Jaar B, feest van de Moeder God’s

1 januari – Lucas 2, 16-21 – Feest van de Moeder Gods

Het is een prachtige gewoonte dat mensen vandaag en in de komende dagen wie ze ook ontmoeten, vreemde en vriend, een gelukkig nieuwjaar toewensen. Het mag dan al een simpele of een iets uitgebreidere formulering zijn, onze wederzijdse wensen zijn oprecht gemeend. Een oudere, nu minder gebruikelijke formulering luidt: ik wens je een gezegend jaar toe. Daaraan wordt dan al dan niet toegevoegd: want aan Gods zegen is alles gelegen. Iemand zegenen is trouwens synoniem aan hem alle goeds toewensen vanwege de hemel zelf.

In deze nieuwjaarsliturgie hebben vier Bijbelmensen ons hun beste wensen aangeboden, ons een gezegend jaar gewenst.

De eerste was Mozes, die zegt: moge de Heer u zegenen en behoeden. Moge Hij u genadig zijn en u vrede schenken.

De tweede is de Psalmist: moge de Heer u zegenen en barmhartig Zijn. Moge Hij u zijn wegen leren kennen.

De derde in de rij is Paulus: moge de Heer u zegenen en u de Geest van zijn Zoon zenden. Dat gij geen slaven blijft, maar in Christus Gods kinderen wordt.

Ten slotte is er Maria: moge de Heer u zegenen. Dat gij, zoals ikzelf, alle woorden die mensen van Godswege tot u spreken, in uw ban bewaart en bij uzelf overweegt, opdat gij deelgenoten wordt van Gods geheim.

Nadat mensen ons hun nieuwjaarswensen hebben aangeboden, klinkt ons wederwoord, onze weder-wens soms wat banaal: evenveel voor uzelf, zeggen wij; insgelijks, of iets dergelijks. Wat wij vooral te weinig doen, is de ander echt bedanken voor zijn goede wensen. Dankjewel voor wat je mij toewenst. Dank je wel voor wat je voor mij betekent.

Iemand zegenen is niet enkel iemand alle goeds toewensen. Het is ook iemand bedanken voor wat hij in Gods naam voor je betekent: iemand gelukwensen, feliciteren voor wat hij voor je doet en is. Zo trachten wij een wederwoord te formuleren aan onze vier Bijbelse nieuwjaarswensers.

Aan Mozes zeggen wij: gezegend zijt gij en al wie in uw spoor ons leidt door de woestijn van het leven naar het land van belofte.

Aan de Psalmist: gezegend zijt gij en al wie in uw spoor ons woorden in de mond legt die met zekerheid toegang vinden tot het hart van God.

Aan Paulus: gezegend zijt gij en al wie in uw spoor voor ons getuigt en ons tot getuigen maakt, dat Jezus Christus waarlijk de Heer is.

Aan Moeder Maria: gezegend zijt gij onder alle vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.

Nieuwjaarsdag is het begin van een nieuw jaar. Het is een moment om in dankbaarheid terug te denken aan wat voorbij is, ook aan het allereerste begin van het allereerste jaar.

In het begin schiep God hemel en aarde. God sprak zijn scheppend woord over de hemel en de aarde. Het ongeëvenaard mooie Bijbelverhaal stelt het ons voor als een gebeuren van zeven dagen. En de zevende dag rustte God. En de achtste dag? Daar is in het verhaal geen sprake van. Of toch wel, impliciet een Bijbel lang. Want vanaf de achtste dag is de mens aan de beurt om ten uitvoer te brengen wat God hem heeft opgedragen te doen: wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en onderwerp haar. Nieuwjaarsdag is als de achtste dag van het scheppingsverhaal.

Nieuwjaar is voor ons in de eerste plaats de achtste dag van Kerstmis. Met Kerstmis vieren wij het mysterie van de menswording als de voltooiing van de schepping. Zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden. Hij die het leven aan de aarde geeft, stelt als teken van zijn menslievendheid zijn meest creatieve scheppingsdaad. Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond.

Nieuwjaar is dan in de volle betekenis de achtste dag. Met Nieuwjaar vieren mensen hun deelname aan het leven. In het licht van Kerstmis wordt dat: onze deelname, onze medewerking aan de realisering van Gods eigen werk, namelijk zijn schepping maar ook zijn menswording. Want vanaf het begin heeft de Schepper het zo beschikt dat het zonder de hulp van mensen niet kon.

Daarom heeft de kerk van nieuwjaarsdag een Mariahoogdag gemaakt, de feestdag van de Moeder Gods. Dat is geen poging om van een burgerlijk feest koste wat kost een christelijk feest te maken. Het is pure heilshistorische logica: Maria immers is de eerste medewerker aan de menswording van God, de eerste daadwerkelijke coöperante aan het mysterie van zijn menslievendheid.

Zo vieren wij op deze nieuwjaarsdag Onze-Lieve-Vrouw als het model van menselijke medewerking aan Gods schepping en verlossing. Het woordje ‘model’ kan wat ouderwets klinken, er bestaat echter geen beter om de dubbele betekenis uit te drukken van de term ‘voorbeeldig’. Van de ene kant betekent het: zoals het hoort, een mens naar Gods hart aan wie je proficiat wenst. Aan de andere kant, om na te volgen: iemand die ons de weg toont en aan wie we vragen kunnen dat zij ons de weg toont. Onze
nieuwjaarswens aan Maria: ‘Gezegend zijt gij onder alle vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.’

Om haar te vieren en te eren, hij wijze van ons proficiat en om hij wijze van navolging in haar voetstappen te treden, vertellen en overwegen wij telkens opnieuw en zeker ook vandaag haar levensverhaal.

Het is een heel gewoon verhaal van onopvallende dingen. Maria’s leven was één grote stilte, enkele schaarse woorden en de opvallende losbarsting van één enkel genereus lied.

De stilte, haar stilte was het probate middel om ‘al die dingen’ (zo staat het in het kerstverhaal) in haar hart te bewaren en te overwegen. Enerzijds om ze als vreugdevolle herinnering mee te dragen. Anderzijds om op die basis naar de toekomst toe te leven, van de toekomst te dromen: van kruis en verrijzenis en van het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Haar schaarse woorden; nooit zijn het volzinnen. Een kleine vraag ‘hoe’ van verbazing wordt gevolgd door een al even kort antwoord ‘ja’ van beschikbaarheid. Wat later, als zij als een onbewuste voorafbeelding van verre toekomst voor het eerst haar rol opnam van bemiddelaar tussen hemel en aarde, zei ze tot haar Zoon: ‘Ze hebben geen wijn meer’; en tot de mensen: ‘Doe maar wat Hij u zeggen zal.’

En dan is er nog haar lied, het Magnificat, hét loflied, haar hooglied van de liefde, van het leven dat gave en opgave is, door haar in dankbaarheid en gegevenheid aanvaard.

Maria wordt terecht bijna steeds biddend voorgesteld. Haar hele leven was één gebed.

In een authentieke gebedscultuur zijn precies de drie aspecten van haar leven volop aanwezig: veel stilte, weinige en simpele woorden, en een uitbundige, ja overdadige lofzang.

Dat ook ons bidden getekend zij door de stilte, voor herinnering en toekomstdroom: om het grote verhaal van het leven te overdenken en het grote visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde te durven dromen.

Dat ons bidden geen hoogdravende en complexe discussie zij, maar een eenvoudige dialoog, een simpel gesprekje met God. Enerzijds de vraag ‘Hoe moet dat met mij?’, een vraag om licht en inzicht, om genade en zegen. Anderzijds ook óns eenlettergrepige antwoord van gegevenheid, óns ‘ja’.

En dat ons bidden ten slotte volop deelneemt aan de lofzang van de tijden, overlopend van woorden dit keer, en samen met heel de kerk en heel de wereld gezongen en steeds weer gezongen.

Dat bij alle goede wensen die wij elkaar op deze eerste dag van het nieuwe jaar toesturen, er eentje niet ontbreken moge. Wij wensen elkaar toe, in het spoor van de Moeder van de Heer, dat wij biddende mensen zijn.

Dat zij die ons hierin is voorgegaan, ons daarbij ook moge bijstaan. Bid voor ons, heilige Moeder van God.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x