Jaar B, Sacramentsdag

Sacramentsdag – Marcus 14,12-16.22-28

Als liturgie en eucharistie in één adem worden genoemd, als de eucharistie het hart van de liturgie genoemd mag worden, dan wil dat nog niet zeggen dat Sacramentsdag het grootste liturgische feest van alle is, hoe logisch dat ook moge klinken. Het liturgische feest bij uitstek is en blijft het paasfeest.

Onze liturgie identificeert zich in de eerste plaats met het vieren van de feiten, de gebeurtenissen van de heilsgeschiedenis. Gedenken wij dankbaar de daden des Heren, zijn leven, zijn dood en verrijzenis. Dat resulteert enerzijds in de uitbouw van het kerkelijk jaar als het grote liturgische kader met het paastriduüm als hoogtepunt: Goede Vrijdag, Stille Zaterdag, paaszondag; kruispasen, grafpasen, verrijzenispasen. Anderzijds resulteert dat in het geprivilegieerd statuut van de zondag, de dag des Heren, als wekelijks terugkomende paasdag. Het resulteert in de sacramentele liturgie als de existentiële actualisering van de heilsfeiten (gave van God in Christus aan de kerkgemeenschap), en in de gebedsgetijden als het antwoord van dankzegging en lofprijzing van het godsvolk.

Wittedonderdagavond maakt onlosmakelijk en integraal deel uit van het paastriduüm. Het is de gedachtenisviering van Jezus’ afscheid, als Hij tijdens de laatste maaltijd met zijn vrienden brood en wijn heeft geconsacreerd tot de tekenen van zijn Lichaam en Bloed aan ons gegeven, tegelijk de tekenen van zijn blijvende aanwezigheid onder ons. Voor alle eeuwen een teken ons gegeven van leven: sacrament van de verrijzenis, God die blijvend in ons midden is.

Het spreekt voor zich dat Sacramentsdag alles met eucharistie en Witte Donderdag te maken heeft. Dat wordt nog eens extra onderstreept door de evangeliekeuze van vandaag, Marcus’ verhaal van het Laatste Avondmaal. Maar Sacramentsdag valt buiten de heilshistorische kring van het kerkelijk jaar. Dáár is geen reden te vinden om Sacramentsdag te vieren op de tweede donderdag na Pinksteren. Daarbij komt dat de viering van het sacramentsfeest niet alleen getekend wordt door zijn liturgische inhoud en gestalte, maar vanaf het ontstaan in grote mate ook door de paraliturgische devoties. Laatstgenoemde maken om zo te zeggen deel uit van de eigenheid van het feest zonder in feite essentieel te zijn: de sacramentsprocessie en de aanbidding van het allerheiligste Sacrament.

Het sacramentsfeest is naar liturgische maatstaven ook geen oud feest. Het kerkelijk jaar met zijn hoogdagen gaat terug tot de kerk van de eerste eeuwen. In de vierde tot zesde eeuw bereikt de Romeinse liturgie haar hoogtepunt. Het sacramentsfeest is pas ontstaan naar de late middeleeuwen toe. Om welke reden is het toen ingesteld? Wat waren toen en zijn nu de bestaansgrond en de zin van dit soort duplicaat van Witte Donderdag?

De vrome geschiedenis verhaalt dat de heilige Juliana van Luik in het begin van de dertiende eeuw een visioen had. Zij zag een kleine zwarte vlek in de volle maan. Die volle maan was het symbool van de kerk, de vlek wees op het ontbreken van een feest: het feest van het allerheiligste Sacrament.

Maar dat feest is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Een visioen is geen losstaand feit op zich. Het bevestigt wat er leeft in brede kringen van de kerk. En daar leefde om welke reden dan ook het gevoel dat deze feestdag in de eredienst van de kerk ontbrak. Toen het eenmaal hier en daar werd gevierd, won het feest algauw de harten van velen. De kerk zou het in dezelfde eeuw nog erkennen en een kalenderplaats geven, zij het schoorvoetend en zonder veel enthousiasme. Hiermee echter is de vraag van het waarom en het waarom-toen nog niet beantwoord.

Wanneer ontstaat bij mensen de behoefte aan een nieuw feest? Dat is als zij aanvoelen en ondervinden dat iets of iemand het vanwege zijn waarde verdient om in het volle licht en in het centrum van de aandacht geplaatst te worden en dat dit niet of niet meer het geval is.

Was dit zo wat de eucharistie betreft? Officieel liturgisch zeker niet. Het kerkelijk jaar werd gevierd, Pasen werd gevierd, de zondag werd gevierd; en de kern van alle vieringen was meer dan ooit de eucharistie. Maar onder invloed van de groeiende formalisering en klerikalisering van de eredienst was deze vanaf de vroege middeleeuwen meer en meer volksvreemd geworden.

Tot dan toe was iedere aanwezige als lid van de gemeenschap volop actief bij het liturgische gebeuren betrokken. Van dan af veel minder. Tot dan toe bestond er geen spanning tussen sacramentele liturgie en volksdevotie. Ze inspireerden elkaar en vulden elkaar aan. Van dan af veranderde dit. Het vastleggen van vaste liturgische regels zal de behoefte aan buitenliturgische devotiepraktijken aanscherpen. Tegelijk werd daarmee de eredienst langzamerhand de zaak van de clerus alleen in plaats van een gemeenschapsgebeuren.

Het volk nam niet meer actief deel; het woonde bij, keek toe, maar voelde zich niet meer aangesproken door wat er plaatsvond. Ook kerk ruimtelijk groeide de kloof tussen clerus en volk, zodat om zo te zeggen letterlijk en figuurlijk het Heilig sacrament zo ver van de gemeenschap verwijderd raakte dat vele pastoraal-liturgisch bewogen mensen het dichterbij wilden brengen. Doordat de liturgie niet meer aansprak, zocht men naar paraliturgische praktijken die dat wel deden. Het hoeft geen betoog dat de sacramentsprocessie uitstekend binnen dit kader paste. Het eeuwenlange succes ervan hoeft ons niet te verwonderen, aangezien het bovengenoemd liturgisch formalisme en klerikalisme eveneens tot een verstarring hebben geleid die meer dan vijfhonderd jaar lang aanhield.

Iets anders is dat in de late middeleeuwen ook een nieuwe religieuze gevoeligheid ontstond die andere accenten legde dan de Bijbels-liturgisch geïnspireerde spiritualiteit tot dan toe. Het heilsmysterie werd minder beleefd als één dynamisch geheel dan als een statische veelheid van genadevolle heilsfeiten. De liturgie werd minder de gemeenschappelijke gedachtenisviering van het Christusmysterie dan wel een oefening van godsvrucht waarbij het centrale aandachtspunt het moment van de consecratie was. De opheffing van hostie en beker deed zijn intrede. Het stelde het volk niet enkel in staat om te ‘zien’, maar nodigde het tevens uit om in stille aanbidding uiting te geven aan zijn geloof in Christus’ aanwezig-
heid. Sindsdien is de opheffing een volwaardig liturgisch gebaar. Terecht. Aanbidding is een essentieel aspect van de viering. De aanbidding van het Allerheiligste ging daarenboven een eigen leven leiden buiten de eigenlijke liturgie om.

Sacramentsdag, hoogdag van sacramentele devotie waarbij de liturgie de sterke steun kreeg van deze beide paraliturgische geplogenheden van grote waarde en betekenis: de sacramentsprocessie en de aanbidding van het Heilig sacrament.

Wij zeiden dat het feest redelijk vlug door de kerk erkend en in de kalender opgenomen werd, zij het schoorvoetend en zonder veel enthousiasme. Dat had er natuurlijk mee te maken dat op die manier paraliturgie haast officieel bekrachtigd werd als een wezenlijk aspect van een liturgisch feest. In de oude christenheid zou dat geen probleem geweest zijn, maar toen wel. Men heeft het probleem deels ondervangen door het creëren van een heel mooi eigen misformulier en officie.

Wij zeiden ook dat de liturgie in haar volksvreemdheid en ritualisme eeuwenlang verstard is gebleven. Het is de onschatbare verdienste geweest van het tweede Vaticaans concilie om met zijn liturgievernieuwing hier een einde aan te maken. Liturgie is opnieuw gemeenschapsviering: mensen nemen actief deel, ze hebben een eigen inbreng, ze begrijpen de gehanteerde taal en kunnen zich dus aangesproken weten, als ze zich openstellen voor wat aangeboden wordt. Maar een eindpunt is dit niet. Er is nog veel werk aan de liturgische winkel. Dat is normaal, aangezien liturgie een levend iets is. De kerk verhoede dat de eredienst opnieuw vastroest tot aan een volgend concilie van binnen enkele eeuwen.

Men zegt dat het concilie heel veel dingen heeft afgeschaft, zo ook de sacramentsprocessie en de aanbidding (denk aan het ‘lof’ van vroeger). Dat is zeker niet zomaar het geval. Het maakt deel uit van de verdienste van de concilievaders dat zij paraliturgische gebruiken naar waarde weten te schatten en ze aanprijzen, op die ene voorwaarde dat ze geen voorrang opeisen op het liturgische, op het sacramentele zelf. Ze zijn niet essentieel. Een getijdengebed kan niet vervangen worden door een aanbiddingsuur. Een sacramentsprocessie kan niet in de plaats komen van een eucharistieviering. Waar is de tijd dat paus Leo XlII aflaten verbond aan het bidden van de rozenkrans tijdens de ‘stille’ gelezen mis?

Sacramentsdag: bijna een halve eeuw na het concilie. Het blijft een vreugde om het feest, met of zonder zijn paraliturgische bijzonderheden te mogen vieren. Het blijft ook vandaag het volwaardige eucharistische hoogfeest dat in de loop van de geschiedenis de devotie aan de liturgie geschonken heeft.

De boodschap van het feest en de devotiegebruiken eraan verbonden is dubbel: dat wij bij het vieren van liturgie in het algemeen en van eucharistie in het bijzonder – de lessen van de sacramentsprocessie en de aanbidding van het Allerheiligste indachtig – erover te waken hebben:

dat het steeds over een volks, een gemeenschapsgebeuren gaat, in casu van de eucharistie als een maaltijdfeest, waarbij de deelnemers actief betrokken worden en dat hun aanspreekt;

dat dit gebeuren niet zonder meer een intermenselijke aangelegenheid is, maar enerzijds een genadegave van de Heer en anderzijds een ontmoeting met de Heer; dat het dus inherent is aan de liturgische viering om Gods heilige naam te eren en Hem in waarheid te aanbidden.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x