Jaar B, tweede zondag van de Advent

Tweede zondag van de advent – Marcus 1, 1-18

De advent is de liturgische tijd bij uitstek van verwachting en waakzaamheid:

verwachting van Gods naderende komst, het kerstfeest binnenkort, maar ook het onopvallende kerstgebeuren van iedere dag;

en waakzaamheid voor Gods onverwachte komen: Jezus, de Heer, maar ook de minste van de zijnen die onze weg kruist.

Het eerste woord van de eerste lezing, uit de profeet Jesaja (40,I-5.9-II), werpt een bijzonder licht op onze advent van verwachting en waakzaamheid, wat dan Gods antwoord en reactie betreft: troost! Want zo luidt de opdracht, aan de profeet gegeven. Troost mijn volk, zegt God. Troost mijn stad in puin, Jeruzalem. En mijn mensen die in ballingschap en verdrukking leven, spreek hun moed in.

Troost: iets dat elk van ons zijn leven lang nodig heeft, vaak en telkens opnieuw. Iets dat mensen voortdurend aan elkaar te bieden hebben.

Maar wat wij elkander bieden, is meestal slechts een halve troost, zo vlug en vluchtig. Wij zeggen: troost je, vriend, zo erg is het immers niet. Of wij zeggen: wat is het verschrikkelijk erg. En wij menen ze te troosten.

Hoe moeilijk is het om in ons goedbedoelde medeleven en medelijden de volle realiteit te eerbiedigen van onze medemens-in-nood. In het ene geval miskennen wij zijn verleden: zo erg is het niet. In het andere geval miskennen wij zijn toekomst: wat is het verschrikkelijk en hopeloos erg. Hoe moet het dan met ons troosten?

Volgens een oude joodse wijsheid kun je in de omgang met treurende en rouwende mensen twee dingen doen: je kunt in gesprek gaan en bij hen blijven, aandacht geven. Dat wil zeggen: je mag mensen hun verdriet niet wegpraten, niet het zwijgen opleggen. En je mag hen met hun verdriet niet alleen laten; ze moeten weten en voelen dat je naast hen staat en dat je deelt in hun leed.

Als wij in eigen hart kijken naar wat er gebeurt, wanneer iemand er werkelijk in slaagt ons te troosten in ons verdriet, dan merken wij twee dingen op: de situatie is niet gewijzigd en toch is er wezenlijk iets veranderd. De toestand blijft hachelijk, soms uitzichtloos en toch ervaren wij – hoe miniem ook – iets als een nieuw elan. De pijn is er nog steeds, het leed is niet geleden en toch is er ergens iets als een nieuwe kracht om het te dragen. Ondanks blijvend verdriet en onmacht ervaren wij een nieuw perspectief: een lichtje, een ademtocht. En wij noemen het: troost.

Troost is het gevoelen, de zekerheid zelfs, van in een groter geheel van leven en mensen thuis te horen dan enkel maar in eigen angst en ontgoocheling, ellende en droefheid.

God zendt ons zijn gezant, zegt de oude Schrift, om namens Hem ons te komen troosten. Troost is dan de ontmoeting, de confrontatie met Gods onbuigzame beslistheid om mensen gelukkig te maken. Troost is dan het visioen dat ons wordt voorgesteld van de nieuwe stad, de nieuwe mens, een nieuwe hemel, een nieuwe aarde. Meteen ook is het het besef van onze verantwoordelijkheid: het besef dat het tot onze mogelijkheden behoort om mee te bouwen aan de verwezenlijking van dat visioen.

In de advent gaat het volop over deze twee facetten van het éne toekomstgeloof:

– enerzijds dat God in ons leven komt, dat Hij telkens weer in ons bestaan binnentreedt om ons zijn vertroosting te bieden, om ons nieuwe levensmoed te schenken, om ons een nieuw perspectief te openen op waarachtig en duurzaam geluk;

– en anderzijds dat het onze taak, onze roeping en ons voorrecht is, dat het in ons volle vermogen ligt om deze bedroefde wereld van geweld en onrecht te troosten met een God-op-komst.

Maar als mensen dit lezen in de oude Schrift, troost het hen dan inderdaad? Of raakt het hen niet of amper? Als wij het in de liturgische viering horen voorlezen, als de kerk het ons toeroept, zoals de oude profeet: dat Gods komst nabij is, voor heel binnenkort, troost dat ons dan echt? Uiteraard ervan uitgaande dat dit minder een kwestie van gevoelen dan wel van geloof is, maar tegelijk dat wij mensen zijn van vlees en bloed?

Wij geloven niet dat mensen troosteloze wezens zijn, dat onze tijd een troosteloze tijd, dat onze wereld een troosteloze wereld is.

Want de hunker van mensen naar het naderende kerstfeest is nog steeds méér dan enkel het uitzicht op een beetje vakantie, méér dan alleen het uit-zijn op een beetje feesten en gezelligheid, méér dan de gretigheid naar wat geschenken en wat glitter. Het blijft voor velen, gelovigen en niet-gelovigen, een hunker naar het visioen waarbij ze zó graag zelf betrokken worden bij en medewerken aan de realisatie ervan.

De advent is de liturgische tijd bij uitstek van verwachting en waakzaamheid. Het is de gunstige tijd om ons toe te vertrouwen aan de vertroosting: de vertroosting van de boodschap van de oude Schrift en van het mysterie van Gods komst.

Begin van de Blijde Boodschap. Zo betitelt de evangelist Marcus het optreden van Johannes de Doper. Hij is het die de Blijde Boodschap begint: de laatste en grootste van de profeten, de eerste trooster van het nieuwe verbond.

De troost die hij aan de mensen aanbiedt, zijn eigenste stukje Blijde Boodschap, is een oproep in de woestijn, een prediking en een doopsel van bekering en vergeving. Is het geen existentieel troostvol geloofsgegeven dat bekering en vergiffenis onder mensen mogelijk zijn: voor jezelf en je vrienden en je vijanden; voor je heden en je verleden en je toekomst?

De grote troost die de Doper schenkt, is dat zijn doopsel van bekering en verzoening de garantie krijgt van Iemand die na hem komt: Jezus, de Heer. Die groter is dan ik. Die de zonde van de wereld draagt. Die zal dopen met de Heilige Geest.

En van de Geest des Heren geloven, belijden en zingen wij dat Hij de grote Trooster is.

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x