Jaar B, DHJ 7

Zevende zondag door het jaar B – Mc 2,1-12

Het eerste hoofdstuk van het Marcusevangelie was gewijd aan het begin van Jezus’ optreden in zijn woonplaats Kafarnaüm. Het vertoonde drie aspecten, onlosmakelijk met elkaar verbonden: zijn onderricht, de verkondiging van de Blijde Boodschap; zijn omgang met de mensen, inzonderheid de zieken en gehandicapten van wie Hij de nood lenigt (met andere woorden: het onderricht in praktijk gebracht); en zijn gebed, het gesprek met zijn hemelse Vader.
In het tweede hoofdstuk, dat Marcus ‘enkele dagen later’ situeert, loopt het verhaal verder met dezelfde ingrediënten. Maar er komt een element bij. De tegenstanders, de tegenkrachten roeren zich openlijk en treden steeds meer op de voorgrond. Er zit duidelijk een climax in het afkeurende en beschuldigende optreden van schriftgeleerden en farizeeën, woordvoerders van orde en autoriteit. Het zal uitmonden in de vermelding in het begin van het derde hoofdstuk dat ze plannen gingen smeden om Hem uit de weg te ruimen.
In heel zijn evangelie is Marcus karig met het aanhalen van Jezus, woorden of toespraken. Zo komt de klemtoon vanzelf meer op de praktijk te liggen: op de feiten, de daden, op de mirakelverhalen bijvoorbeeld. Daarin citeert Marcus wel regelmatig enkele woorden die Jezus tegen de zieke of noodlijdende zegt. Tot de man die in de macht was van de boze geest: zwijg stil en ga uit hem weg. Tot de melaatse: Ik wil, word gereinigd Tot de lamme van vandaag: sta op, neem uw bed en ga naar huis.
Maar tot deze lamme heeft Hij eerst nog wat anders gezegd dat van eelt geheel andere orde is. Onverwacht en ongevraagd is Jezus’ eerste reactie bij het zien van de gehandicapte die bij Hem werd gebracht, bij het zien – zegt de tekst – van het geloof van de mannen die hun kreupele vriend bij Hem brachten: ‘Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.’
Wij kennen het verhaal zo goed dat deze zin ons haast niet meer opvalt, waar hij zeker t6en heel wat vragen opgeroepen heeft en ook nu nog zou moeten oproepen. Onbewust beschouwen wij Jezus’ uitspraak als een passe-partout die Hij allicht regelmatig in de mond neemt bij ontmoetingen en genezingen. Nochtans is in heel het evangelieverhaal deze lamme de enige man tot wie Jezus zegt: ‘Mijn zoon (of mijn vriend), uw zonden zijn u vergeven.’
Bij Lucas is er ook nog het verhaal van de tot inkeer gekomen overspelige vrouw die Hem ten teken van boete de voeten wast. Haar spreekt Jezus op dezelfde wijze toe. Daar gaat het echter niet over een genezing, maar over een bekering van een publieke zondares.
In de verlamde man van Marcus kun je toch moeilijk het evenbeeld zien van de zondige vrouw bij Lucas. Het kan niet zo zijn dat hij en hij alleen tussen al zijn collega-zieken en collega-gehandicapten een zondaar was. Al evenmin is het denkbaar dat deze man, even zondig als ieder ander, in het evangelie de enige zou zijn geweest aan wie vergeving geschonken werd.
Waarom heeft Jezus dan precies hier deze zin uitgesproken: ‘Mijn goede vriend, uw zonden zijn u vergeven’? En waarom alléén hier? En waarom hardop waar Hij op talloze andere momenten allicht in stilte zal hebben gecommuniceerd met wie Hem benaderde of aansprak? Hardop, zodat niet enkel de lamme, maar ook de omstanders en onder hen de aanwezige schriftgeleerden het konden horen?
Jezus was zeker geen aanhanger van de vergeldingsleer, de leer die ziekte en lijden oorzakelijk met zonde verbindt. Maar waarom begint Hij dan bij deze man die naar genezing uitziet, over zonde? In elk geval maakt de Heer een duidelijk onderscheid tussen het ene en het andere. Zondevergeving is van een geheel andere orde dan ziekte genezen of mensen van hun handicap verlossen. Tegen iemand zeggen: ‘Uw zonden zijn u vergeven’, is heel wat anders dan tegen diezelfde man zeggen: ‘Sta op en wandel
naar huis.’
Dit duidelijk te maken is precies de reden van de onverwachte uitspraak van de Heer. Zo wil Hij zijn overtuiging, zijn leer, zijn boodschap hieromtrent overbrengen: bij de gehandicapte zelf in de eerste plaats, maar tegelijk bij de omstanders en in hun midden inzonderheid de schriftgeleer-
den.
Mijn zoon, mijn goede vriend, jij denkt misschien van jezelf dat je omdat je gehandicapt bent, in Gods verdomhoekje zit waarin de samenleving en haar wetten en leiders je hebben geduwd, omdat je er volgens hen thuishoort. Maar dat is niet zo. Jij bent niet meer of niet minder zondaar dan al je medemensen. Jij bent niet minder dan zij een kind van de Vader die je in zijn hart draagt en in zijn barmhartigheid koestert. En mijn zending is het, deze Blijde Boodschap te verkondigen: Gods barmhartigheid te bevestigen, je uitdrukkelijk te zeggen en te verzekeren dat je zonden je vergeven zijn. En Ik wil expliciet dat je medemensen dat ook horen en eten.
Voor de omstanders en in het bijzonder de gezagdragers onder hen is het een aanmaning om hun gestagneerde visie op lijden als straf te herzien en zich niet veroordelend en denigrerend maar respectvol te gedragen in de omgang met de zwakkeren: te doen wat mogelijk is om hun nood te lenigen in plaats van hen met de vinger te wijzen en te mijden als de pest. Anderzijds is het een oproep tot allen om te geloven in en zich toe te vertrouwen aan Gods barmhartigheid die in de HeerJezus in hun midden werkzaam aanwezig is.
Hierin in-uners hebben de farizeeën in hun binnensmondse reactie gelijk: alleen God kan zonden vergeven. Maar de conclusie die zij uit het gebeuren trekken, is verkeerd: dat deze Jezus niet Gods gezalfde is of kan zijn, geroepen en gezonden om Gods erbarmen te prediken en in praktijk
te brengen. Vandaar ook Jezus’ extra bewijs: wat is gemakkelijker te zeggen, ‘Uw zonden zijn u vergeven’ of ‘Sta open wandel’?
Want ook zieken zomaar gezond maken, duivels doen zwijgen en gehandicapten van hun handicap bevrijden, ook dat kan alleen God. Maar,
zegt Jezus, omdat je dit met je ogen gezien hebt, kun je niet anders dan
aannemen dat Ik van Godswege gezonden ben om zijn goedheid te openbaren en in praktijk te brengen door mijn daadwerkelijke zorg voor men-
sen. Welnu, als je het ene aanvaardt omdat je het ziet met je ogen, open dan je hart om ook het andere te aanvaarden dat je niet ziet. Neem van Mij aan dat Ik gemachtigd en gezonden ben om vrede te brengen en om barmhartigheid te verkondigen en er gestalte aan te geven.
Lijden is geen bewijs van zonde. Jezus’ zending is het evenwel om tegelijk het ene te bekampen en het andere te bestrijden: het ene met goedheid, het andere met erbarmen; het ene met helpende zorg, het andere met zalvende verzoening.
Wat een dubbele bevrijding voor de gehandicapte in kwestie: te weten dat hij volop thuishoort in de liefde van God en in de vriendenkring van mensen; én te ervaren aan den lijve dat hij weer lopen kan.
Laat ons nog even stilstaan bij de kernzin waar alles omheen draait: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’ Is het u al eens opgevallen dat er niet staat:
‘Ik vergeef uw zonden’? Jezus’ uitspraak heeft dan ook meer weg van een
mededeling die een bestaande situatie bevestigt (uw zonden ‘zijn’ vergeven – zo ‘is’ dat), dan van een persoonlijke ingreep op het moment zelf.
Dat betekent dat wie op Jezus een beroep doet en zich aan Hem toevertrouwt, wie met andere woorden in Hem gelooft, in dit geloof gedragen door enkele helpende vriendenhanden, ervan opaan kan dat Gods barmhartigheid hem te beurt valt en de facto geschonken wordt.
Daarbij echter voegt zich nog de genade van het moment: het ogenblik dat de liefdesrelatie met de Vader, telkens weer verbroken en geschonden,
opnieuw hersteld en bevestigd wordt. Ook dat moment is nodig. Mensen hebben behoefte aan expliciete momenten, noem het ‘sacramenten’ van de verzoening
Ouders zullen in hun hart zeker heel vlug de misstappen van hun kinderen vergeten en vergeven. Maar kinderen hebben er behoefte aan dat vader of moeder het ook uitdrukkelijk zegt en verwoordt: je bent opnieuw mijn lieve schat; je krijgt opnieuw al mijn vertrouwen en verwachting.
Dit geldt voor alle relaties en banden tussen mensen onderling, zoals het geldt voor ieders diepste relatie met God. Het gaat erom te leven vanuit de zekerheid, diep in ons hart, van de vergiffenis ons geschonken, zoals dat bevestigd wordt in expliciete woorden en daden, gebaren en tekenen
van verzoening.
‘Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.’

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x