aan de poort van de kleine stad ontmoeten twee groepen mensen elkaar, twee talrijke groepen mensen, zegt Lucas. De ene groep zijn de dorpsbewoners rondom de weduwe en het dode lichaam van haar jongen: mensen van de dood. De andere groep zijn mensen van her en der in de omgeving, rondom Jezus en diens leerlingen. Hij is naar Naïm op weg, allicht om er zoals in alle dorpen in de streek van Kafarnaum, zijn woon plaats, zijn Blijde Boodschap te brengen, mensen met woord en daad bij te staan, hun zieken te genezen, de noodlijdenden levensmoed in te spreken en levenskracht te schenken. Hij is de Man van het leven. Zijn leerlingen en de groep mensen die bij Hem zijn, zijn mensen van het leven.

Aan de poort van de kleine stad vindt de ontmoeting plaats tussen dood en leven. Zullen ze aan elkaar voorbijgaan zonder elkaar op te merken, zonder aandacht te schenken aan elkaar? Allicht de dood blindelings voorbij aan het leven: daar is toch niets meer van te verwachten. Maar niet andersom: het leven kan niet langs de dood heen kijken.

Hoe zal de Levende, de Man die het voor de levenden opneemt, omgaan met de dood en de doden?

Toen de Heer haar zag, zegt het verhaal, kreeg Hij medelijden met haar. Hij was geraakt tot in het diepste van zijn hart. Hij weet van zichzelf dat als Hij degene is die komen moet, Hij dit niet aanvaarden kan, dat Hij daar iets aan doen moet. Zoals iedere mens aanvaardt Jezus de dood. Ook zijn eigen dood zal Hij aanvaarden, zijn kruis zal Hij opnemen. Maar deze ultieme perspectiefloze situatie, deze dood als einde van alles, aanvaardt Hij niet. Stop, zegt Hij. Sta op, zegt Hij. ‘De dode kwam overeind zitten en begon te spreken en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug.’

Mensen hebben het moeilijk met de dood. Met de dood van de ene medemens hebben zij het moeilijker dan met het sterven van een andere, al naargelang van de omstandigheden of de leeftijd.

Maar moeilijker dan dat, het moeilijkst van al hebben mensen het met het weer levend worden van wie gestorven is. Dat kán gewoon niet. Dat is tegen alle natuurwetten en wetenschap in. Een schijndood, dat komt voor, ja. Maar toen Jezus zoiets suggereerde bij het dochtertje van Jaïrus – zij slaapt, zei Hij – lachtten ze Hem uit. Mensen zijn niet van gisteren, als het op de dood aankomt.

En toch, er moet wel iets wonderbaarlijks gebeurd zijn bij die ontmoeting tussen dood en leven aan de dorpspoort van Naïm. Wat precies… wie zijn wij om het juist te weten. Maar ‘iets’ is zeker: iets ingrijpends dat leven en dood aangaat.

Naar het getuigenis van de evangelies heeft de Heer Jezus talrijke wonderen verricht: boze geesten bezworen en zieken genezen. Daar reeds hebben wij het lastig mee. Maar tot daaraan toe. Bij al die miraculeuze gebeurtenissen vindt het wonder plaats op de vraag van de zieke of – en dit gebeurt legio -op de vraag van vrienden of buren of verwanten. En het argument van Jezus om in te gaan op hun vraag is telkenmale hun geloof. Omdat gij geloofd hebt… of: uw geloof heeft u gered…

Dezelfde evangelische bronnen vermelden welgeteld drie wonderen waarbij Jezus een dode tot het leven heeft opgewekt. Alle drie de synoptici vertellen de opwekking van het dochtertje van Jaïrus. Enkel Johannes geeft het relaas van de opwekking van Lazarus, enkel Lucas doet dat van de jongen in Naïm.

Als je die verhalen goed leest, merk je dat hier niemand is die de Heer erom vraagt. Jaïrus vroeg wel om de genezing van zijn kind, maar nadat ze eenmaal gestorven was, had hij geen vraag meer. Dood is dood, zo weten de mensen. En het motief van Jezus’ tussenkomst is dan ook niet hun geloof. Dat is er niet, anders was er een vraag geweest. De overste van de synagoge, Jaïrus, moet Jezus bezweren zijn geloof niet te verliezen. Ook bij de zusters van Lazarus, Marta en Maria, is dat zo. Die zeggen wel dat ze geloven in de verrijzenis op de laatste dag. Maar Jezus moet ze oproepen om echt te geloven, dan zullen zij Gods heerlijkheid zien; toegegeven dat er bij hen al een zekere openheid daarvoor bestaat. Hier in Naïm is alles toe, potdicht, alles is hier doods; alle geloof is dood.

In alle drie de gevallen is Jezus’ motief zonder meer en duidelijk zijn eigen geloof in het leven, het leven over de dood heen, het leven dat nooit eindigt met niets dan een ultieme dood.

Sta op, jongen, zegt Hij. En de jongen ging rechtop zitten. In de Griekse tekst staat, letterlijk vertaald: hij ‘rees’ op; hetzelfde werkwoord wordt gebruikt voor Jezus’ verrijzenis.

Het verhaal van de opwekking van de zoon van de weduwe van Naïm is een paasverhaal, naar het einde toe van het eerste deel van het Lucas-evangelie, dat zich afspeelt in Galilea. Het nieuws ervan verspreidde zich als een lopend vuurtje over heel het Joodse land, zo staat aan het einde van de vertelling. Letterlijk: tot in Judea en omstreken toe. Daar zal Hij nu zelf heengaan. Daar zal Hij gedood worden aan het kruis. Daar zal Hij verrijzen.

In de Schrift vertaalt het Griekse woord `Kurios’ gewoonlijk de goddelijke naam van Jahwe in het Oude Testament. In de evangelies wordt  Jezus alleen maar in de verrijzenisverhalen met Kurios aangeduid en aangesproken. Het is de Heer, zegt Johannes tegen Petrus bij het meer van Genesaret.

Maar Lucas, alweer Lucas, gebruikt de term wel eerder, bijvoorbeeld hier als hij zegt dat Jezus medelijden kreeg met de weduwe, diep getroffen werd door haar leed. De Heer, Kurios = Kyrie, kreeg medelijden. Kyrie eleison. Zijn mensenliefde is voor de Verrezene, de Levende het motief om zijn levenskracht en levensmoed van in den beginne te delen met mensen, getekend ten dode toe.

De jongen rees op en begon te spreken en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug. Aan haar die zelf ten dode toe getekend was en die zonder perspectief als het ware zelf niet meer leven kon, gaf Hij het leven terug. De vrouw voor wie het leven geen leven meer was, gaf Hij opnieuw en in overvloed reden om te leven, wil om te leven. Haar jongen was niet langer dood.

Twee Jezuswoorden naar het einde van zijn leven toe:

Ik ben de Verrijzenis en het Leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven.

Vrouw, ziedaar uw zoon.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x