Jaar B, Kerstmis II

Kerstmis – Lucas 2, 1-20; Johannes 1, 1-18

Rondom het kerstfeest hangt de sfeer van de idylle. Dat heeft alles te maken met het kerstverhaal, dat een aangrijpend en vertederend verhaal is.

Heel wat mensen gaan niet verder dan die idylle. Heel wat mensen die je niet direct gelovigen kunt noemen, blijven zich toch ieder jaar op de een of andere wijze graag en gretig bezighouden met ons verhaal. Voor hen is het vaak de laatste broze band met het mysterie en het visioen. Maar ook vele gelovigen blijven steken in de buitenlaag van het folkloreachtige, het sprookjesachtige van de vertelling.

Zij die dieper willen doordringen in de geheimen van de menswording, zijn weleens geneigd om hierop te reageren. Laat toch al dat traditionele kerstgedoe terzijde: de versierde kerstboom, de lichtjes en de kaarsen, de stal en de kribbe en de beelden en beeldjes, de talrijke verzen en liederen van eeuwenoud. Dat alles leidt toch alleen maar af van de kern, zoals Johannes die formuleert in zijn evangelie, zijn Proloog, zíjn kindsheidevangelie, zonder kindje en engelen en herders en koningen.

Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond.

Inderdaad, dat is de kern. En uiteraard kun je hier niet aan voorbij. Wij kunnen ons wat het mysterie van de menswording betreft niet beperken tot Matteüs en Lucas. Hun verhalen moeten worden aangevuld en gerelativeerd, verdiept en verduidelijkt door de essentie van de geloofsbelijdende incarnatietheologie van Johannes.

Anderzijds is het zo dat door heel haar geschiedenis, door heel de geschiedenis van haar liturgie heen, de kerk ons leert dat je Johannes’ belijdenis enkel vatten en onderschrijven kunt – in het volle licht van de kerstdag – als je in de donkerte van de nacht luistert naar de vertelling van Lucas.

Ook aan dit aangrijpende en vertederende verhaal met zijn vele kleine details mogen en moeten wij ons overgeven, ons toevertrouwen.

De stal bijvoorbeeld of de kribbe.

Het zijn zeker geen wezenlijke gegevens van ons geloof in de menswording van Gods Zoon. Toch kunnen zij ons heel wat duidelijk maken over de bedoeling en de betekenis van Gods komen bij de mensen.

Zij leren ons dat God ons wil verschijnen en tegemoet treden als de armste onder de armen. Hij, de wonderbare Held, de Sterke, de Vader van de toekomst, de Prins van de vrede: de armste onder de armen.

Het Kind op zich reeds is teken van kwetsbaarheid, hulpbehoevendheid: een God die zich wil toevertrouwen aan de zorg van mensen.

Daarenboven is er de plaats van de geboorte van dit Kind: geen paleis, geen veilig huis in de stad – er was voor hen geen plaats in de herberg – maar tussen de beesten, in een kribbe in een stal. Kwetsbaarder, hulpbehoevender kan het niet. Armer kan het niet.

Zo zijn kribbe en stal van meet af aan de tekenen van de tegenspraak, de tegenkanting, de afwijzing die de Heer zijn leven lang ervaren zou.

Er was voor hen geen plaats in de herberg, zegt Lucas. Johannes zegt: het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet.

Er was geen plaats in de herberg voor zijn geboorte, zoals er geen plaats zou zijn in de synagoge voor zijn leer, geen plaats in de tempel voor zijn ijver, geen begrip in de harten voor zijn liefde. Zelfs niet in de harten van de meest nabijen, op momenten dat het eropaan kwam: ik ken die mens niet, zegt Petrus in het uur van zijn lijden en kruis.

Geen plaats in de herberg, wei een kribbe in een stal.

Willen wij God aanvaarden, zoals Hij naar ons toekomt – een hulpbehoevende, kwetsbare, arme God; een menselijkerwijze gesproken onmogelijke en onaanvaardbare God – dan moeten wij stal en kribbe aanvaarden: ze met Kerstmis een plaats geven, niet enkel in onze kerken en huizen en straten, maar in ons hart en in ons leven:

als teken dat wij nodig hebben om uit te spreken – in een beeld – wat moeilijk of niet onder enkel maar woorden te brengen is;

teken waardoor wij uitdrukken dat er bij ons wel plaats is en moet zijn voor het Kind, voor de kwetsbare, de weerloze, de hulpbehoevende, de arme God;

teken waardoor wij belijden dat wij deze God van tegenspraak wel aanvaarden, willen aanvaarden van het eerste begin af, van zijn geboorte op Kerstmis tot zijn lijden, dood en verrijzenis van Pasen.

Maar stal en kribbe mogen wij niet afzonderen van de rest van het kerstverhaal. Alle andere gegevens, tot de kleinste details, horen er onlosmakelijk bij.

Maria hoort erbij, ons voorbeeld: dat wij al de ons toevertrouwde geheimen in de stilte van ons hart zouden bewaren en overwegen.

En Jozef hoort erbij: de man die ons in volle overgave voorgaat in het aanvaarden van de Goddelijkheid van dit mensenkind.

En de engelen horen erbij. Zij waren de eersten om het goede nieuws te vertellen. Zij horen erbij, opdat wij in hun spoor boodschappers van evangelie zouden zijn.

En de herders horen erbij. Zij waren de eersten om dat goede engelennieuws te vernemen. Zij horen erbij, opdat wij in hun spoor telkens weer gelovige en verwonderde toehoorders zouden zijn.

Hun liederen zingen wij mee, het lied van de engelen tot lof van God, het lied van de herders ter aanbidding van het Kind, opdat wij zingenderwijze nooit zouden vergeten dat alle eer toekomt aan God in den hoge en dat vrede toekomt op aarde aan alle mensen, omdat de God uit den hoge hen zo graag ziet. Zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gezonden, opdat wij zouden leven – in Hem.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x