Jaar C, tweede zondag van de Advent

Tweede zondag van de advent – Lucas 3, 1-6

Vorige week vertelde ik dat de profeet Jesaja in deze advent niet aan het woord kwam en dat de evangelieteksten van de tweede en derde zondag telkens integraal gewijd waren aan Johannes de Doper. Dat is niet helemaal correct. De evangelist Lucas heeft er zelf anders over beschikt. Om de figuur en de prediking van Johannes toe te lichten citeert hij niet de Doper zelf, maar wel Jesaja. ‘De profetie die geschreven staat in het boek van Jesaja: een stem die roept in de woestijn: bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht.’

Deze tekst uit het begin van hoofdstuk 40 kennen wij als op-en-top adventstekst, gelezen in cyclus B. Maar er is een opvallend verschil tussen hier en daar, evangelie en profetie, al gaat dat verschil dan ook enkel over de plaats van een leesteken.

Bij Jesaja staat: een stem roept – dubbelpunt bereid in de woestijn de weg van de Heer. In Lucas’ citaat staat: een stem roept in de woestijn – dubbelpunt bereid de weg van de Heer. Is het de stem die in de woestijn roept, of is het de weg van de Heer die door de woestijn loopt? Of doet dat verschil niet ter zake en maken wij ons druk om niets? In ieder geval heeft de woestijn er iets mee te maken; met Jesaja, met Johannes de Doper, met de komst van de Heer, met de advent, net zo goed als met de veertigdagentijd, waar onze woestijn nog eerder lijkt thuis te horen.

In heel het verhaal van Oud en Nieuw Testament speelt de woestijn een niet weg te denken rol, gewoon al omdat Palestina, het land van het uitverkoren volk, het heilige land van Jezus, er zo door omgeven en doorvlochten is: geen zandvlakte zoals wij ons dat gewoonlijk voorstellen, maar een dor en droog kalkstenen en heuvelachtig landschap met veel kloven en spelonken waar mensen zich gemakkelijk kunnen verbergen of zich in de eenzaamheid terugtrekken. Johannes verbleef in de woestijn; en van daaruit was het niet ver tot aan de oever van de Jordaan, even voordat deze uitmondt in de Dode Zee.

Allereerst echter is de Bijbelse woestijn verbonden met de uittocht uit Egypte en de veertig jaar durende zwerftocht van Mozes’ volk, totdat het – ongeveer op de plaats waar eeuwen later de Doper optrad – de Jordaan zou bereiken en oversteken om aan te komen in het land van de belofte, niet ver van wat later de hoofdstad ervan zou worden, Jeruzalem.

Nu is natuurlijk de vraag wat dit met Jesaja of wat Jesaja met woestijn te maken heeft. Hij is toch een profeet uit de tijd van de ballingschap, honderden jaren later? Onze tekst van hoofdstuk 40 is te situeren naar het einde van de Babylonische gevangenschap toe, circa 550 voor Christus. De ballingen moesten worden aangemoedigd om erin te blijven geloven dat hun bevrijding nabij en hun terugkeer mogelijk was. En zelfs toen Babylon gevallen was en wie wilde naar huis terug mocht, moesten vele bange en uitgebluste volksgenoten worden overtuigd van de zin en de toekomstkansen van een moeizame terugkeer door kilometers woestenij heen naar een stad in puin die helemaal moest worden heropgebouwd.

In die tijd en om die reden ontstonden onverwacht nieuwe psalmen, bijvoorbeeld die nu tot de meest bekende en geliefde behoren. Wij denken aan Van Nuffels meesterlijke composities ‘Super fiumina Babylonis’ en ‘In convertendo Dominus’. Daarnet weerklonk nog; ‘Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn’: gedichten die pessimisme en wanhoop omtoveren tot hoop en optimisme.

In diezelfde tijd en om diezelfde reden stonden nieuwe profeten op, door de Heer geroepen. Zo is ook dit hoofdstuk 40 van Jesaja ontstaan. De profeet is aan het woord.

Troost mijn stad, zegt uw God, spreek Jeruzalem moed in. Ga zeggen dat de diensttijd om is en dat hun het juk van de schouders wordt genomen. Er is een stem die roept: baan in de woestijn een weg voor de Heer. Dan zal de glorie van de Heer zich openbaren en zullen alle mensen haar zien.

Gewoonlijk verstaan wij deze tekst heel in het algemeen als een profetie van de naderende komst van de Heer; en dat wij daarom wegbereiders moeten zijn. Maar de inhoud is zoveel rijker en betekenisvoller, als wij Jesaja’s woorden lezen en verstaan in de context van de terugkeer uit de ballingschap.

De profeet richt zich niet rechtstreeks tot de ballingen. Zeker zegt hij hun niet dat de Heer naar Babylon op komst zou zijn om hen te komen bevrijden. De profeet richt zich tot Jeruzalem. Troost mijn volk, zegt uw God, spreek Jeruzalem moed in. En dat doe ik dan ook, Jeruzalem, zegt de profeet: u troosten, u bemoedigen. Maar wat voor zin heeft het, zeggen de mensen, als de stad enkel nog een puinhoop is? De reden is duidelijk: de Heer is op komst.

Mensen van Jeruzalem, de Heer is op komst met allen die met Hem meetrekken, naar u toe, om samen de stad van de Heer opnieuw op te bouwen. Op deze poëtische, tot de verbeelding sprekende en indringende manier roept Jesaja de ballingen op om in terugkeer, in toekomst te geloven. De Heer zelf immers zal hen voorgaan op hun tocht door de woestijn. Zoals Hij ten tijde van de eerste exodus hun Leidsman is geweest, zo ook bij deze nieuwe uittocht naar het land van de belofte, naar de stad van de vrede.

Het is helemaal niet zo dat de profeet de ballingen oproept om in de woestijn wegen te gaan aanleggen. Wat zou dat voor een bevrijdende boodschap zijn? Wat zou dan het verschil uitmaken met hun slavendienst die net achter de rug ligt?

Integendeel, er is een heraut die voor u uit trekt, zegt de profeet: voor de Heer en zijn tochtgenoten uit. En die heraut roept wat hij roepen kan en rnobiliseert van alle kanten mensen om voor de Heer, en dus ook voor u, de wegen te effenen, zodat de tocht wel slagen moet. De weg wordt gebaand zal gebaand zijn tot in Jeruzalem toe. En heel de wereld zal er getuige van zijn, hoe uw Leidsman u thuisbrengt uit uw ballingschap in de stad van uw dromen.

Dit is de boodschap van de profeet Jesaja voor de advent, ook voor deze advent.

Niet: mensen, sloof u uit om via slafelijke inspanningen die uw krachten te boven gaan, wegen uit te houwen in een steendroog berglandschap voor een vreemde God die op komst zou zijn. Maar wel: mensen, geloof erin dat de Heer met u is, dat Hij de gans Nabije is, dat Hij het aanhoudend en steeds opnieuw voor u opneemt, dat Hij voor u uitgaat naar de toekomst toe, naar het leven toe.

Dit is de boodschap van Jesaja. Meteen is het het doopsel van bekering dat Johannes preekte met de woorden van Jesaja’s profetie.

Bekering. Bekering is niet zozeer een kwestie van schulddelging en boetedoening voor een straffende God, als wel in de allereerste plaats een kwestie van vernieuwd geloof en nieuwe hoop in genade en hemelse goedgunstigheid.

De weg is gebaand, zal gebaand zijn ten einde toe. Het volle adventsaccent ligt op thuiskomst: mensen die aan Gods hand, in Jezus’ voetsporen thuiskomen in het hart van het leven.

Advent is een tijd van hemels optimisme voor barre aardse realiteit, van een frisse gedurfde droom voor een bange mensheid zonder perspectief.

Zogezegd zouden wij het in deze advent niet hebben over Jesaja, omdat die in de lezingen niet aan bod kwam. Vandaag zou het integraal over de Doper gaan, aan wie het dagevangelie gewijd is. Dat lijkt dus niet helemaal te kloppen. Maar erg is dat niet. Want wat is het verschil tussen de ene en de andere, de profeet en de voorloper? Zijn ze niet veeleer allebei én profeet én voorloper?

Voorloper? Daar zeg je zoiets. Is dat dan toch niet die heraut die voor de stoet van de huiswaarts trekkende ballingen en hun aanvoerder uit loopt en zijn stem laat klinken – in de woestijn – dat er in de woestijn – een weg moet worden bereid voor de Heer en zijn reisgezellen tot in Jeruzalem toe.

Inderdaad gaat het ook daarover. Wij hebben onze tekst zeker niet helemaal verkeerd begrepen in de klassieke interpretatie ervan: dat wij wegbereiders behoren te zijn. Ook daartoe roepen Jesaja en de Doper ons op. Dat is de tweede betekenis van advent, van bekering.

De eerste is: geloven dat de levenstocht naar het geluk, hand in hand met elkander, mogelijk is, als wij onze hoop en ons vertrouwen stellen in de genade en de goede gunst van Godswege.

De tweede betekenis is: dat dit geloof en deze hoop daadkracht moeten krijgen; dat wij voor elkaar geen hinderpalen of struikelstenen zijn; dat wij tussen elkaar de bochtige en bultige paden effenen en rechttrekken. De komst van de Heer is een appel aan onze dienstbaarheid. Welzijnszorg is niets anders dan de spiegel van godsvertrouwen en toekomstverwachting.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x