Jaar B, DHJ 33

Drieëndertigste zondag door het jaar B – Marcus 13, 24-32

Het kerkelijk jaar loopt ten einde. Volgende zondag vieren wij Christus-Koning. Een week later begint alweer een nieuwe advent.

Op deze voorlaatste zondag wordt als evangelie telkenjare een tekst gelezen uit de laatste hoofdstukken van Marcus, Matteüs of Lucas, de hoofdstukken die onmiddellijk voorafgaan aan het lijdensverhaal. De Heer Jezus is aan het woord en heeft het in het licht van zijn eigen naderend levenseinde, over het einde van de tijden, het einde van de wereld.

Opvallend is dat aan het begin van het nieuw liturgisch jaar, op de eerste zondag van de advent, de kerk haar evangelie kiest uit dezelfde profetische afscheidswoorden van de Heer over het einde van de wereldtijd. Zo wordt de kring gesloten, de ‘jaar’-kring: God staat aan het begin en Hij komt aan het einde. Hij is van al het zijnde oorsprong en doel en zin.

Toch lijkt de ondertoon op beide momenten verschillend. Bij het begin van de advent klinkt het geschetste toekomstbeeld positiever, hoopvoller. Op deze zondag is de klank veeleer onheilspellend. Het accent lijkt te liggen op mislukking en ondergang van wereld en mensheid, op dreigende chaos en universele verwarring.

Dat is typisch voor alle apocalyptische passages en geschriften in de Bijbel, met op de eerste plaats het enige nieuwtestamentische boek in dit genre, de Apocalyps van Johannes. En toch, en dit is het tweede kenmerk van de apocalyptiek, wordt deze dreigende ondertoon duidelijk overstemd door de belijdenis van een rotsvast geloof.

Geen paniek ondanks de chaos, zo luidt de boodschap, de met recht en reden zo genoemde ‘Blijde’ Boodschap. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, zegt de Heer, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. Mijn woorden zullen niet worden achterhaald, ook niet door het einde van de wereld: de woorden die Ik tot u gesproken heb over de onstuitbare komst van het Rijk Gods.

De mensen zeggen: het einde van één is het einde van de wereld niet. Ook toen Jezus voor zijn stervensuur stond, zeiden de mensen: het is beter dat er één mens sterft voor heel het volk; de dood van één is het einde van allen niet.

Jezus zegt: het einde van de wereld is niet het einde van God; het einde van het leven is niet de dood van de levende God.

Voor ons is de boodschap: ondanks mislukking en vernietiging, ondanks manifeste hopeloosheid en troosteloosheid is er toekomst! God zelf zal ze waarmaken. Hij blijft zijn weg gaan. Hij zal de nieuwe wereld in het leven roepen.

Dat lijkt de grootste naïviteit van religie in het algemeen en christendom in het bijzonder: de onmogelijke droom van het hiernamaals tegenover het ruwe realisme van de vergankelijkheid.

Naïef is ongetwijfeld de redenering die hier nogal eens aan vastgeknoopt wordt. Aangezien er toch niets aan te doen is en God er toch zelf voor zal zorgen, kunnen noch hoeven zij er iets aan te doen. Laat ons maar gewoon bij de pakken gaan neerzitten en afwachten: de ene het einde, de andere de eeuwigheid, ieder naar eigen geloofskeuze.

Maar de geschiedenis leert ons dat de mens gelukkig zo niet in mekaar zit. En zo staat het ook helemaal niet in het evangelie, dat weliswaar alle geweld als verweermiddel uitbant en eenduidig verwijst naar de methode van de dienstbaarheid.

Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. Zijn woorden: Ik geef u een nieuw gebod, dat gij elkander liefhebt. Als iemand de eerste wil zijn, moet hij de dienaar van allen worden. Nergens staat dat dit niet meer nodig is, dat de christelijke grondwet ophoudt te bestaan, ‘wanneer gij al deze dingen ziet en weet dat het einde nabij is’.

Deze gedachte wordt prachtig en heel concreet ontwikkeld in een weinig gelezen en daarom ook minder bekende passage uit de eerste Petrus-brief (4,7 sv).

‘Het einde van alle dingen is nabij. Wees dus bezonnen en nuchter om te kunnen bidden. Beoefen vooral de onderlinge liefde met volharding, want de liefde bedekt tal van zonden. Betoon elkaar gastvrijheid zonder morren. Dien elkaar, als goede beheerders van Gods veelsoortige genade met de gaven zoals ieder die heeft ontvangen.’

Het sterkste woordje in deze tekst is mijns inziens het tweede van de tweede zin: wees ‘dus’ bezonnen, ‘dus’. En dit ‘dus’ moet je bij ieder nieuw vers in gedachte herhalen.

Het einde van alle dingen is nabij. ‘Dus’ wees bezonnen en nuchter om te kunnen bidden. ‘Dus’ beoefen de onderlinge liefde. ‘Dus’ betoon elkaar gastvrijheid. ‘Dus’ dien elkaar. ‘Want’: het einde van alle dingen is nabij. ‘Want’: hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. En ‘dus’…

Heel wat mensen zullen deze redenering pas écht naïef en levensvreemd vinden. Maar dat is ze niet. En dat weten wij allemaal in het diepst van ons hart, tenminste als het ooit door liefde is geraakt.

Hoe dichter het einde nabij is, hoe dringender de volle inzet noodzakelijk wordt. Hoe meer de zaak verloren lijkt, hoe feller wij ertegenaan moeten gaan, met enkel de wapens van de dienstbaarheid. Hoe uitzichtlozer en ongeneeslijker, hoe meer verziekt en onverbeterlijk de situatie of de mens aan onze zorgen en liefde toevertrouwd, is, hoe meer onze zorgen en liefde hun volle gratuite betekenis krijgen.

Want hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan, zegt de Heer.

Een onbekende oude liedjesmaker dichtte en componeerde in een eindeloze canonvorm zijn eigen volkse versie van deze boodschap-ten-einde-toe:

Hemel en aarde zullen vergaan.
Vrolijke musici blijven bestaan.

Van naïviteit gesproken. En daarenboven is het nog heidens ook. Maar ja, het is dan ook niet meer dan een simpel en prettig woordspelletje. Alhoewel.., voor wie het goed begrijpt, is het pure humane en evangelische waarheid en wijsheid.

Het geeft aan hoe zingen en muziek, hoe kunst in het algemeen een diepe levensdimensie in zich draagt van hoop en troost, van bevrijding en bestendigheid. Over ‘eeuwige schoonheid’ hebben wij het: een stukje hemel op aarde van harmonie en ontroering, afglans van het mysterie zelf.

Kunst is geen vlucht uit de werkelijkheid, zoals weleens wordt beweerd.

Evenmin als religie dat is. Kunst is een stuk werkelijkheid. Gelukkig is het af en toe de barre werkelijkheid op haar kop, dezelfde monotone werkelijkheid van haar mooiste en kleurrijkste kant gezien, ook als het gaat over de weergave of de verklanking van minder mooie dingen en feiten.

Wat een bevoorrechte mensen zijn musici en kunstenaars, met zulke mogelijkheden en zo’n maatschappelijke taak! Bij bepaling moeten kunstenaars dan ook dienstbare mensen zijn. Kunst om de kunst mist elke zin en betekenis.

Het spreekt voor zich dat deze beschouwingen optimaal van toepassing zijn op religieuze kunst, op kerkmuziek, met name ook op de rol van zingen en muziek binnen de liturgie: als een onmiskenbare en onmisbare hoeksteen van de eredienst.

Uiteindelijk echter geldt ook voor kunstenaars en musici de evangelische boodschap van vandaag: dat het eropaan komt erin te blijven geloven, op het moment dat de tegenschijn en de tegenkrachten zich aandienen en opdringen.

Soms heb je de indruk dat het met de kunst gedaan is, als je ziet wat allemaal kunst genoemd wordt. Soms heb je de indruk dat het met de muziek afgelopen is, als op ieder podium plaats moet worden ingeruimd voor al dat georganiseerde en gecommercialiseerde lawaai.

Als je eigen hemel en aarde van schoonheid lijken te vergaan, ‘als je al deze dingen ziet gebeuren’, dan precies moet je erin blijven geloven; en met Sinte-Cecilia mee het simpele lijfliedje herhalen van een nooit ophoudende litanie:

Hemel en aarde zullen vergaan. Vrolijke musici blijven bestaan.
Hemel en aarde zullen voorbijgaan, zegt de Heer, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.