Jaar B, DHJ 9

Negende zondag door het jaar B – Marcus 2, 23 – 3,6

De confrontatie van de nieuwe Rabbi, Jezus, vanaf het begin van zijn optreden in Galilea met de officiële religieuze leiders van het volk, escaleert in het evangelie van vandaag tot een regelrechte breuk en aanvaring, en wel naar aanleiding van twee feiten die zich hebben voorgedaan op een sabbat. Aan het einde van de perikoop staat dat de farizeeën de synagoge verlieten en dat zij aanstonds met de herodianen plannen smeedden om Hem uit de weg te ruimen.

Beide incidenten lijken ons bijna ongeloofwaardig. Hoe kan een religie zozeer gekenmerkt zijn door formalisme? En toch is dit blijkbaar het geval geweest, zo bijvoorbeeld inzake de toepassing van de wet op de sabbatrust.

Het Hebreeuwse woord sabbat betekent gewoon: rust of rustdag. De sabbat kan bogen op een heel oude traditie in de geschiedenis van het uitverkoren volk. Je kunt zeggen dat de sabbat even oud is als het volk zelf. Het ontstaan ervan klimt op tot de begintijd waarin Israël zich bewust is geworden als zijnde het godsvolk.

In de decaloog, de tien geboden die Mozes op de berg van Godswege aangereikt kreeg, wordt de bestaansgrond van de sabbat en de sabbatrust gelegd bij de schepping zelf, bij de grondvesting van de wereld. Zo eindigt dan ook het scheppingsverhaal van Genesis: op de zevende dag rustte God uit van al zijn scheppingswerk. En daarom zal deze zevende dag ook voor het godsvolk een rustdag zijn, een heilige dag. Daarom zal op die dag ieder schepsel uitrusten en niet werken. Daarom zal die dag tegelijk geheiligd worden door de dienst aan Jahwe. Het volk zal een heilige samenkomst houden om Hem dank te zeggen en zich te bezinnen over zijn woord en zijn wet.

Bij een evangelie als dat van vandaag kunnen wij er snel toe geneigd zijn te denken dat Jezus zich vanaf het begin heeft gedistantieerd van bepaalde geloofspraktijken van zijn volk en zijn religie, met name bijvoorbeeld van de sabbat.

Maar dan gaan wij achteloos voorbij aan de evangeieteksten die aangeven dat Hij getrouw en vroom de sabbat onderhield, dat Hij op de sabbat naar de synagoge ging om deel te nemen aan de dienst en actief te participeren in de schriftverkondiging.

Wij mogen niet vergeten dat het christendom tot in de vierde eeuw de sabbat van de joodse religie volop in ere is blijven houden, naast zijn eigen typische eerste dag van de week, de dag des Heren, de gedenkdag van Jezus’ opstanding die christenen vanaf de eerste eeuw zijn gaan vieren.

Jezus zet zich geenszins af tegen de sabbat, maar wel tegen de ontheiliging ervan, die Hij toeschreef aan de formalistische en betuttelende houding van de farizeeën in zijn tijd.

Na de Babylonische ballingschap is deze leidende klasse, die meer en meer de dienst ging uitmaken, mee oorzaak geweest van deze ontaarding van de sabbat door het vaststellen van alle mogelijke bepalingen, in de marge van de wet, van wat op deze heilige dag mocht en vooral van wat niet mocht.

Hun motief was steeds hetzelfde: hoe meer regeltjes en reglementen een rabbi uitvond en voorschreef, des te meer hij gewaardeerd werd en vooral des te meer hij in eigen ogen opklom op de scala van de verworven en te verwerven verdiensten. Of anders gezegd: hoe iemand zijn gezag vestigen kan door het volk klein te houden bij de gratie van het taboe.

Vaak ging het om echt pietluttige dingen, zoals in het eerste sabbatverhaal van vandaag. Wij kunnen ons amper nog voorstellen dat iets dergelijks bestaat, al mogen wij niet vergeten dat elke religie en elke samenleving aan hetzelfde euvel kunnen lijden zonder het zich uiteraard bewust te zijn.

Neem nu wandelen bijvoorbeeld: is dat werken of rusten? Dat zal je in de wet op de sabbat toch niet vinden zeker? Maar wet-‘geleerden’, die doen dat wel; die zoeken net zo lang tot ze iets vinden, al moeten ze het zelf uitvinden desnoods.

Toen Israël in de woestijn verbleef, schonk Jahwe hun het manna als dagelijks brood uit de hemel. Maar, zegt het primitieve verhaal, de zesde dag werd de portie verdubbeld: voor de zevende dag, de sabbat, incluis.

Dan moest, dan mocht men die dag dus niet op zoek gaan naar manna, want dat was er gewoon niet. Als sommigen het dan toch niet konden laten, werd het verbod uitgevaardigd om met sabbat het kamp te verlaten.

Dus, zeggen farizeeën vijfhonderd jaar later, als er van manna of woestijn allang geen sprake meer is, dat de wet op de sabbatrust inhoudt dat je dan maar maximaal anderhalve kilometer wandelen mag. Dat hadden zijzelf uitgerekend. En dus overtraden, op Jezus’ gezag, zijn leerlingen die wet door op sabbat door de velden te gaan wandelen. En zo gaat dat verder.

Men plukken werd beschouwd als oogsten; en oogsten was zware arbeid en dus taboe. Aren uitwrijven om er de zaadkorrels van over te houden, werd beschouwd als dorsen; en dorsen was zware arbeid en dus taboe.

Het bleef echter niet bij pietluttigheden. Mensen in nood bijstaan mocht enkel en alleen als hun leven op het spel stond. Dus een zieke verzorgen of zelfs een zieke genezen, dat moest wachten tot ’s anderendaags. Het spreekt voor zich dat wij er alle begrip voor hebben dat Jezus zich hiertegen afzet tot en met. Maar gaat Hij de facto dan toch niet in tegen de wet?

Onwillekeurig en terecht denken wij hierbij terug aan dat ene kernvers uit Matteüs’ Bergrede: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen, maar om de vervulling ervan te brengen… Wie dus een van de voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.’

Hier ligt de kern van de zaak, evenals de kern van de vraag: Hoe ga je om met Gods wet? Hoe neem je Gods wet ernstig, bijvoorbeeld zijn heilige wil om de sabbat te onderhouden en te heiligen met rust en bezinning? Voor de farizeeën gelden hier eigen maatstaven en interpretaties van hoe meer, hoe beter. Deze gaan echter voorbij aan de essentie van de dingen.

Voor Jezus gelden twee maatstaven die helemaal in elkaars verlengde liggen.
1. De dag des Heren kan maar de dag des Heren zijn, als het ook de dag van de mensen is. De dag van God kan maar de dag van de Vader zijn, als het ook de dag van de kinderen is. De mens is er niet voor de sabbat, zegt Jezus, maar andersom; de sabbat is er voor de mens. Met andere woorden. van rust moet je genieten, moet je kunnen genieten. Jahwe de Heer zal er maar van genieten, als ook zijn geliefde schepselen dat doen en niet als zij bezwijken onder de ondraaglijke last van onzinnige taboes.

2. De dag des Heren is de dag van de dienst des Heren. Bemin de Heer uw God met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en al uw krachten. Maar het eerste gebod dat zo logisch bevestigd wordt door het vierde (heilig steeds de dag des Heren), kan maar zichzelf zijn, als het zijn complement en realisatie vindt in dat andere gebod dat Jezus noemt als zijnde aan het eerste gelijk: bemin uw naaste als uzelf. Dien elkander. Wie de grootste wil zijn, moet de kleinste worden en de dienaar van allen.

Een dag in de dienst van de Heer kan niet authentiek zijn, als je op die dag de dienst aan de medemens in nood als een soms welkom taboe van je afschuift en voor je uitschuift.

Dit evangelie heeft het zeker helemaal niet over de zondag van de christenen, maar het leert er ons wel wat over, wat een zo nodig te beleven of opnieuw te beleven cultuur betreft: een cultuur van dankzeggen en lof zingen; een cultuur van rustig genieten van wat schoon en goed is en in de eerste plaats van elkaars gezelschap; een cultuur ten slotte van alerte beschikbaarheid om dienstbaar in het leven te staan.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x