Jaar B, DHJ 8

Achtste zondag door het jaar B – Mc 2,18-22

In het eerste hoofdstuk van Marcus wordt in weinig woorden veel verteld. De inleiding rondom Johannes de Doper wordt gevolgd door wat zich aankondigt als een succesverhaal van Jezus van Nazareth. Hij verkondigt de Blijde Boodschap, trekt zich regelmatig terug in de stilte om te bidden en neemt het daadwerkelijk op voor wie wegens ziekte, koorts, bezetenheid… door de maatschappij wordt uitgesloten en uitgestoten.
Het tweede hoofdstuk lijkt op dezelfde golflengte en in hetzelfde tempo verder te gaan. Bij de genezing van de lamme, het evangelie van vorige zondag, stelt de Heer dat Hij niet enkel de band met de samenleving van de mensen wil herstellen, ‘Neem uw bed op en ga naar huis’, maar ook de band met God, ‘Uw zonden zijn u vergeven’. Ook dat behoort integraal tot de opdracht van de Mensenzoon.
Daarna echter gaat het in hoofdstuk z enkel nog over een paar onbenullig lijkende dingen: een vriendenbezoek, een etentje, een bruiloft of een of ander feest, een wandeling door de natuur. Maar dat zijn in werkelijkheid geen onbenullige dingen. Ze behoren evengoed tot de Blijde Boodschap, de nieuwe leer en de nieuwe levensstijl van de nieuwe leraar. Daarop komen we straks terug.
Laten wij eerst even aandacht hebben voor iets anders dat tegelijkertijd gebeurt. In het zogenaamde succesverhaal steken namelijk oppositie en kritiek de kop op, hetgeen langzaam maar zeker uitgroeit tot een open conflict. De farizeeën zijn de woordvoerders van de gevestigde orde, die het niet neemt dat een nieuwe leraar zomaar tegen hen in gaat.
Tlègen zijn boodschap als zodanig hebben ze niets in te brengen: i-Tjj zegt hetzelfde als hun eigen profeten. Ook tegen zijn wonderbaarlijke genezingen valt niets te beginnen. Trouwens, het volk prijst Hein ervoor ‘Zoiets hebben wij nog nooit gezien.’ Dan is het maar het beste daar niet te veel op aan te merken, willen zijzelf niet het hele volk tegen zich krijgen. Maar al wat daarbuiten valt, dat pakken ze aan.
In zijn relaas heeft Marcus een meervoudige climax ingebouwd. Bij het verhaal van de lamme gaat het nog maar over ‘bij zichzelf denken’. Ze zeg-
gen het nog niet hardop. ‘Wat beweert die man daar? God alleen kan toch zonden vergeven?’ In wat daarop volgt, wordt verteld dat Jezus en zijn leerlingen samen tafelden met tollenaars en zondaars, een nieuwe vriendenkring blijkbaar. De farizeeën zeggen, hardop deze keer: ‘Hoe kan Hij eten met tollenaars en zondaars?’ Maar ze zeggen het niet tegen Hemzelf, maar tegen zijn leerlingen.
Dan is er het verhaal van vandaag, waar niet de farizeeën zelf, maar hun vertegenwoordiger, ‘men’, aan Jezus rechtstreeks de vraag stelt: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en die van de farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’
Het gaat hier niet over de officiële wettelijke vastendagen van Israël, die staan niet ter discussie. Ze waren heel beperkt in aantal. De mozaïsche wet noemt er één enkele; heden ten dage kennen orthodoxe joden er vijf. Daarnnist echter bestonden er extra vastendagen of vastenperiodes die gezagdragers konden opleggen of waar men zich als enkeling aan kon houden. Na de balllingschap was dat een wijdverbreide gewoonte geworden waartoe bijvoorbeeld de farizeeën zichzelf en hun eigen leerlingen verplichtten als een soort onderscheidingsteken in de dubbele zin van het woord. Daaraan herkende men de ware rabbi’s en hun volgelingen, die zodoende zichzelf boven anderen verheven achtten.
Zoals vele profeten het hadden gedaan, reageert ook Jezus – bijvoorbeeld in zijn Bergrede bij Matteüs – tegen het formalistische karakter van dit vasten aan de buitenkant, en de haast automatische koppeling aan het verwerven van verdiensten en aanzien bij het volk.
De kritiek van de farizeeën vandaag ten aanzien van hun nieuwe collega geldt niet zozeer het feit dat Jezus’ leerlingen niet vasten, als wel dat Hij het hun niet oplegt. ‘Waarom vasten uw leerlingen niet?’ Dat wil zeg gen: waarom legt U hun niet op te vasten, zoals Johannes de Doper en onze meesters, de farizeeën, dat aan hun leerlingen opleggen? Moeten wij U dan wel au sérieux nemen als nieuwe leraar?
Het eerstvolgende kleine verhaal dat tevens de volgende stap is in de escalatie, zal gaan over de sabbat, alsJezus en zijn vrienden aan het wandelen zijn door de velden. Nu pakken de farizeeën Hem direct aan: ‘Waarom plukken uw leerlingen aren? Dat is toch bij wet verboden op sabbat? Waarom verbiedt U het hun dan niet?’
Dat is meteen ook het laatste verhaal van hoofdstuk 2. Onmiddellijk daarna groeit de confrontatie uit tot een open conflict. In Mc 3,6 staat, nogmaals naar aanleiding van de sabbatwet, dat de farizeeën samen met de aanhangers van Herodes, die nochtans niet hun beste vriendjes waren, plannen smeedden om Hem uit de weg te ruimen.
Eenzelfde climax geldt ook de formulering van de kritiek. Eerst is het: dat kan toch niet. Dat wordt dan: dat past toch niet. Vervolgens: dat hoort toch niet. En ten slotte: dat mag niet. Met andere woorden: niets van dat alles strookt met onze visie, onze levenswijze, onze traditie, onze wet.
Jezus’ antwoorden op iedere situatie zijn uitgegroeid tot gevleugelde gezegdes. ‘Wat is gemakkelijker te zeggen: uw zonden zijn u vergeven, Of, sta op, neem uw bed en loop?’ ‘Niet de gezonden hebben een dokter nodig maar de zieken.’ ‘Kunnen dan de vrienden van de bruidegom vasten, zolang de bruidegom bij hen is?’ ‘De sabbat is gemaakt om de mens, maar niet de mens om de sabbat.’
Dat is klare en duidelijke taal. Het komt steeds op hetzelfde neer en gaat recht op de man af. Tegenover uw visie staat de mijne. Tegenover uw levensstijl, uw traditie, uw wet staat de Mensenzoon. Mijn boodschap is er een van vernieuwing, van bevrijding en genezing, van een samenleving die vé6r alles zorg draagt voor de minsten en de kleinsten, de zieken naar geest en lichaam. En daarbij sluit een andere, een nieuwe kijk aan op zonde en barmhartigheid. Erbarmen en vergeving willen voor de zondaar de geknakte of gebroken band met God herstellen en hem weer opnemen in de grote gemeenschap van de schepping.
Jezus’ antwoord is niet enkel verbaal, Hij repliceert ook metterdaad. Evengoed behoren tot zijn boodschap, tot zijn nieuwe levensstijl die dingen die wij daarstraks onbenullig hebben genoemd: een vriendenbezoek,
een etentje, een feest, een wandeling door (Ie velden. Vriendschap en verdraagzaamheid, feest en vreugde, genieten van wat lekker en prettig is, kommerloze vrijheid, genieten van wat mooi is: ook dat behoort tot de nieuwe cultuur van de Mensenzoon, tegenover alle dwang en onverzoenlijkheid, alle formalisme en schijnheiligheid die een samenleving van mensen kunnen bepalen, als die enkel om zichzelf begaan zijn.
Jezus zegt: wie met Mij mee de goede strijd wil aangaan tegen de armoede, tegen het onrecht, tegen de ziekte, de bezetenheid en de koorts van mensen, tegen de zonde… moet zorgen dat hij sterk staat, niet door eigen kracht, die altijd weer tekort zal schieten of uitgeput zal raken, maar door de geesteskrachten van de vriendschap, van de vreugde, van het feest, van de saamhorigheid, van de vrijheid, van het goede en het mooie, van de natuur en de cultuur.
Christelijk humanisme is een kwestie van gezond evenwicht. Christenen koesteren het lijden niet, zij bekampen het. Zij gaan er vertrouwvol de confrontatie mee aan, maar zij gaan er niet aan ten onder. Zij koesteren de levensvreugde en de vrede.
Vandaag gebruikt Jezus in zijn repliek het beeld van de bruiloft. In commentaren staat dat we bij dit beeld niet moeten denken dat Jezus misschien met zijn leerlingen naar een bruiloft is geweest, zoals die van Kana. Dat méeten wij niet denken, maar ik denk dat we het wel mégen. Tussen het vriendenbezoek en de natuurwandeling in: de bruiloft, het feest. Dat maakt het plotse gebruik van het beeld heel aannemelijk.
Het is toch zinloos, zegt Jezus, dat je naar een feest gaat waarop je als gast bent uitgenodigd, om daar dan niet méé te feesten, maar te vasten. Geen farizeeër die zegt: ik kan niet komen want ik moet vasten. Als het bruiloft is, heeft feesten voorrang.
Dan trekt de Heer daar de conclusie uit wat de verhouding tussen Hem en zijn leerlingen betreft. Die is als tussen de bruiloftsgasten en de bruidegom die hen op zijn feest heeft uitgenodigd. Het principe van die relatie is
de vriendschap en de vreugde. Nieuwe meesters, nieuwe wetten: net zoals bij het feest een nieuw pak past en geen opgelapt pak; net zoals nieuwe
wijn in nieuwe zakken moet en niet in versleten dingen. En mijn nieuwe wet is: dienstbaarheid aan de ene, vreugde aan de andere kant, als elkanders basis en complement.
En dan zullen er nog momenten genoeg zijn voor de inkeer, voor het bewustzijn van het tekort, voor ascese als bijdrage tot innerlijke bevrijding. Maar ascese op zich heeft geen zin. Christelijke ascese is geen doel op zich. Het is een teken en een middel tot bewustwording en bewustzijn van de zovele plaatsen en momenten in ons leven dat de Bruidegom afwezig is, vooral doordat wijzelf 1-lem hebben uitgesloten van ons levensfeest.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x