Jaar B, Zesde Zondag van Pasen

Zesde paaszondag – Johannes 15, 9-17

Over de evangelist Johannes wordt een mooi vroom verhaal verteld. Het is een oud verhaal. En zoals het oude verhalen vergaat, worden die op een zeker ogenblik niet meer verteld, omdat men ervan uitgaat dat iedereen ze kent. Maar dat heeft net tot gevolg dat ze stilaan uit de herinnering en het geheugen verdwijnen en dat velen ze niet meer kennen.

Het verhaal dat bedoeld wordt, is het volgende. Als oude bisschop van Efeze predikte Johannes iedere zondag voor zijn gemeenschap; en telkens vertelde hij precies hetzelfde, één enkele zin: kindertjes, bemin elkander. De mensen vroegen hem of hij niet eens ter afwisseling iets anders vertellen kon; dat kon toch niet het enige zijn dat de moeite loonde.

Johannes beloofde dat hij volgende maal iets totaal nieuws zou aanbrengen. En toen het moment voor zijn preek aangebroken was, zei hij: kindertjes, bemin elkander. En, zegt het verhaal, de mensen hadden de les begrepen. Met die ene zin was alles gezegd wat gezegd moest worden. Die ene zin was steeds opnieuw helemaal nieuw.

Meer dan een mooi verhaal is dit uiteraard niet. De oorsprong ervan hoeft niet ver gezocht te worden. Johannes neemt de woorden van zijn Meester in de mond die hij Hem op de avond voor zijn lijden heeft horen uitspreken en die hij ervaren heeft als de allerbelangrijkste, zoals trouwens blijkt uit al zijn geschriften, in zonderheid de afscheidsrede naar het einde van zijn evangelie toe.

Vanaf de aanhef van deze afscheidsrede wordt duidelijk de toon voor het geheel gezet. Het is wat je kunt noemen: met de deur in huis vallen. Hoofdstuk 13, vers 34: de samenvatting van Jezus’ testament, de eerste formulering van zijn mandaat van de caritas.

Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben.

In de loop van de volgende hoofdstukken die samen de afscheidsrede uitmaken, wordt deze laatste wilsbeschikking van de Heer opvallend vaak herhaald, zij het in verschillende varianten en met verschillende klemtonen.

De zin uit de inleiding van het evangelie van vandaag wordt zogoed als letterlijk tot tweemaal toe hernomen. Vers 12: ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.’ En vers 17: ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt.’

In dit toch niet zo lange evangeliefragment komt tot negenmaal toe de term liefde – caritas – agape voor, als naamwoord of als werkwoord. Dat is net evenveel keren als in het epistel van de dag uit de eerste brief van Johannes. Zelden trouwens gelijken epistel en evangelie zo sterk op elkaar, zowel woordelijk als inhoudelijk.

Liefde! Wat een woord!

In hoeveel verschillende of gevarieerde betekenissen gebruiken wij het niet! Huwelijksliefde, moederliefde; kalverliefde, verboden liefde; naastenliefde, eigenliefde; verliefd zijn op elkaar, lief zijn voor elkaar; de liefde bedrijven, liefdoenerij, liefdadigheid…

Van de ene kant is het een versleten woord dat te pas en te onpas gebruikt en misbruikt wordt; verarmd en verengd tot de loutere relatie tussen twee, tussen man en vrouw, tussen twee mensen, tussen twee levende wezens; ingepast in één bepaald cultuurpatroon en één ideologisch model; ingepalmd door reclameglitter en de daarbij aansluitende commerciële belangen; toegespitst op uitsluitend of hoofdzakelijk lichamelijkheid en lustgevoelens, ofwel goed genoeg voor eender welke vage en vrijblijvende liefdoenerij.

Van de andere kant is het woord liefde tezelfdertijd een onverslijtbaar begrip: helemaal centraal in het hart zelf van het heelal. Daar staat het voor het eeuwige verlangen van de mensheid; voor de eigenheid en de kern van onze westerse beschaving; voor de verbondenheid van mensen onderling over alle grenzen heen, zelfs de grenzen van de dood; voor het diepste van je zijn en je toekomst, wie ik ben en wie ik worden kan; voor vriendschap en waarheid; voor honger en dorst en voor verzadiging en lafenis; voor creativiteit en droom; voor de grootste verwezenlijkingen ten bate van de mensheid en de kleinste attenties ten bate van elkaar.

In De Profeet van Kahlil Gibran staat een mooie poëtische parabel over ons thema:

Gisteren stond ik aan de hemelpoort en vroeg de voorbijgangers naar het geheim van de liefde.
Voor mijn ogen dwaalde een oude man voorbij, zijn aangezicht was
uitgeteerd en vol melancholie. Hij zuchtte wat voor zich uit en zei:
‘De liefde is een zwakheid van de natuur die sinds Adam en Eva wordt doorgegeven.’
Een krachtige jongeman gaf ten antwoord: ‘De liefde verbindt het heden met de toekomst.’
Hierop sprak een blinde man die zich tastend met een stok een weg baande: ‘De liefde is een nevel die ons het zicht beneemt. Zij verhindert dat de ziel het geheim van het bestaan te weten komt.’ Toen verscheen er een mooi jong meisje met rode wangen en zij zei met een glimlach: ‘De liefde lijkt op wijn die door de bruiden in de ochtend geschonken wordt; hij maakt sterke zielen nog sterker en stelt hen in staat op te stijgen naar de sterren.’ Na haar sprak een bebaarde, in het zwart geklede man die somber voor zich uit keek: ‘Liefde is de blinde onwetendheid waarmee de jeugd begint en eindigt.’ ‘Neen’, zei een vijfjarig kind lachend: ‘mijn vader en mijn moeder zijn de liefde, en behalve zij weet niemand wat liefde is.’

Het is een prachtig stukje literatuur, zoals het uitmondt bij de simpelheid zelf.

Wat ons betreft echter is het verhaal niet af. Toen kwam Johannes, de grote vriend daar voorbij en sprak: ‘Liefde is God. God is Liefde.’

Maar dat vinden mensen dan weer zo moeilijk, zo abstract, zo mysterieus. Mysterie, ja, maar abstract zeker niet. Integendeel, het is heel concreet en eenvoudig, enkel maar niet zo gemakkelijk onder woorden te brengen. Het diepste zelfgevoel, de diepste intuïtie van mensen, verstandelijk niet te bewijzen maar daarom zeker niet minder waarachtig, integendeel, niet te ontkrachten door rede of argument, is: zich – op zichzelf en met elkander – geschapen weten, gewild weten, geroepen weten, voorbestemd weten voor het geluk; kortom, zich ‘bemind’ weten, weten dat je ‘geliefd’ bent, er weet van hebben dat je ‘bemind’ wordt.

Daaraan meedoen, in die kring instappen is binnentreden in het geheim van de liefde.

En dat alles drukt Johannes mede uit met zijn gevleugelde spreuk ‘God is Liefde’. Nergens citeert hij met evenveel woorden het oude eerste gebod, ‘bovenal bemin één God’. Het is alsof hij, net zoals zijn collega Paulus trouwens, dat met opzet vermijdt, het niet aandurft deze formulering te hanteren. Dat vindt hij precies abstract, te moeilijk.

Want zo leg je het initiatief bij de mens, bij jezelf. En dat is vaak tot mislukken gedoemd. Dat leidt vaak tot vallen waaruit opstaan inderdaad heel moeilijk is.

Het initiatief ligt niet bij ons. Het initiatief ligt bij God. Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad. Dat is ook de eerste les – van Jezus’ nieuw gebod, zijn caritasmandaat, ‘Kindertjes, heb elkaar lief: dat wij Gods initiatief in volle dank accepteren, dat wijde mensenliefde van de Heer Jezus graag aanvaarden. Het logische gevolg daarvan is dat wij dit aan de ander, aan elk-ander doorgeven. Laat ons elkaar beminnen, want inderdaad de liefde is uit God.

Laat ons aan elkander met woord en daad doorgeven dat wij geschapen zijn, geroepen zijn, gewild en bedoeld zijn, voorbestemd zijn voor het geluk, dat wij bemind zijn, geliefd zijn.

Kom, laten wij geloven in de liefde.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x