Jaar B, Vierde Zondag van Pasen – Roepingenzondag

Vierde zondag van Pasen – Johannes 10,11-18 – Roepingenzondag

Tijdens de paastijd is de eerste lezing steeds een tekst uit de Handelingen van de Apostelen. Het Oude Testament komt in deze periode liturgisch dus niet aan bod, de psalmen uiteraard niet te na gesproken. De zondag van de Goede Herder is een aangewezen gelegenheid om toch, zij het dan in een homilie, wat meer oog te hebben voor het eerste verbond, omdat het beeld van de Goede Herder slechts goed begrepen kan worden tegen de achtergrond van de oude Bijbel. De herdersthematiek loopt er als een rode draad dwars doorheen.

Nergens vind je daar een spoor van de wat gevoeligere romantiek die wij rondom het beeld of de beeldspraak van de Goede Herder geweven hebben. Voor de gelovige Israëliet, voor de mensen van Jezus’ tijd waren kudde en herder een bekend en actueel gegeven, niet iets dat behoorde tot de goede oude tijd, tot een uitgestorven verleden waar je met wat heimwee aan terugdenkt, maar wel iets dat integraal deel uitmaakte van de veeleer rauwe alledaagse realiteit.

Het thema van de herder dat door de Schrift aan die realiteit ontleend is, heeft alles te maken met Israëls geloof in de bestendige bescherming van Jahwe de Heer. Het loont de moeite om op deze zondag de Bijbel eens na te slaan, te beginnen met als uitgangspunt en centrum de bekende en geliefde herderspsalm bij uitstek, Psalm 23.

De Heer is mijn herder,
mij zal niets ontbreken.
Hij wijst mij te liggen
in grazige weiden.
Hij voert mij naar wateren der rust,
Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen.
Hij leidt mij in sporen van waarheid
getrouw aan zijn naam.
… …
Zo zijn dan geluk en genade om mijn schreden
al de dagen mijns levens.
Verblijven mag ik in het huis van de Heer
tot in lengte van dagen.

De beeldspraak van kudde en herder vindt zijn oorsprong in de herinnering aan de woestijntocht, toen de Heer zijn volk uit Egypte door de Woestijn heen heeft geleid naar het land van belofte: als een herder zijn kudde.

Psalm 78 is niet wat men noemt een herderspsalm. De titel erboven in de Willibrordvertaling luidt: ‘Israëls geschiedenis, spiegel van Gods handelen.’ Vers 51 en volgende zijn typisch voor de thematiek die ons hier bezighoudt.

Hij trof alle eerstgeborenen in Egypte,
de eerstverwekten in de tenten van Cham;
maar zijn volk liet als schapen Hij uitgaan,
ging hun kudde voor door de woestijn;
veilig leidde Hij hen – niets te vrezen! –
had de zee niet hun vijand bedekt?

Als Jezus zichzelf de Goede Herder noemt, dan moeten wij dit beeld voor ogen houden, niet zozeer met op de achtergrond zijn weldoende rondgaan door dorpen en steden, als wel zijn Pascha, ons paasgeloof: uit de slavernij van het uitzichtloze door de dodende zee heen, opgestaan tot leven. De parabel van de Goede Herder is een paasparabel, zoals Psalm 23 een paaspsalm is. Deze zondag is voluit een paaszondag.

Aan het einde van de woestijntocht verneemt Mozes dat hij sterven gaat. Dan bidt hij tot zijn God dat deze voor Israël iemand zou aanstellen ‘die hen uitleidt en thuisbrengt’, zo lezen wij in het boek Numeri (27,17). ‘Anders wordt de gemeenschap van Jahwe een kudde zonder herder.’

Laat ons de net geciteerde heilsgeschiedenispsalm 78 er nog even verder op nalezen. Na het verhaal vanaf de uittocht tot aan het koningschap besluit de psalmist zijn gedicht met de vermelding dat Jahwe het leiderschap overdraagt aan koning David. Het gaat over verzen 70 tot 72.

Zijn knecht David: hem heeft Hij verkozen,
nam hem weg van de kooien der schapen,
nam hem weg achter de ooien,
om Jakob te weiden, zijn volk,
Israël – want het was zijn erfdeel!
En geweid heeft hij hen in oprechtheid,
met omzichtige hand hen geleid.

Als Jezus over zichzelf getuigt dat Hij de Goede Herder is, en daar expliciet aan toevoegt ‘dit is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen’, dan betekent dat voor Hem: een koningschap, een koninkrijk op de wijze van David, met als de twee criteria van zijn leiderschap: oprechtheid enerzijds, met omzichtige hand anderzijds. Oprechtheid, de waarheid, desnoods de harde waarheid; maar niet de harde hand, wel de hartelijke hand, de hand van het hart.

De profeten van de ballingschap, in het bijzonder Jesaja, zien de terugkeer uit Babylonië als een nieuwe woestijntocht naar het land van de belofte. In hoofdstuk 40, vers 10 zegt Jesaja: ‘Zie, daar komt Jahwe de Heer met gezag, en zijn arm verzekert zijn macht. Als een herder zo weidt Hij zijn kudde, in zijn armen vergaart Hij de lammeren en Hij tilt ze tegen zijn borst.’

Als Jezus zich de Goede Herder noemt, dan is het ons geloof dat in Hem de geschiedenis van de mensheid, onze geschiedenis, telkens opnieuw een keer zal nemen: van ballingschap naar terugkomst thuis, van vallen naar opstaan, van zonde naar verzoenende vergeving.

Maar, zo stellen daarna dezelfde profeten vast – hun woordvoerder is nu in de eerste plaats Ezechiël – de herders van Israël ‘weiden zichzelf’. Hun schapen buiten ze uit en die raken verstrooid over de gehele aarde. De kudde wordt geplunderd en valt ten prooi aan de wilde dieren.

Dan zegt Jahwe de Heer bij monde van zijn profeet: Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen… Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze een rustplaats wijzen… Ik zal over hen één herder aanstellen die hen weiden zal: mijn dienaar David. Die zal ze weiden, die zal hun herder zijn… Ik, Jahwe, zal hun God zijn en mijn dienaar David hun vorst… Zo luidt de godsspraak van Jahwe de Heer: gij zijt toch mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mijn mensen en Ik ben uw God.

En Jezus zegt: Ik ben de Goede Herder, de nieuwe, de door Jahwe beloofde, de enige, de waarachtige. Dat wil zeggen:

dat Ik voor hen die Mij zijn toevertrouwd, garant sta voor geluk en genade
(Zo zijn dan geluk en genade om mijn schreden
al de dagen mijns levens);
dat Ik garant sta voor leven, doorheen lijden en dood
(Zijn volk liet als schapen Hij uitgaan,
ging hun kudde voor door de woestijn);
dat Ik ervoor garant sta om in oprechtheid en hartelijkheid hen voor te gaan
(geweid heeft Hij hen in oprechtheid, met omzichtige hand hen geleid);
dat Ik garant sta voor heropleving, een nieuw begin, want voor verzoenende vergeving
(In zijn armen vergaart Hij de lammeren en Hij tilt ze aan zijn borst).

Mensen zullen zeggen: dat is prachtige Bijbelse poëzie; het kan eminente Bijbelse theologie zijn. Maar wat heeft het concreet te betekenen in deze moderne tijd van computer en hightech waarin wij leven? Is er een concreter, completer, moderner, universeler levensprogramma denkbaar dan dat van de oude psalmen, profeten en parabels? Dat wij in de voetsporen van de Heer Jezus, de verrezen Heer die ons tot leven wekt, voor elkaar garant staan voor geluk en genade;

dat wij voor elkaar garant staan voor leven ondanks lijden en dood, sterker dan lijden en dood;
dat wij ervoor garant staan met elkaar om te gaan in oprechtheid en met zachte hand, rechtlijnig en zachtzinnig;

dat wij ervoor garant staan telkens weer te kiezen voor verzoening en elkaar nieuwe kansen te gunnen, voor elkaar mensen van ontferming en vrede te zijn;

dat wij ons daarom met gelovige zekerheid geborgen weten in Gods vaderhart en in de liefde van de Goede Herder..

De parabel van de Goede Herder is een paasparabel. Deze zondag is ten volle een paaszondag. In de verrezen Heer zijn wij tot het leven geroepen. Onze roeping is het om zijn levensprogramma tot het onze te maken, de ene voor de andere, in de dienst van wie ons zijn toevertrouwd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x