Jaar B, DHJ 4

Vierde zondag door het jaar B – Marcus 1, 21-28

Didactiek is de leer over het leren, over het onderricht geven. In hun cursus didactiek maken de toekomstige leraars kennis met de knepen van het vak. Een klassiek model hierbij is de zogeheten didactische driehoek. De Griekse hoofdletter Delta (waarmee het woord ‘didachè’ begint) heeft de vorm van een gelijkzijdige driehoek, zodat deze delta een zeer zinvol symbool is voor de didactiek.

Kenmerkend voor deze figuur is immers dat elk van de drie hoeken niet alleen eender verbonden is niet de beide andere, maar ook even groot is als beide andere. In casu betreft het: de leerstof, de leerling en de leraar.

In de oude onderwijsleer was er een hiërarchie tussen de drie partners. Bovenaan stond de leerstof de leraar moest deze doorgeven aan de leerlingen. Een stadium later stond de leraar bovenaan. Hij was de spilfiguur die de leerstof aan de leerlingen bijbracht. Nog een stap verder (en dat is dan al modern) komt de leerling op de eerste plaats. Terecht staat het kind centraal in het leerproces.

In feite echter is iedere hiërarchie verkeerd. Ze doet afbreuk aan de perfecte symmetrie van de gelijkzijdige driehoek. Toekomstige onderwijzers leren dat ze volop rekening moeten houden met leerstof én leerling. Dat is juist en spreekt voor zichzelf, als je daarbij niet vergeet dat je ook volop rekening moet houden met jezelf, met je eigenheid, je persoonlijkheid. Het is een kwestie van het juiste evenwicht vinden, zegt men, tussen de drie hoeken van ieder 60°. Beter is het te zeggen dat het de kwestie is dat ze alle drie voor honderd procent partner zijn in en deelhebben aan het ene gebeuren.

In het evangelie van vandaag komt het woord didactiek zomaar even vijf keer voor in een of andere vorm. De Heer Jezus geeft zijn eerste les. En de mensen die ze bijwonen in de synagoge van Kafarnaüm, zeg maar de leerlingen van het eerste uur, zijn stomverbaasd over zijn didactiek, zijn didachè, de leer die Hij verkondigt; stomverbaasd over wat Hij vertelt. Tegelijk betreft hun verbazing de manier waarop: hoe Hij zijn leer verkondigt, hoe Hij hun vertelt wat Hij te vertellen heeft.

En ze vallen van de ene verbazing in de andere, als de kersverse leraar de daad bij het woord voegt, als Hij zijn leer rechtstreeks en onmiddellijk in praktijk brengt: als Hij het kwade bedwingt en metterdaad bewijst dat het goede sterker is.

De evangelist gebruikt in dezelfde perikoop herhaaldelijk een tweede woord, wanneer Hij de reden aangeeft voor die verbazing van de leerlingen: gezag, een leer met gezag. Een leer met gezag wil zeggen: een leer waar je, door haar authenticiteit, wegens haar superieure waarde en waarheid, ontzag voor hebt. Maar als reden geldt tegelijk dat deze leer met gezag verkondigd wordt. Dat wil zeggen: dat de leraar zelf ook ontzag inboezemt bij zijn publiek. Het waarom wordt niet met evenveel woorden gezegd. Wij kunnen het invullen vanuit onze delta, onze didactische driehoek. Heel zeker is het, omdat de aanwezigen aanvoelen dat Hijzelf, de leraar, ontzag heeft voor zijn eigen leer, voor de waarde en waarheid die Hij predikt; én dat Hij ontzag heeft, respect opbrengt voor zijn leerlingen, de toehoorders.

Hetzelfde woordje gezag wordt door de auteur ook gebruikt in relatie tot de praktijk in het verlengde van de les. De mensen zijn nog eens extra verbaasd dat Hij, de gezagvolle in de leer, even gezagvol is in het leven: dat Hij gezag heeft over het kwade, het kan bedwingen en in bedwang houden, de tegenmacht het zwijgen kan opleggen.

De diepe grond van Jezus’ gezag is dus dat Hijzelf gelooft in de waarheid, dat Hij gelooft in Degene die Hem gezonden heeft om deze te verkondigen, om zijn leerstof te onderwijzen. Meteen echter gelooft Hij in degenen tot wie Hij gezonden is: de mensen, de leerlingen in de school van het leven. En dit geloof is geen theoretische aangelegenheid, maar een heel concrete en praktische overtuiging dat het goede het kwade aankan en overwint.

Geloof in de waarheid; geloof in de liefde; geloof in de goedheid. Geloof in God, de Vader, de Schepper van hemel en aarde; geloof in de mens, kind van God, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis; geloof in de zwakke, in de kwetsbare, de gekwetste mens.

Uiteindelijk zijn de mensen er verbaasd over, hoe deze leraar, integer en overtuigd, gezagvol en enthousiast als Hij is, duidelijk in zichzelf gelooft: in zijn taak, in zijn zending en in de uiteindelijke realisatie ervan.

In zichzelf geloven? Is dat niet in tegenspraak met wat Jezus later zal voorhouden als een kernpunt van zijn Leer: zichzelf vernederen, zichzelf verloochenen? Integendeel, in zichzelf geloven betekent noch min noch meer dan: geloven in je roeping en in de genade die je ervoor geschonken wordt; geloven dat je in staat bent, aan jezelf voorbij, tot de liefde, tot de intimiteit van de aanbidding en tot de overgave aan de dienstbaarheid.

Het evangelie van Marcus in zijn geheel valt op doordat er maar weinig woorden zijn opgetekend die Jezus heeft uitgesproken, laat staan redevoeringen, lessen. Ook hier, bij het korte verslag over zijn eerste onderricht, staat niet wát de Heer in feite verteld heeft. De inhoudelijke essentie van zijn boodschap is duidelijk wél aanwezig: waarheid, liefde, goedheid, eerbied, engagement, zorg voor wie in nood is en hulp behoeft.

In weinig woorden vernemen wij toch heel wat over de nieuwe leraar. De duidelijkste taal wordt dan nog gesproken door de bezetene: Jezus van Nazareth, ik weet wie Gij zijt: Gij zijt de Heilige Gods.

Bij nader toezien zegt dit Marcusfragment ook heel wat over de toehoorders, de leerlingen, de inwoners van Kafarnaüm, in de synagoge aanwezig om er te bidden en te leren. Er worden positieve dingen over hen gezegd. Dat ze zich verbazen, dat siert hen. Het betekent dat ze geluisterd hebben en hun oren hebben geopend, dat er ergens iets tot hen is doorgedrongen en dat ze hun harten hebben geopend. Er is onmiskenbaar een kiem van beginnend geloof aanwezig in deze gemeenschap.

Wij denken al gauw dat de mensen destijds vanaf het begin weigerachtig en afwijzend tegenover Hem stonden. Het overgrote deel van Marcus’ evangelie zegt echter iets anders. Talrijke mensen komen naar Hem toe, zij zijn hoopvol gestemd en vol verwachting. Tot de tegenpartij behoren de schriftgeleerden en oversten, de leraars die zich gekrenkt voelen in hun tot dan toe onbetwist en nu ondermijnd gezag en die steeds meer zoeken naar middelen om Hem uit te schakelen en het volk daarbij aan hun kant te krijgen.

Alleen in Nazareth, daar liep het vanaf het begin verkeerd. Als Marcus in het begin van het zesde hoofdstuk Jezus’ optreden in de synagoge van zijn vaderstad vermeldt, moet hij besluiten dat de Heer er geen enkel wonder kan doen. Het was, zegt Marcus, zijn beurt om verbaasd te zijn: ‘Hij stond verwonderd over hun ongeloof.’ Maar in Kafarnaüm was er wél dat gelovige klimaat binnen de gemeenschap aanwezig, zodat Jezus een zielszieke medeleerling van zijn bezetenheid bevrijden kon.

Van de mensen van Kafarnaüm hebben wij in onze tijd te leren dat, als wij onze oren en ons hart openen voor wat er om ons heen gebeurt, voor wat wijze en overtuigde mensen ons te vertellen hebben, voor datgene waarin goede mensen ons voorgaan, als wij het stil maken in ons hart en een plaats opzoeken om te bidden en te luisteren.., dat wij dan ongetwijfeld redenen genoeg zullen vinden om ons te verbazen over zoveel waarheid en liefde, goedheid en integriteit om ons heen.

Ook van de Jezus van Kafarnaüm hebben wij te leren wat onze eigen zending en ons eigen getuigenis betreft: dat ze eerlijk en oprecht steunen op ons geloof in de liefde en de goedheid, in de God van liefde en erbarmen; op ons geloof in de medemens; en ten slotte ook op ons geloof in onszelf als gezondene en geroepene tot de dienst en als drager van zoveel genade.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x