Jaar B, Tweede Zondag van Pasen

Tweede zondag van Pasen – Johannes 20, 19-31

Al gaat het over twee verschijningen van de Levende aan zijn vrienden, de eerste zonder Thomas op de avond van de eerste dag, de tweede met Thomas erbij net acht dagen later, toch is dit evangelie duidelijk slechts één verhaal. Beide delen worden niet afzonderlijk, los van elkaar gelezen of verteld. Het is een dubbelverhaal, een tweeluik.

Het komt ook zo over dat de ontmoeting tweemaal identiek verlopen is met grotendeels dezelfde handelingen en dezelfde woorden. Ook al is Thomas er de eerste keer niet bij, hij is de volle deelgenoot van de elf in de vredesgroet, in de zending en in de geestesgave, evenals in de opdracht tot verzoening en vergevingsgezindheid die kan gelden als een heel belangrijk aspect van het caritasmandaat dat hier bevestigd wordt: heb elkander lief, zoals Ik u heb liefgehad; vergeef elkander, zoals Ik u vergeven heb.

Het verschilpunt tussen beide betreft Thomas, al dan niet aanwezig. De ongelovige Thomas, zo wordt hij in de volksmond genoemd. Tussen de eerste en de achtste dag in had hij zijn vrienden nog ontmoet, maar was van geen kanten te overtuigen geweest door hun verhaal: noch door Petrus en Johannes, noch door het geheel van de collega’s.

Hij moest alles zelf zien. Meer nog: ik zal pas geloven, zegt Thomas, niet als ik Hem zie, want in dezen vertrouw ik zelfs mijn eigen ogen niet; maar als ik mijn vinger in de nagelwonden van zijn handen kan leggen en mijn hand in de lanswonde van zijn zijde.

De ongelovige Thomas lijkt een terechte toenaam te zijn. Maar is zijn argwaan niet eerder een kwestie van gezond verstand dan van ongeloof? De zaken zijn ernstig genoeg om er niet zomaar overheen te gaan.

Laat ons wel terdege beseffen dat het hier gaat over iets dat veel fundamenteler is dan een anekdotisch ‘de eerste keer niet, de tweede keer wel’.

Hier wordt met name in het hart van dit dubbele verschijningsgebeuren – zowel op de eerste als op de achtste dag, op Pasen en beloken Pasen – het kruis centraal geplaatst. Dit moet ons hij de evangelist Johannes niet al te zeer verwonderen. Hij is toch degene die kruis en opstanding heel dicht bij elkaar plaatst. Voor hem zijn ze zo onafscheidelijk dat hij het kruis zelf de plaats en het uur van de verheerlijking noemt.

Als Jezus de eerste keer verschijnt aan de leerlingen, zonder Thomas, dan toont Hij hun zijn handen en zijn zijde. Zijn kruiswonden zijn dat. Op die manier brengt Hij het kruis aanwezig. Hij onderstreept niet enkel zijn volle mens-zijn, ook in de verrijzenis, maar tegelijk wil Hij hun euforie wat temperen en hen voor de realiteit plaatsen dat de verrijzenis het kruis nooit wegneemt. Toen niet. Nu niet. Nooit.

Thomas had blijkbaar deze vingerwijzing niet nodig. Integendeel, het kruis was de enige realiteit die hij kende en erkende. Jezus zegt tot hem: betast mijn wonden, je zult zien dat Ik het ben, de Gekruisigde.

Maar als de Heer daaraan toevoegt ‘Wees niet langer ongelovig, maar gelovig’, dan betekent dit dat Thomas niet mag blijven staan bij zijn ervaring van het kruis als laatste einde van alles, niet mag blijven steken in de mislukking en de ontgoocheling. Nu is het de tijd voor zijn paaservaring. De verrijzenis neemt het kruis niet weg, maar wel overstijgt zij het kruis naar een nieuw begin toe. Liefde is sterker dan de dood. Leven dat uit liefde opstaat, overwint de dood.

Wees niet langer ongelovig. Dat klinkt toch wel als een ernstig verwijt aan deze Thomas. In de Griekse tekst staat het zo niet: ‘Wees niet langer ongelovig.’ Letterlijk vertaald staat er geen woord minder of meer dan: word niet ongelovig, maar word gelovig.

Geloof en ongeloof zijn geen statische aangelegenheden van zijn of niet-zijn, van iets hebben of niet-hebben. Het is een continue dynamiek die gevoed en gedragen moet worden door de ervaring van de verrijzenis van de Gekruisigde. Zodoende word je, ieder moment opnieuw, ongelovig of gelovig. Het op zak hebben doe je nooit. Het is een zaak om telkens opnieuw aan te beginnen.

Gelovig worden is de opgave van iedere verrijzeniservaring.

Gelovig worden wil zeggen: van Thomas leren dat de Verrezene de Levende niet kan zijn, als Hij niet de Gekruisigde is.

Gelovig worden wil zeggen: met Thomas leren om omwille van de Verrezene niet bij het kruis te blijven staan, alsof er geen opstanding uit de doden geweest is, eens en voorgoed.

Gelovig worden is deze paaservaring steeds opnieuw omzetten in dagelijkse caritas, zoals brandstof door een motor omgezet wordt in energie.

Want ook hier is er duidelijk een verband met het mandatum van de broederliefde: heb elkander lief, zoals Ik u heb liefgehad.

Enerzijds zal wie liefheeft, vergeving schenken, zal in barmhartigheid en verzoening geloven. Anderzijds doet wie liefheeft, er alles aan om de realiteit van het menselijk lijden au sérieux te nemen en het te bekampen en te helen: in de wetenschap dat het er steeds zal zijn. En tegelijk in de overtuiging dat het telkens opnieuw te overwinnen is en dat liefde zin zal geven aan alle leven, hoezeer ook door lijden getekend.

Gelovig worden is dus de ervaring van Pasen, van opstanding, van leven uitbouwen tot en tegelijk op grond van barmhartigheid en daadwerkelijke bekommernis voor alle lijden om ons heen. Dat maakt de laatste artikelen van onze geloofsbelijdenis tot een volwaardig paascredo.

Ik geloof in de vergiffenis van de zonden. Ik geloof in de verrijzenis, de verrijzenis van het lichaam. Ik geloof in het leven, het eeuwig leven.

Gelovig worden is ten slotte deze zelfde paaservaring omzetten in overgave en dankbaarheid, in aanbidding en hulde, vanuit de overtuiging dat precies hierin en hierdoor onze paaservaring zelf wordt gevoed en bevestigd. Het kortste credo, het mooiste loflied ooit gezongen: mijn Heer en mijn God.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x