Jaar B, vierde zondag van de Advent

Vierde zondag van de advent – Lucas 1, 26-38

In amper veertien dagen tijd wordt in de liturgie deze evangelietekst tot driemaal toe gelezen: op 8 december, feest van de Onbevlekte Ontvangenis, vandaag, op de vierde, de laatste adventszondag, en overmorgen opnieuw in het kader van de weekdagen vlak vóór Kerstmis, als ieder jaar het volledige eerste hoofdstuk uit Lucas aan bod komt.

Driemaal zo dicht bij elkaar! Het moet dus wel een belangrijk schriftfragment zijn.

Dat wordt bevestigd door het feit dat wij, nu weliswaar minder dan vroeger, de kernwoorden uit deze tekst tot vijftig keer per dag (en méér) hardop en vanbuiten herhalen: ‘Weesgegroet, Maria.’ Dat is vaker dan goedemorgen of goedenavond, want dat zeg je maar één of hooguit een paar keer per dag. Maar het weesgegroetje, dat bleef je herhalen, dat blijf je herhalen, dat dient om te herhalen: zo vaak dat je geen bewuste aandacht meer schenkt aan de betekenis van de woorden die je uitspreekt. En nochtans moet het een heel belangrijke en inhoudrijke Bijbelse begroeting zijn geweest. Meer dan dat: een hele boodschap.

Maria vraagt zich af wat die groet wel kan betekenen. Weliswaar kent zij als vrome joodse gelovige er de Bijbelse achtergrond van. Haar reactie betekent veeleer dat zij zich afvraagt of die boodschap met haar inhoud werkelijk voor haar bestemd is. En dat wordt door de boodschapper bevestigd.

Maar wij, wij kennen die boodschap niet als dusdanig; wij missen er de Bijbelse achtergrond van. Het loont nochtans de moeite ze even van naderbij te bekijken, ook al is dit geen eenvoudige opgave voor moderne christenen met hun Bijbelvrees van deze tijd. Ik nodig je uit je de inspanning van deze korte Bijbelreis te getroosten. Ze is de moeite waard.

De boodschapper heet een engel te zijn. Hij wordt met name genoemd: de aartsengel Gabriël. Driemaal treedt hij in de Bijbel naar voren, drie maal met hetzelfde hemelse bericht. De laatste keer: hier. je kunt zeggen: definitief, voorgoed. Hier gaat het om de Blijde Boodschap bij uitstek, de boodschap van de Engel aan Maria: de engel sprekend namens God, Maria luisterend namens de mensen, toen reeds Moeder van geloof en hoop.

Het vorige hemelnieuws dat Gabriël bracht, was eveneens de aankondiging van een geboorte, een evenzeer ‘onmogelijke’ geboorte. Slechts een enkele Bijbelbladzijde eerder heeft Lucas ons verteld hoe de priester Zacharias zijn dienst in de tempel van Jeruzalem verrichtte en met stomme verbazing, met stomheid geslagen werd, niet enkel doordat hem een engel verscheen, maar vooral om wat die hem te melden had: dat zijn onvruchtbare, hoogbejaarde echtgenote Elisabeth een kind zou baren. Inderdaad, even onmogelijk voor haar ‘als later voor Maria, de al te jonge, maagdelijke vrouw.

In de literatuur van het oude Oosten is de aankondiging van een wonderbaarlijke geboorte een courant gebruik, een apart literair genre: om op die manier de aandacht te vestigen op de belangrijkheid van de aanstaande boreling.

De Bijbel doet hetzelfde. Hier gaat het dan telkens over iemand die totaal aan God toebehoort en zal toebehoren, die door God helemaal aan de mensen geschonken wordt: Jezus, zoals Johannes de Doper, zoals vele anderen vóór hen.

Het gaat hier duidelijk niet over biologische feitelijkheden of biografische verslaggeving. Des te meer moet het ons dan wel opvallen met hoeveel zorg voor het detail de auteur zijn verhaal omringt: personages, lokaliteiten, data. Wie, waar, wanneer: het staat allemaal netjes op een rijtje, logischer, chronologischer dan menig andere Bijbelbladzijde.

Neem nu de data, je kunt ze als het ware natrekken.

Het verhaal wordt gesitueerd ‘in de dagen van koning Herodes’. Toen Zacharias’ tempeldienst voorbij was – zo’n priesterperiode stond kalendermatig vast; ze duurde ongeveer één maand – één maand dus na Gabriels bezoek, ging Zacharias naar huis. Enige tijd later werd Elisabeth zwanger.

In de zesde maand van haar zwangerschap – zeven maanden zijn dan verlopen sinds de aartsengel aan de priester is verschenen – is Gabriël er weer, bij Maria dit keer, niet in Jeruzalem, maar in het kleine stadje Nazareth. Als wij hierbij de negen maanden van haar eerste advent, haar blijde verwachting die nu begint, optellen, dan maakt dat samen (1+6+9) zestien maanden. Omgerekend zijn dat zeventig weken. Men voelt aan dat hier van een getallensymboliek sprake is: zeven van bijvoorbeeld de zeven scheppingsdagen en tien van bijvoorbeeld de tien geboden: 7 X 10 = 70. Zoals 7 heeft ook 70 alles te maken met voltooiing, voleinding, definitief zijn. Maar er is meer dan dat.

Lucas is zijn evangelieboek begonnen met uitdrukkelijk te stellen dat hij alvorens het te schrijven, alles vanaf het begin nauwkeurig heeft nagegaan en onderzocht: niet alleen de data, maar ook het Oude Testament bijvoorbeeld, en wat daarin betrekking heeft op het nieuwe dat hijzelf vertelt. Zo heeft Lucas zeker ook de profeten nagelezen, bijvoorbeeld de profeet Daniël, die wij enkel vaag wat kennen van een verhaal over de leeuwenkuil.

Het boek Daniël wordt gesitueerd zowat 150 jaar vóór Christus. Op een zeker moment beschrijft de profeet hoe geschokt hij was door het bericht van zijn oude collega Jesaja, dat over 70 jaar de tempel van Jeruzalem en de stad zelf in puin zullen worden gelegd. Ook dat is een symboolgetal, maar de boodschap zelf is niet minder reëel. Daniël vat ze op als voor heel binnenkort. Hij keert zich biddend tot God: ‘Wij hebben het verdiend, het is onze eigen fout en grote schuld. Maar Gij, Heer, luister toch, vergeef toch, zie toch naar ons om. Doe het omwille van Uzelf, Heer, want de stad en het volk dragen uw Naam.’

En de Heer beantwoordt Daniëls gebed. Hij zendt – voor de eerste keer – zijn bode Gabriël, die zich ook meteen manifesteert als de engelbewaarder van het geheim van de 70 weken. Namens God zegt hij: ‘Voor uw volk en uw stad is een termijn van 70 weken vastgesteld om aan de misdaad een eind te maken, om de zonde te doen verdwijnen, om het onrecht uit te roeien’: 70 weken om de definitieve doorbraak van het heil voor te bereiden; 70 weken om de stad van God, Jeruzalem – van oudsher voor het heil bestemd, maar wegens zonde en onrecht tot puin geworden – weer opnieuw op te smukken en te tooien voor de komst van de Koning.

Lucas moet dan ook het verband hebben gelegd met het Jeruzalem in puin dat hij kende: 70 jaar na de geboorte werd de tempel verwoest. Dit onzalige lot stond in schril contrast met de profetie van Daniël over de 70 weken. Of nog: in schril contrast met de beroemde adventsprofetie van bijvoorbeeld Sefanja: ‘Jubel, dochter Sion; Israël, juich! Verheug en verblijd u met heel uw hart, dochter Jeruzalem! De koning van Israël, Jahwe, is binnen uw muren. Vrees niet,Jeruzalem, uw koning is binnen uw muren, een reddende held.’

Voor wie zijn die woorden dan wél bedoeld? vraagt Lucas zich af. Voor de stad die ik ken, kan het niet zijn, want die heeft God definitief verstoten. Nochtans verraadt God zijn beloften niet. Het moet dus gaan over een ander, een nieuw Jeruzalem: in de persoon van de Moeder, Maria. Zij staat symbool voor Gods definitieve komst:

in haar aanhankelijkheid aan zijn plan: zie de dienstmaagd des Heren;

in de aanvaarding van haar taak en roeping: mij geschiede naar uw woord;

in haar enthousiaste dankzegging en lofzang: Magnificat!

Daarom is tot haar gekomen de boodschapper van het definitieve heil: Gabriël. Hij spreekt haar toe, hij groet haar met de woorden van Sefanja:

‘Verheug u, dochter Jeruzalem, uw koning is binnen uw muren.’ Op haar maat gesneden is dat: ‘Verheug u, begenadigde dochter van de Vader, de Heer is met u, de Heer is in u.’

En wij, wij zeggen en herhalen, omdat die woorden dienen om herhaald te worden: ‘Weesgegroet, Maria…’

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x