Jaar C, Derde zondag van Pasen

Derde paaszondag – Johannes 21,1-19

De dialoog tussen de verrezen Heer en Simon Petrus met als kroongetuige en verslaggever Johannes, de leerling van wie Jezus veel hield, is het merkwaardige kernstuk van het slot van het vierde evangelie: Petrus, aangesteld als herder van de kudde. Onmiddellijk aansluitend bij deze tekst stelt hijzelf de vraag die wij evenzeer stellen: ‘Wat met hem?’ Waarom ik en niet Johannes? Waarom wie als het eropaan kwam de Heer verloochende en niet wie trouw bleef tot onder het kruis? Het antwoord op onze vraag ligt zeker in de lijn van Jezus’ wederwoord aan Petrus toen: dat is uw zaak niet, dat is mijn zaak.

Roeping en uitverkiezing zijn de vruchten van Gods vrije keuze; ze zijn het genadewerk van de Heilige Geest en niet het gevolg van resultaten of verdiensten. Maar aangezien het om het slot van het evangelie gaat, moeten er in alles wat voorafgaat toch aanduidingen te vinden zijn die wat verheldering kunnen brengen in deze kwestie.

Soms hebben wij de vage indruk dat Petrus nogal dikwijls aan bod komt in de evangelieverhalen en Johannes wat minder. In de vier evangelies samen is er niet meer dan een twintigtal perikopen waarin Petrus met naam wordt genoemd; dat is zowat vijfmaal meer dan Johannes. Veel kun je dat niet noemen. Uiteraard worden hier buiten beschouwing gelaten de passages over de leerlingen: de veel talrijkere groep van twaalf. Laten wij het houden bij enkel het Johannesevangelie en dit even langslopen wat de episodes over beide apostelen betreft. Meer dan eens komen ze samen ter sprake.

Na de Proloog vertelt hoofdstuk 1 over Johannes de Doper die aan zijn eigen beste leerlingen Jezus aanwijst als de te volgen, ware Rabbi. Johannes en Petrus behoren tot de kleine groep allereerste vrienden van de Heer.

Maar dan moeten wij wachten tot het afscheidsmaal op wittedonderdagavond, vooraleer ze weer op het voorplan treden: Petrus bij de voetwassing, beiden bij het gesprek waarin de verrader ontmaskerd wordt, Petrus bij de voorspelling van zijn verloochening. Bij de gevangenneming wijst Jezus dezelfde Petrus terecht, omdat hij het zwaard trekt. Bij de scène van de verloochening ten slotte, nog steeds diezelfde avond, speelt ook Johannes een rol als de bekende in het huis van de hogepriester. Hierna verdwijnt Petrus van het toneel.

De balans van zijn optreden is niet van dien aard om hem hoog op de lijst te plaatsen van kandidaten voor het leiderschap. Johannes’ kandidatuur lijkt heel wat aannemelijker. Hem vinden wij terug onder het kruis. Het is de enige keer dat Jezus hem rechtstreeks aanspreekt om hem zijn Moeder toe te vertrouwen. Verder zegt de evangelist Johannes uitdrukkelijk van zichzelf dat hij er ooggetuige van geweest is, hoe de Heer Jezus aan het kruis gestorven is.

Het verhaal van paasmorgen vertelt hoe Petrus en Johannes samen naar het graf stappen om vast te stellen dat het leeg is. Johannes getuigt, van zichzelf dat hij zag en geloofde. Van Petrus wordt dat niet gezegd, kan het niet anders dan dat ook hij tot geloofsinzicht gekomen is, zij het iets later, zij het misschien zelfs eerder dan de andere, als wij uitgaan van Lucas’ en Paulus’ getuigenis dat de Heer het eerst aan Simon Petrus verschenen is. Na de verschijningen aan de leerlingen op de avond van de eerste en de achtste dag zijn wij aanbeland bij het verhaal van vandaag.

Nog wat Petrus betreft is het een interessante vaststelling dat hij verscheidene keren door Jezus rechtstreeks wordt aangesproken. In deze gesprekken wordt hij nooit bij zijn naam genoemd, tenzij die allereerste keer in het kennismakingsverhaal van hoofdstuk 1: ‘Simon, zoon van Johannes, gij zult Kefas, dat is Rots, worden genoemd’; en de laatste keer vandaag tot driemaal toe: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief?’ De evangelist zelf noemt hem vanaf het begin steeds Petrus of Simon Petrus. Dat is in elk geval wel een sterke aanduiding van zijn onbetwiste leiderschap in de jonge kerk; en dit op gezag van de zogezegde tegenkandidaat Johannes zelf.

Deze laatste noemt zichzelf nooit bij naam. Hij heeft het over de leerling van wie Jezus veel hield of die door Jezus werd bemind, de geliefde leerling. Niemand betwijfelt het dat de evangelist hiermee zichzelf bedoelt. Als andere evangelies het over hem hebben, vernoemen zij Johannes meestal als een van de zonen van Zebedeüs, maar niet als de geliefde leerling. Daarvoor moet zijn eigen getuigenis volstaan. En dat doet het ook, gelet op de diepe spiritualiteit en grote sereniteit die aan het vierde evangelie zo’n unieke geloofwaardigheid verlenen, inclusief aan het verhaal van vandaag met de bevestiging van Petrus in het herdersambt. Johannes zelf maakt zodoende een einde aan alle speculaties over zijn eigen functie en ambitie op dit vlak.

Daarmee is zeker niet gezegd wat bedoeld wordt met de omschrijving ‘de leerling van wie Jezus veel hield’. Ondanks zijn diepmenselijkheid is het vierde evangelie wars van alle gepsychologiseer en is zuiver afgestemd op het spirituele en theologische, op het geloofsgegeven als zodanig. Het gaat in deze uitdrukking geenszins over een emotionele band, een emotievolle voorkeur van de Heer voor een van de twaalf, in casu Johannes. Niet dat er iets mis zou zijn met een bijzondere vriendschap tussen twee mensen, maar de inhoud van de woorden ‘de leerling van wie Jezus veel hield’ is veel rijker en gaat veel verder dan dat.

Liefde is het kernbegrip van Johannes’ evangelie en boodschap. De liefde is in de eerste plaats de eigenschap die God typeert in zijn diepste wezenheid: God is liefde. Het is datgene wat God kenmerkt in zijn relatie tot zijn schepping: ‘Zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gezonden.’ De liefde is wat Vader en Zoon onderling verbindt: Ik en de Vader zijn één. De liefde is datgene wat de wederzijdse band uitmaakt tussen de Heer en zijn leerlingen, zijn vrienden (zelfs noemt Hij hen zijn kindertjes): ‘Zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben.’

Zo is de kring van de liefde gesloten. En Jezus’ leerlingen moeten erover waken dat hij gesloten blijft. Dan heet liefde trouw: trouw en genade. En als de kring toch door welke ontrouw dan ook doorbroken wordt, dan moet hij worden hersteld. Dan heet liefde berouw, berouw en barmhartigheid. In het laatste herkennen wij Petrus die Rots genoemd wordt en tot herder van de kudde aangesteld zal worden. In het eerste herkennen wij Johannes, de leerling van wie Jezus veel hield.

In deze context moeten wij die uitdrukking ook verstaan. De betrekkelijke zin, ‘van wie Jezus veel hield’, is zonder meer de omschrijving, de bepaling van wat een leerling is. Dat typeert de leerling meer dan wat ook: dat hij door de Heer bemind wordt. Het slaat op ieder van hen, op ieder van de twaalf, en niet alleen op Johannes. Deze eigent zich de mooie eretitel niet toe als een exclusief recht. Enerzijds wil hij zodoende uit nederige schroom anoniem blijven en anderzijds durft hij fier en zelfbewust uit te
komen voor de wijze waarop hij zijn leerling-zijn invult. Niemand betwist hem dit. Maar daarmee zijn wij wel mijlenver verwijderd van een privé-vriendschap op emotionele basis.

Uiteindelijk zijn wij toe aan de dialoog tussen de verrezen Heer en Simon Petrus, met als kroongetuige en verslaggever Johannes. De gebruikte beeldspraak verwijst duidelijk naar de parabel van de Goede Herder. De drievoudige herhaling is onmiskenbaar een allusie op de drievoudige verloochening. De scène in haar geheel is noch min noch meer de bevestiging van de kennismakingsscène uit hoofdstuk 1. Maar het meest opvallende in de tekst is toch de vraag, nooit eerder aan wie dan ook gesteld: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief?’, de eerste keer zelfs: `Hebt gij Mij meer lief dan dezen?’
Als Jezus dit aan Johannes zou hebben gevraagd, zou niemand daar graten in gevonden hebben: noch in de vraagstelling, noch in de geadresseerde, noch in het antwoord. Petrus echter is de uitverkorene van Gods vrije keuze. Het is en blijft duidelijk dat dit niet vanwege zijn verdienste is. Als dat de bedoeling van de vraag was geweest, dan had iedereen op voorhand geweten dat er een negatief antwoord moest volgen. Niet dat Petrus zonder enige verdienste zou zijn, maar zeker niet ‘meer dan dezen’, méér dan de trouwe leerling van wie Jezus veel hield.

De vraag is integraal toekomstgericht. De vraag betreft de toekomstige trouw van Petrus op basis van de barmhartigheid die hij ervaren heeft: de vergeving van zijn ontrouw en verloochening, hetgeen meer dan wat ook zijn verrijzenisgeloof, zijn verrijzeniservaring typeert, zoals die van Johannes gekenmerkt is door trouw en geloofsaffiniteit jegens de Heer.

De vraag betreft de toekomstige barmhartigheid van de herder van de kudde. Misschien suggereert Petrus’ uitverkiezing dat voor waarachtig leiderschap één ding van het grootste belang is. Trouw is er een conditio sine qua non voor. Barmhartigheid is er een kernkwaliteit van waar zowel in de jonge kerk en de oude wereldtijd als in onze kerk en de wereld van onze dagen, onschatbaar veel behoefte aan is.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x