Jaar B, Witte Donderdag

Witte Donderdag

De woorddienst van deze eucharistieviering omvat de beide kernverhalen van het avondlijke vriendenfeest, de dag voor Jezus’ lijden. Het verhaal van het Laatste Avondmaal wordt vaak opnieuw verteld, telkens wanneer eucharistie gevierd wordt. Het verhaal van de voetwassing is eenmalig voor Witte Donderdag, zoals het ook enkel voorkomt in het Johannes-
evangelie.
Het is een prachtigverhaal dat mensen aangrijpt en ontroert. Het bewijs daarvan wordt geleverd door het vrij unieke feit dat dit verhaal (zoals bijvoorbeeld ook de palmprocessie van vorige zondag) als een tableau vivant in de liturgie wordt uitgebeeld. En dat waar iedereen toch weet dat de voetwassing als handeling op zich weinig of niets te betekenen heeft. Van belang is datgene waarnaar het gebeuren wil verwijzen, waar het symbool
voor staat. –
Het is niet meer of minder dan een les aanschouwelijk onderricht van de Meester. Maar de les maakt de leerlingen zenuwachtig, ongemakkelijk: het is zo ongewoon, zo onlogisch, zo ongehoord.
Die ritus hoort niet thuis in hun kringen; daar moet je bij de betere standen voor zijn waar ze slaven hebben. En als het dan toch over die ritus gaat, dan wordt hij uitgevoerd door de verkeerde man op het verkeerde moment: het moest een staaf zijn aan het begin van de maaltijd, geen Meester halverwege of aan het einde.
Het protest van woordvoerder Petrus lijkt dan ook logisch: is dit nu een moment om spelletjes te spelen? Maar dan zegt Jezus: dit is niet zomaar
tjr. ti – LYULIJS
een spelletje. Als je het niet meespeelt, met de spelregels zoals Ik ze bepaal dan zijnde gevolgen voor jou bittere ernst, Petrus; dan word je uitgesloten uit de vriendenkring.
Dat doet de spanning nog wat stijgen. Ze is te snijden, alsJezus Opnieuw aan tafel is en het moment aanbreekt voor de nodige uitleg: begrijpen jullie wat dit spel wil zeggen?
Inderdaad gaat het niet over voeten wassen, ook niet in zijn ritueel bekende betekenis. Het gaat over een voorbeeld van leven en levenswijze
‘Als Ik, uw Meester, aan u dit dienstwerk verricht, hoeveel te meer moet dan gij van elkaar de voeten wassen.’
Voetwassing als voorbeeld, als symbool van broederliefde, dienstbaarheid, caritas, als ritus van het nieuwe gebod: ‘Heb elkander lief, zoals Ik u heb liefgehad.’
En aangezien dit voorbeeld gesteld wordt op zo’n belangrijk ogenblik, tussen eucharistie en kruis, wil dat zeggen dat dit gebod, dat de caritas, zogoed als de eucharistie en het kruis, tot de kern behoort van het christen-zijn.
Broederliefde, dienstbaarheid, caritas: kern van het christen-zijn. Maar wat is daar dan zo typisch christelijk aan, iets dat niet zou gelden of mogelijk zijn voor niet-christengelovigen? Het loont zeker de moeite even in te gaan op deze vraag.
Een eerste bemerking is dat dienstbaarheid, caritas niet synoniem is van georganiseerd maatschappelijk dienstbetoon. Geen maatschappij is zo perfect dat ze de broederliefde overbodig zou maken. Dienstbaarheid, caritas gaat boven dienstbetoon uit: als het niet meer hoeft, als het niet ‘moet’, als het niet van je verwacht wordt, als het niet meer per se ‘nodig’ is, als het gratis, belangeloos wordt…
Een tweede nuance gaat uit van Jezus’ woorden: ‘Gij noemt Mij Meester en gij doet dat terecht.’ Daar staat niet: gij noemt Mij wel Meester, maar dat ben Ik feitelijk niet, Ik ben uw dienstknecht. Neen, er staat: Ik bén uw Meester. En mijn dienstwerk is het meest typische kenmerk van mijn Meester-zijn, mijn meesterschap; caritas maakt er de essentie van uit. Ik ben niet de knecht, maar de meester van dienst. Dienst is niet beneden de waardigheid van de meester. Dienen is precies de waardigheid van de meester, van God, van de Christus, van de mens, van de mensen, van de
christenen.
Daarom moeten wij goed begrijpen wat Jezus bedoelt met ‘zichzelf
verloochenen’, zo vaak door Hem aanbevolen als synoniem van broederliefde. Het gaat niet om een afwijzing van ‘zichzelf realiseren’. Dat zou ingaan tegen de natuurlijke menselijke drang en behoefte, hem door de Schepper zelf in het hart gelegd.
1-liet gaat precies over zelfrealisatie van je roeping en je ambitie die slechts in christelijke zin zal lukken met de dienst als voorwaarde en doel: ten dienste van; om te dienen, niet om gediend te worden. De eerste zijn, de beste zijn… om de laatste, de dienaar van allen te worden. Zo goed mogelijk zijn, zo goed mogelijk jezelf worden om zo goed mogelijk ten dienste te staan. Zelfrealisatie wordt tegelijk bepaald door je mogelijkheden en begaafdheden en door de dienst die je ermee bewijzen kunt.
Een derde, misschien minder gebruikelijke beschouwing is dat diezelfde caritas ook een aspect van wederkerigheid inhoudt: dienst en wederdienst, liefde en wederliefde. Maar in eerste instantie zijn wederdienst en wederliefde geen kwestie van tegenprestatie, maar wel van dankbaarheid:
dankbaarheid metterdaad.
Dank ontvangen is nooit voorwaarde om christelijk dienstbaar te zijn,
maar dank betuigen is een essentieel aspect van de caritas ten aanzien van het dienstwerk dat een ander aan je verricht. Wie niet dient, behoort niet tot Jezus’ leerlingenkring Maar de Petrusepisode indachtig, je sluit je evenzeer buiten de vriendenkring, als je de dienst van de meester weigert. Je moet je laten bedienen, je hebt het nodig, je kunt niet zonder.
Dankbaarheid metterdaad. Dat wil zeggen: er werk van maken en ervoor zorgen dat het dienstwerk dat je ontvangt, gedijt.
Mensen willen als ze iets gekregen hebben, meestal iets terugdoen: uit dankbaarheid of ten minste om niet ondankbaar te lijken. Dat is mooi en
prijzenswaardig.
Maar zoveel christelijker is het een geschenk zonder meer in dank te
aanvaarden, er oprecht blij mee te zijn, ermee te pronken, ermee te woekeren, ervoor te zorgen dat het dienstwerk gedijt.
Je laten wassen en er dan voor zorgen dat je een mooi mens blijft. Je laten verzorgen en dan erover waken dat die zorgen goed aan je besteed
zijnen datje als het je gegeven is, een gezond mens blijft. Je laten Onder richten en ervoor ijveren dat je een wijs mens wordt of blijft. Je laten A en en dan de juiste richting blijven uitgaan.Je laten bedienen en er vol0 van genieten. Je laten zegenen en de ontvangen zegeningen uitdragen
overal om je heen.
Zo bezien is caritas een rijk humaan en sterk christelijk geïnspfre mensenwerk; maar (zeggen wij maar: gelukkig) evengoed in praktijk te brengen door niet-christenen als (jammer genoeg) te veronachtzamen door wie zich christenen noemen. Om ten volle van christelijke caritas te spreken, caritas als christelijke deugd, zijn er nog enkele criteria die wij evenzeer uit de voetwassingsles kunnen leren.
Een eerste criterium is de betrokkenheid van de caritas op de persoon van Jezus Christus. Hij is het argument van ons dienstwerk, van onze liefde. Dat is anders dan het argument van het menselijke gevoelen: aantrekkelijkheid, aanhankelijkheid, charme, menselijke bewogenheid, goedheid, altruïsme, hoe mooi ook en hoe vanzelfsprekend te integreren in de caritas. Het argument echter van het christelijke dienstwerk is (daarenboven): dat wij zijn leerlingen zijn en dat wij daarom in elkanders dienst
staan.
De samenhang en het gevolg daarvan zijn de mogelijke consequenties van het kruis, het offer: trouw aan de caritas, aan de liefde, tot het uiterste toe. Wij zoeken of koesteren het lijden niet, maar wij vluchten er ook niet voor weg vanuit het gelovige weten dat liefde én kruis samen deel uitmaken van het éne Christusmysterie.
Een tweede criterium is de betrokkenheid van de caritas op de gemeenschap van de leerlingen, de kerkbetrokkenheid. Het gaat niet enkel of in
de eerste plaats over een individuele zaak of een individuele realisatie,
maar veeleer over het toebehoren tot en samenwerken in eenzelfde groep gelijkgezinde leerlingen-die-elkaar-liefhebben.
Caritas kan niet voorbij aan kerk. Dat betekent geenszins dat caritas enkel binnen de kerk mogelijk is en erbuiten niet. Het betekent veeleer andersom: dat de kerk niet voorbij kan aan de caritas; dat datgene wat kerk is – structuren en organisatie, belijdenis en cultus, hiërarchie en traditie, actie en contemplatie – slechts christelijk zinvol wordt en beant woordt aan het verlangen van de Heerjezus, indien het geheel en de delen
gebouwd zijn op de steenrots van de caritas.
– Ten slotte is er als derde criterium de diepe band tussen dienstwerk
en eucharistie: voetwassing en avondmaal als elkanders voorwaarde en doel- Het ene ontvangt zijn zin van het andere. Het ene geeft zin aan het andere. Er is geen voorrangsregeling. Beide zijn voor elkaar en voor de wereld: teken van een nieuw verbond, teken van een nieuw gebod.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x