Jaar B, Vasten I

Eerste zondag in de veertigdagentijd – Marcus 1, 11-15

Het oudste evangelie is verreweg ook het kortste van de vier. Het citeert veel minder Jezuswoorden dan de andere, maar verhaalt wel een even ruim aantal Jezusfeiten. Soms echter worden aan bepaalde gebeurtenissen slechts enkele zinnen besteed waar diezelfde feiten door latere evangelies tot volwaardige en gedetailleerde verhalen zijn uitgewerkt.

Zo bijvoorbeeld wat wij noemen het verhaal van de bekoringen in de woestijn, de traditionele
evangelielezing trouwens van de eerste zondag in de veertigdagentijd.

Marcus’ versie is zo kort dat de liturgiemakers ze hebben aangevuld met het hieropvolgende Jezusfeit: het begin van zijn apostolaat van verkondigen en weldoende met mensen omgaan.

Marcus’ beknoptheid kan ons wat armoedig lijken ten overstaan van zijn collega’s. Anderzijds biedt zij het voordeel dat eigen is aan iedere beknoptheid: dat de dingen zodoende beter in hun context geplaatst, beter gesitueerd worden in het grote geheel. Daarom is het zelfs wat jammer dat de daglezing niet drie verzen eerder in het Marcusevangelie begint. Dan zou ‘dit’ mooie grotere geheel waarover wij het hadden, hier als dusdanig aan bod komen.

In verzen 9 tot 11 van hetzelfde eerste hoofdstuk wordt namelijk al even beknopt het Doopsel van de Heer verteld.

In die tijd vertrok Jezus uit Nazareth in Galilea en liet zich in de Jordaan door Johannes dopen. En op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen. En er kwam een stem uit de hemel: ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn Veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen.’

Daarop sluiten verzen 12 en 13 aan: Jezus’ beproeving in de woestijn; vervolgens verzen 14 en 15: het begin van Jezus’ optreden in Galilea.

Dit vormt inderdaad één geheel, want net zoals de liturgie iedere evangelielezing laat beginnen met de inleidende woorden ‘In die tijd’ (ook als dat niet in de oorspronkelijke tekst staat), zo begint vers 9 daadwerkelijk met deze introductie: ‘In die tijd’. Daarentegen begint de korte perikoop over de woestijn niet met die woorden, maar sluit aan op wat voorafgaat met het ene woordje ‘Terstond’. Terstond, dat wil zeggen: onmiddellijk na de Doop dreef de Geest Hem naar de woestijn. Diezelfde Geest die bij de Doop, amper enkele ogenblikken geleden, uit de hemel is neergedaald, drijft Hem terstond – op het eigenste moment – naar de woestijn.

Juist dat ene woord zorgt ervoor dat dit kleine geheel van drie Jezusfeiten aan het begin van het Marcusevangelie één drieluik vormt: drie dingen die je achtereenvolgens maar ook tegelijkertijd ziet, voor je ogen ziet gebeuren.

Het eerste paneel schildert de Doop: de investituur, de aanstelling, de benoeming, de roeping van de Heer Jezus met de drievoudige bekrachtiging ervan: vanwege de Doper, de profeet die optreedt namens de mensengemeenschap; vanwege de Geest, de inspiratie, de genade over Hem neergedaald; en vanwege de Vader, met woorden uit de hemel die nog meermaals in de loop van het evangelieverhaal zullen terugkomen: ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn Veelgeliefde.’

Een van de rijkste liedteksten van Willem Barnard brengt strofe voor strofe dit evangelisch drieluik onder woorden. Zó om te beginnen het eerste tafereel.

Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,
is leven van genade buiten de eeuwigheid:
is leven van de woorden die opgeschreven staan,
en net als Jezus worden die ’t ons heeft voorgedaan.

Het tweede paneel, het tweede tafereel van het drieluik.

De Geest inspireert Hem om naar de woestijn te gaan, drijft Hem van de Doop naar de woestijn: van de aanstelling, de roeping naar de bezinning. Door de Geest gedreven, ‘geestdriftig’ gaat Hij naar de woestijn.

Geestdriftig over zijn roeping, zijn taak, wil Hij ze van meet af aan confronteren met de eenzame werkelijkheid van het reële leven. Terstond na de Doop, meteen ook de vuur-doop.

De woestijn is de testplaats, de stageplaats, het levenslaboratorium. Je staat er alleen voor, helemaal op jezelf aangewezen. De Doper, de Geest en de Vader lijken verdwenen. In hun plaats is aangetreden: de satan, de tegenspeler, de aanklager; hij die er enkel maar is om het je moeilijk te maken; die alles verdraait en je zo in verwarring tracht te brengen. En verder zijn er nog wilde dieren en engelen: hallucinatoire nachtmerries naast zoetere dromen vol perspectief. Alle kwaad en alle goed komen tegelijk op je af.

Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,
is komen uit het water en staan in de woestijn,
geen god onder de goden, geen engel en geen dier,
een levende, een dode, een mens in wind en vuur.

Het derde tafereel.

Teruggekeerd uit de retraite volgt voor Hem het moment van de beslissing, de besluitvorming uit de bezinning over de roeping.

Ik neem mijn taak op, zegt de Heer, met alle risico’s eraan verbonden. Ik begin welbewust en definitief met de uitvoering van mijn levensprogramma. Gelouterd door de beproeving van de woestijn, de confrontatie met alle kwaad en goed, de confrontatie met de tegenspeler; zó gelouterd roep Ik het uit dat eenieder het horen kan, en Ik zal het bewijzen ook: het Rijk is nabij.

En daarna is Hij ermee begonnen al weldoende rond te gaan, de Blijde Boodschap te prediken: tot het lijden, tot het kruis, tot de verrijzenis, tot de verheerlijking.

Wij beluisteren het evangelie, wij bekijken dit drieluik van het begin van zijn leven waarvan wij zo in de ban zijn geraakt. En wij zingen: dat wij net als Jezus willen worden die het ons heeft voorgedaan.
Het drieluik van zijn roeping, beproeving, beslissing als een model voor ons: om een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd.

Er is onze roeping, onze taak, ons beroep, ons talent, ons ideaal.

Er is – terstond daarna, direct daarmee verbonden – onze woestijn, onze dagelijkse woestenij van alledaags tekort en alledaagse nood en pijn; onze dagelijkse strijd, nodig voor de loutering, noodzakelijk voor de uitzuivering van onze roeping, van ons ideaal.

De veertigdagentijd mag gelden als het symbool van onze levenslange strijd, als een gelegenheid, een genade om ons in te zetten en in te spannen, om niet aan het satan-tegendeel ten onder te gaan en om het veelal rauwe tegendeel van de realiteit niet weg te dromen maar in te rekenen in onze roeping, in ons ideaal.

Er is onze satan, er is het wilde dier in en rondom ons, er is de engel in ons, er zijn de engelen rondom ons.

Wat doen wij dan, na de woestijn? Wat zal ons besluit zijn? Voor welk levensprogramma zullen wij kiezen?

net als Jezus
of
net niet als Jezus

Net niet wil zeggen: een mens te zijn op aarde is één grote leegte en vergankelijkheid. Dus pluk de dag en de dagen en laat de rest je gestolen worden. Het heeft geen zin, er zit geen lijn in, er is geen doel aan. Net wél als jezus, dat wil zeggen:

Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,
dat is de dood aanvaarden, de vrede en de strijd,
de dagen en de nachten, de honger en de dorst,
de vragen en de angsten, de kommer en de koorts.

Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd
dat is de Geest aanvaarden die naar de Vader leidt,
de mensen niet verlaten, Gods woord zijn toegedaan,
dat is op deze aarde de duivel wederstaan.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x