Jaar B, Vasten II

Tweede zondag in de veertigdagentijd – Marcus 9, 2-10

Een Vlaamse schlager van meer dan een halve eeuw oud zingt ‘Op de bergen wil ik zijn met mijn jodelrefrein.’ Velen zullen dat liedje wel niet meer kennen, maar enkel reeds de titel doet mensen denken aan en dromen van vakantie, bergvakantie, krokusvakantie bijvoorbeeld. Denken aan de heerlijke vergezichten en dromen van de unieke hoogtesensatie. Je voelt je een ander mens, onbekommerd, vrij. Je voelt je onbezoedeld als de lucht, stralend als de zon, wit als de sneeuw. Je voelt je als het ware van gedaante veranderd: helemaal jezelf geworden, zoals je bent en bedoeld bent.

Het is opvallend hoeveel en hoe graag de Bijbel op de berg vertoeft. De ontmoeting met de machtige natuur als een symbool van de ontmoeting met de almachtige Bovennatuur: de ontmoeting met jezelf-alleen die kan doorstoten naar een ontmoeting met de gans Andere, God.

De eerste lezing verhaalt van Abrahams beroemde klimpartij. Het was een ware levensbeproeving. Alles riskeerde hij te verliezen: zijn eigen leven tot daaraan toe; maar dat van zijn zoon: de zoon van de belofte, zijn enige, zijn hele toekomst. Bovenop de berg maakt Abraham een unieke hoogtesensatie mee. Hij doet de ervaring op van zijn leven: dat zijn God een God van mensen, een God van levenden is. Als Abraham op Bijbelse ski’s weer naar beneden glijdt, glijden in zijn spoor niet enkel Isaak, de zoon van de belofte, maar een heel nageslacht van godskinderen, talrijk als de zandkorrels op het strand.

In die tijd nam Jezus enkele intieme vrienden mee voor een bergwandeling. Hij verlangt naar wat stilte en rust te midden van alle drukte. Hij weet wat die ervaring in de hoogte Hem te bieden heeft.

Zijn vrienden zien Hem, van gedaante veranderd. Of veeleer, zij zien Hem in zijn ware gedaante, zoals Hij is, helemaal zichzelf: onbezoedeld als de lucht, stralend als de zon, wit als de sneeuw.

Jezus van Nazareth met de duidelijke trekken van de verheerlijkte Messias, Gods Zoon.

Maar evenzeer en evengoed andersom: Gods Uitverkorene, de Welbeminde, met de trekken van de lijdende dienstknecht: Jezus van Jeruzalem.

De vrienden merken dat er twee bezoekers zijn, twee illustere bergbeklimmers van het eerste verbond: Mozes en Elia.

Mozes, de man van bergop en bergaf: bergop voor de strijd met Jahwe ten gunste van zijn volk; bergaf voor de strijd met het volk om het te behoeden in de trouw aan Jahwe.

Elia, de eerste van de profeten, die voor zijn zware taak en het risico ervan op de vlucht was geslagen, maar door Jahwe werd teruggevoerd tot boven op de berg, naar de bron, de oorsprong, de roeping; teruggevoerd naar het besef, de ervaring en de aanvaarding van zijn opdracht; de ervaring dat een profetenopdracht vol risico’s is, maar dat ze niet te ontvluchten is.

Zij onderhielden zich met elkaar, zegt het verhaal. Waarover ze het hadden? Dat lijkt nogal duidelijk: over bergbeklimmen, over hoogtesensatie en over weer naar beneden toe, waar het uiteindelijk te doen zal zijn. Over het onvermijdelijke risico van de profetentaak: het lijden van de Dienaar; over de priestertaak van de Geroepene: bidden tot de Heer voor het volk; over het apostolaat van de Gezondene: om namens de Heer met woord en daad bij zijn volk te zijn.

En dan komen de wolk en de stem. Dit is mijn Zoon, de Welbeminde.

De evangelist valt in herhaling. Aan het begin van zijn verhaal, bij de Doop in de Jordaan waren dezelfde wolk en dezelfde stem er, toen Jezus voor het eerst zijn opdracht ervoer en aanvaardde.

Tussen de Doop in de Jordaan en de gedaanteverandering op de Tabor in is heel wat gebeurd. Hij is in zijn land al weldoende rondgereisd. Hij predikte de Blijde Boodschap: bekeer u, het Rijk is nabij. De mensen gaan zich meer en meer afvragen: Wie is die Man? Wie is Hij toch die zo doet en zo spreekt? Hun verwondering mondt uit in de euforische belijdenis van Petrus: Gij zijt de Messias, de Zoon Gods.

Je hebt gelijk, zegt Jezus, dat ben Ik. Maar anders dan jullie denken. Kom maar eens mee de berg op om het te zien: puur als de lucht, stralend als de zon, wit als de sneeuw. Jezus van Nazareth met de trekken van Gods Zoon; Jezus van Jeruzalem met de trekken van de dienstknecht.

De Tabor is een nieuwe doopervaring, een hernieuwde taakaanvaarding. Een tweede maal de wolk en de stem: dit is mijn Zoon, de Welbeminde. Maar ditmaal voegt de stem er wat aan toe: luister naar Hem.

Wij willen luisteren, God, naar uw Zoon, de Welbeminde, graag, als Hij het heeft over recht en vrede en uw toekomend Rijk op aarde als in de hemel, over goedheid en erbarmen voor de kleine en getekende mensen die wij allemaal zijn.

Maar wij verstaan het niet meer, als het gaat over lijden en sterven en opstanding uit de doden.

Daarom is het een goede raad die Jezus geeft bij het naar beneden gaan: het maar voor ons te houden, er maar niet te veel over te spreken en te preken, alsof wij er alles van weten, maar eerder stil te worden en stil te blijven bij dat geheim, tot het moment dat wij er iets meer van begrijpen en ervaren, wat zeggen wil: opstanding uit de doden, het moment dat het voor ons, zoals eens voor Petrus en de vrienden, Pinksteren is geweest.

Bij Jezus’ sterven, als de weg van het risico ten einde is, als de strijd gestreden is en schijnbaar alles is mislukt…

Bij Jezus’ sterven is er opnieuw een berg, Golgotha; opnieuw een wolk, een donkere wolk die de aarde bedekt; opnieuw een stem: niet de stem uit de wolk, niet meer de stem van de Gekruisigde, niet de stem van Mozes of Elia, nog niet de stem van de vrienden, Petrus, Jakobus, Johannes maar de stem van de vreemde soldaat – wie heeft er naar hem leren luisteren? – ‘Deze is waarlijk de Zoon van God.’

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x