Jaar B, DHJ 5

Vijfde zondag door het jaar B – Marcus 1, 29-39

De eerste lezing was een kort uittreksel uit het boek Job. Bitter weinig mensen in onze tijd heten zo, en toch is Job een heel bekende naam. Ieder van ons weet wat een jobstijding is; iedereen kent de zegswijze ‘zo arm als Job’. Maar hoewel algemeen aanvaard wordt dat het Bijbelboek Job qua inhoud en vorm wereldliteratuur is, is het zeker geen populair en veelgelezen geschrift.

In onze oude ‘gewijde geschiedenis’ volgde Jobs verhaal kort na dat van Abraham. Het was ons als kind vrij goed bekend, zeker beter dan bij de zogeheten ‘jeugd van tegenwoordig’ het geval is. Trouwens, het verhaal zelf maakt slechts een klein gedeelte uit van het hele boek.

Het geheel is stevig gestructureerd en klassiek van vorm. Omgeven door het proza van de korte proloog en epiloog waarin het verhaal verteld wordt, staat de poëzie van het uitgebreide middendeel.

Het geschrift is tegelijk primitief en revolutionair. Primitief omdat het duidelijk opklimt naar de tijd van depatriarchen: ‘pre-historisch’ in de enge zin van het woord. Revolutionair omdat het als eerste Bijbel-geschrift radicaal ingaat tegen de traditionele vergeldingstheorie betreffende het lijden als zijnde
bij bepaling een straf voor de zonde.

Primitief is zeker ook het verhaal zelf. Job is een rijk en machtig man die daarenboven vroom is. Dat steekt satan de ogen uit. Deze daagt God uit Job op de proef te stellen. God neemt de uitdaging aan en laat Job terechtkomen in de grootste ellende van eenzaamheid, armoede en ontbering. De epiloog vertelt dan hoe Job in de beproeving trouw gebleven is, Godsgetrouw, en daarom gerehabiliteerd wordt.

Het best bekende en meest geciteerde vers uit Job komt al voor in de proloog. Het geldt als de samenvatting van Jobs volgehouden trouw. ‘Naakt kom ik uit de schoot van moeder aarde, naakt keer ik daar terug. Jahwe geeft, Jahwe neemt: gezegend de naam van Jahwe.’ Maar naast deze woorden heeft Job wel heel wat andere dingen gezegd die minder stichtelijk klinken. Die behoren tot de revolutionaire poëzie van het middendeel.

Dit is in hoofdzaak een lange discussie tussen Job en drie zogezegde vrienden, aanhangers van de traditionele vergeldingstheorie dat lijden het bewijs is van bedreven kwaad. Volgens hen moet Job zijn geweten maar eens onderzoeken en boete doen. Tegen dit ongenuanceerde oordeel tekent Job protest aan. Zijn ervaring leert hem dat deze theorie niet klopt. Hij is onschuldig en zoekt bijna wanhopig naar een ander antwoord op het waarom van het lijden.

Na heel wat heen-en-weergepraat waarbij ieder op zijn standpunt blijft, eindigt de discussie zonder uitweg. Meer dan ooit is Job overtuigd van zijn onschuld. En hij durft het zelfs aan, God zelf uit te dagen om het tegendeel te bewijzen. Men verwacht nu een rechtstreekse interventie in het gesprek van God zelf. En na enige tijd komt die er ook.

God veroordeelt Jobs vrienden om wat zij over God durven te verkondigen. Lijden is geen straf en geen bewijs van zonde. Maar Job zelf wordt daarom niet in het gelijk gesteld. Zijn verzet is correct, niet echter dat hij zijn Schepper terechtwijst. Mensen past een bescheidener houding tegenover Gods grootheid en het wonder van zijn schepping. Er rest Job niets anders dan zich hiervoor neer te buigen.

Is hiermee het probleem van het lijden, van de zin ervan opgelost? In onze dagen is dit zeker niet het geval. Het strookt gewoon niet met onze menselijke waardigheid om het lijden zomaar te accepteren. Toen niet en nu niet. Wij moeten ons ertegen verzetten met alles wat in onze macht ligt. Maar tegelijk behoort het tot het mysterie van de schepping dat wij het leven aanvaarden mét het lijden dat er onvermijdelijk deel van uitmaakt. Het lijden zelf is en blijft op zich zinloos; het maakt het léven echter niet zinloos, ook niet als dit er diep en hard door getekend wordt. Lijden maakt de schepping niet zinloos in haar groei naar het ideaal van in den beginne.

Dit was wel een hele boterham als commentaar bij en duiding van die ene korte lezing uit het Oude Testament. Maar wij vonden het de moeite waard, omdat in het boek Job de universele problematiek van het lijden zo veelzijdig en zelfs actueel benaderd wordt; diepgaander en genuanceerder dan uit de eerste lezing op zich naar voren komt.

Overigens komt het boek Job in de zondagse liturgie nog maar één enkele keer elders aan bod. Er zijn commentatoren die, gezien de moeilijkheidsgraad ervan, dat maar best vinden zo. Anderen menen misschien wel terecht dat Job liturgisch iets te stiefmoederlijk behandeld wordt.

Want zoals de teksten van het Oude Testament niet enkel gelezen worden op zich, maar als een vaak verhelderende achtergrond voor het Nieuwe Testament, vooral voor de evangelies, zo is ook het boek Job een betekenisvolle en veelzeggende omkadering voor het bevragen en begrijpen van Jezus’ boodschap en levenshouding ten overstaan van het lijden, heel concreet al bij het evangelie van vandaag over de avond van Jezus’ eerste optreden in Kafarnaüm.

De vraag is dan dubbel. Enerzijds: hoe gaat Jezus om met de lijdende mensen die Hij ontmoet? En op de achtergrond daarvan anderzijds; hoe zal Hij omgaan met het lijden dat Hijzelf ‘eventueel’ te dragen krijgt?

Vanaf het begin is het duidelijk dat de hulp aan de noodlijdende mens bij bepaling het onvermijdelijke verlengstuk is, het logische gevolg van de leer die Jezus verkondigt. De woorden van zijn eerste onderricht zijn nog niet koud, of Hij bevrijdt in de synagoge een zielszieke man van zijn bezetenheid. En ingaand op een miniem signaal van zijn nieuwe vrienden en volgelingen gaat Hij naar hun huis en geneest een moeder die koorts heeft.

Is daarmee het probleem van het lijden opgelost? Met die enkele wondere genezingen? Zo redeneert de Heer niet; dat je maar beter niets doet, omdat het toch de oplossing niet is, integendeel!

In tegenstelling tot Jobs vrienden veroordeelt Jezus geenszins de lijdende als zondaar, schuldig en gestraft. Zijn God is anders. Het is een barmhartige Vader; en die barmhartigheid zet de Zoon om in praktijk. Het kleinste gebaar van goedheid telt mee en is beter dan bij de pakken te blijven neerzitten en machteloos toe te kijken.

Zoals Job zelf aanvaardt Jezus het lijden niet. Heel zijn wezen komt ertegen in verzet. Hij doet mensen opstaan. Hij gelooft vast dat mensen – elkaar kunnen doen opstaan uit koorts en bezetenheid. Daarin gaat Hij ons voor. Allicht heeft de evangelist welbewust die term gekozen waarmee ook de verrijzenis wordt aangeduid: opstanding. Opstanding ten leven: nu nog stap voor stap, ooit eens en voorgoed.
De keerzijde van de vraag is, hoe deze Genezer zal omgaan met de kwaal die Hemzelf allicht ooit zal treffen. Die is uiteraard nog niet aan de orde, noch in het verhaal, noch in het perspectief van het moment, en zelfs niet, denken wij, in het bewustzijn van de Heer Jezus.

Maar wij kunnen ons niet van de idee ontdoen dat die ergens wel aanwezig moet zijn geweest in dat mysterieuze nachtelijke gebed. Je hoeft geen gedachtelezer te zijn om te weten dat Jezus’ gebed heel veel te maken zal hebben gehad met ons, of liever zijn onzevader: het gebed des Heren. Geheiligd zij uw Naam, uw Rijk kome, uw wil geschiede. Verlos ons van het kwaad. In de Hof van Olijven werden deze beide laatste frasen sterk gekleurd door de nu wél actuele dreiging van naderend lijden. Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan; maar niet mijn wil, uw wil geschiede. Jezus’ verzet tegen het lijden is dan niet verworden tot lijdzaamheid, maar is ook wat Hemzelf betreft uitgegroeid tot aanvaarding van het lijden, als het onafwendbaar deel uitmaakt van zijn eigen leven ten gevolge van zijn totale onverzettelijkheid voor waarheid en barmhartigheid, voor trouw en goedheid.

Hij is gehoorzaam geworden tot de dood. Daarom zijn wij door zijn kruis verlost. Daarom heeft God Hem zeer verhoogd. Daarom heeft de Vader Hem doen opstaan ten leven.

Nog even terug naar Job. In de nocturnen van de dodenliturgie kwamen voor het concilie negen lezingen voor uit het boek Job. Een Franse liturgist zei ooit, in een oprisping tegen de liturgische vernieuwing van Vaticanum II: ‘Zij heeft Jobs rol aanzienlijk verkleind door hem in de viering van het sterven het woord vrijwel te ontnemen… Door de liturgie beroofd van het recht tot spreken dat zelfs satan hem niet had ontnomen, heeft Job wel reden tot klagen.’ Poëtisch gezegd, maar toch wat overdreven van deze Jobsfan.

Actueel komt in het getijdengebed van de overledenen nog slechts één korte lezing uit Job voor. Het is een tekst die vele mensen kennen, zonder te vermoeden dat hij uit deze hoek afkomstig is. Het is de tekst van de prachtige verrijzenisaria uit Händels Messias: Ik weet, ik ben er zeker van dat mijn Verlosser leeft; uiteindelijk zal Hij in deze wereld binnentreden. En al ben ik nog zo geschonden, ik zal God zien met de ogen van dit lichaam.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x