Jaar C, Eerste zondag van de Advent

Eerste zondag van de advent – Lucas 21, 25-28;34-36

De adventsfiguur bij uitstek van het eerste verbond heet de profeet Jesaja te zijn. Tot onze grote verbazing stellen wij vast dat hij in de lezingen van de vier zondagen van deze C-cyclus niet één keer aan het woord is. Een advent zonder Jesaja, stel je voor. Zouden er zich nog van die liturgische curiosa voordoen? Laat ons eens kijken naar de nieuwtestamentische adventsfiguren, waarbij ons als vanzelf Johannes de Doper en Moeder Maria voor de geest komen.

Met de Doper is er niets aan de hand. Die wordt normaal bediend, zou je kunnen zeggen: elk evangelie van elke tweede en derde zondag in cyclus A, B en C is aan hem besteed.

Moeder Maria daarentegen lijkt veeleer wat karig bediend. De adventsfiguur die alle andere figuren overstijgt, de Vrouw van de verwachting, verschijnt enkel op de vierde adventszondag ten tonele; in cyclus A dan nog slechts indirect, want hier gaat het volop over Jozef. In het jaar B wordt het adventsverhaal bij uitstek gelezen: de boodschap van de engel. Op de vierde zondag van dit liturgisch jaar vertelt Lucas het verhaal van Maria’s bezoek aan Elisabeth.

Dat Johannes de Doper op de tweede en derde zondag heel het evangelische forum vóór zich krijgt, bewijst zonder meer dat hij een niet weg te denken man-van-de-advent is.

Dat Jesaja in cyclus C niet aan bod komt, doet niets af aan het feit dat hij een grote adventsfiguur is, want in A en B treedt hij des te meer op de voorgrond.

En dat Maria maar op één zondag in het volle licht staat, doet zeker geen afbreuk aan haar adventsbetekenis. Naar Kerstmis toe is zij uiteraard geleidelijk meer hij de zaken betrokken.

Over Johannes zullen wij het vanzelfsprekend hebben op de tweede en derde zondag. Over Moeder Maria zal het gaan op de vierde zondag. Maar vandaag, in dit adventsjaar en meer specifiek op deze eerste zondag, kunnen wij toch moeilijk over Jesaja praten, als die gewoon niet aan het woord komt. Wat doen wij dan? Misschien is het een goede gelegenheid om eens enkele andere grote namen uit het eerste verbond te noemen die in deze liturgische tijd zelden of nooit ter sprake worden gebracht, als zouden zij geen adventsfiguren zijn. Ik noem dan bijvoorbeeld Abraham, Mozes en David.

Maar dat zijn nu net drie grote namen die in de veertigdagentijd, die andere grote liturgische voorbereidingsperiode, de volle aandacht krijgen. De veertigdagentijd is natuurlijk de advent niet, net zomin als Pasen Kerstmis is. Anderzijds: zoals beide hoogfeesten toch alles met elkaar te maken hebben en nooit los van elkaar staan, zo kun je ook de vasten en de advent op zijn minst familie van elkaar noemen.

Een kernbegrip dat in beide perioden centraal staat, is bekering bijvoorbeeld. Predikt Johannes de Doper niet een doopsel van bekering?

Een andere gemeenschappelijke idee is gerechtigheid, recht doen, in de eerste plaats aan de zwakkeren in de samenleving. Heel concreet heet dit in de veertigdagentijd: broederlijk delen; in de advent: welzijnszorg.

Nog een sleutelwoord is verwachting! Ik zou vandaag Abraham, Mozes en David willen tekenen en duiden als mannen, oertypes van de verwachting, van de hoop en het vertrouwen, van toekomstgerichtheid en luisterbereidheid: open voor de komst van de Heer, gevoelig voor de nabijheid van het Rijk.

En dat in een tijd van onzekerheid en volle verwarring: als er tekenen zijn aan zon, maan en sterren, volkeren op aarde die in angst verkeren, mensen die het besterven van de angst in spanning om wat de wereld overkomt.

Zo’n tijd was Abrahams tijd: een tijd van crisis en spanning, van angst en radeloosheid. Mensen lijden onder Babels tirannie die gevestigd is op de basis van universele verwarring. Op een wondere wijze wordt Abraham uit de bankring van deze fataliteit gezogen; ‘geroepen’ is het juiste woord. Hij hoort een stem, hij luistert naar de stem. Zij voert hem weg van de ondergang naar een toekomst, al is die onbekend en onzeker. Abraham leeft voor de toekomst. Je kunt het een vlucht uit de werkelijkheid noemen, daar lijkt het op. Maar veeleer is het het enig reële en vitale antwoord dat op de crisis gegeven kan worden: opstaan en je vrienden meevoeren om vol geloof en vertrouwen de toekomst tegemoet te gaan.

Mozes’ tijd was een tijd van crisis en spanning, van angst en radeloosheid. Mensen, zijn mensen, lijden onder het slavenjuk van farao en Egypte. Mozes wordt op een wondere wijze buiten de bankring gezogen van het fatum dat voor zijn volk bestemd lijkt. Hij hoort een stem, hij luistert naar de stem die hem wegvoert van de ondergang naar een onbekende, onzekere toekomst. Mozes leeft voor de toekomst en gaat op weg. Opnieuw kan het lijken op een vlucht voor de onontkoombare werkelijkheid. Maar het is het enig reële en vitale antwoord op de crisis: opstaan en je volk meevoeren ondanks henzelf en hun gemor en heimwee naar de vleespotten van de onvrijheid, om vol geloof en vertrouwen de toekomst, het land van de belofte tegemoet te gaan.

Davids tijd is op het eerste gezicht geen crisistijd, integendeel, het is een hoogtepunt in de historie van volk en koninkrijk. Maar zoals zo vaak gebeurt, verbergt dit ogenschijnlijk ‘alles okee’ de diepe crisis van de binnenkant. Koning David heeft het niet onder de markt met zijn ontaarde voorganger Saul en zijn rebelse zoon Absalom. Maar zijn grootste probleem is hijzelf: zijn bekoring om zelf Babelse verwarring te zaaien en als een nieuwe farao boven de wet te gaan staan en zijn volk mee te trekken in een nieuwe slavernij.

Maar ook David mag advent beleven. Met een wondere kracht die sterker is dan hijzelf, wordt ook hij weggezogen uit de fatale bankring. Hij hoort een stem, hij luistert naar de stem die hem de uitweg wijst uit het labyrint, om zijn eigen uitzichtloze werkelijkheid achter te laten en het enig reële en vitale antwoord te geven op zijn levenscrisis: opstaan en ondanks zichzelf ditmaal zijn volk voorgaan op de weg van geloof en vertrouwen naar toekomst en vrede.

Onmiskenbaar is ook onze tijd een tijd van crisis en verwarring, van angst en radeloosheid, aan de buiten- en de binnenkant van cultuur en beschaving, al wordt daar vluchtig en gretig aan voorbijgegaan door wie graag gelooft in en zich toevertrouwt aan het schijnbaar tegengestelde van de welvaartswereld en de onbegrensde menselijke mogelijkheden. Om die dubbele reden is ook voor onze tijd de advent een genade en een zegen.

Als je al die tekenen ziet, weet dan dat je redding nabij is. En richt je op. Laat je wegzuigen uit de bankring van het fatale doemdenken. Leg je oor te luisteren naar de stem. Het gaat niet om een vlucht voor de realiteit van de crisis, van pijn en lijden: niet doen alsof die niet bestaan of naïef denken dat die nu plots en voorgoed voorbij zullen zijn.

Advent is crisisrealisme en toekomstoptimisme, hand in hand: waakzaamheid én verwachting; met opgeheven hoofd en hart de ogen en de oren openen voor de tekenen van de tijd. En opstaan! Dat wil zeggen: de hand grijpen van wie ze je reikt om je overeind te helpen. Tegelijk wil dat zeggen: zelf pal rechtop durven te staan om anderen overeind te helpen, om elkaar voor te gaan en vooruit te stuwen naar de toekomst toe.

Mogen wij in deze tijd van onzekerheid en verwarring, als er tekenen zijn aan zon, maan en sterren, volkeren op aarde in angst verkeren, mensen het besterven van angst om wat de wereld overkomt.., mensen van verwachting zijn, van hoop en vertrouwen, van toekomstgerichtheid en luisterbereidheid: openheid voor de komst van de Heer en gevoelig voor de nabijheid van zijn Rijk.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x