Jaar B, DHJ 30

Dertigste zondag door het jaar B – Marcus 10, 46-52

Met dit verhaal over de wonderbare genezing van de blinde van Jericho eindigt het middendeel van het Marcusevangelie.

Het grote eerste deel speelde zich af in Galilea. De Heer Jezus verkondigde de Blijde Boodschap dat het Koninkrijk nabij was. Hij ging zijn land weldoende rond en genas velen.

Het derde deel zal zich afspelen in Judea, in Jeruzalem. Op het verhaal van vandaag sluit rechtstreeks de episode aan van de intocht in Jeruzalem: de stad van de tempel, Gods woning te midden van zijn volk; de stad van de onvermijdelijk geworden confrontatie, de afwijzing, het lijden en de kruisdood; maar uiteindelijk ook de stad van de vrede, de stad van de liefde die sterker is dan de dood, de stad van de opstanding op de derde dag.

Het tweede deel – tussen beide hoofdbrokken in – is veeleer beknopt. Hierin wordt de overtocht gemaakt van Galilea naar Judea, al is het helemaal geen reisverhaal. Het vertrekpunt is het noordelijkste punt van Galilea, Caesarea Filippi. Vandaar gaat het regelrecht naar beneden toe, parallel met de Jordaan, over een afstand van zowat 200 km tot in Jericho, waar de pelgrims uit Galilea de laatste bocht namen van de Jordaan weg naar Jeruzalem toe, amper nog 30 km vanhier.

Net voor de aanvang van dit middenstuk gaat het laatste mirakelverhaal van het eerste deel over de genezing van de blinde. In de loop van het tweede deel wordt nog slechts één ander wonder vermeld. Het deel eindigt andermaal met de genezing van een blinde, meteen ook het laatste mirakel in het Marcusevangelie. Deze structuur vinden wij grotendeels terug bij Matteüs en Lucas.

Tijdens dit centrale gedeelte wijdt Jezus zijn discipelen in in het diepste geheim van het Koninkrijk – in de kern van zijn boodschap. De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.

De rode draad erdoorheen is de drievoudige lijdensvoorspelling. Het is voor de Heer synoniem van naar Jeruzalem gaan. Je hoeft geen helderziende te zijn om met de zekerheid van de logica te vermoeden en te verwachten dat de confrontatie met de gevestigde macht en orde, binnen de muren van hun eigen bolwerk, er zal komen en onvermijdelijk zal aflopen in afwijzing, veroordeling en uitschakeling.

Maar zo zien de leerlingen dat niet. Zij gaan mee uiteraard. Waarom hebben zij anders alles prijsgegeven? Waarheen zouden zij anders gaan? Zij echter twijfelen allerminst aan de goede afloop en hun motivering is en blijft de ambitie om erbij te zijn, als het koningschap van David zal worden hersteld.

Jezus’ leerlingen, die Hem intussen zo goed hebben leren kennen, zijn als het ware ziende blind; blind zoals de farizeeën dat zijn voor de gerechtigheid, zoals de rijke jongen dat is voor de onthechting; blind voor de dienstbaarheid en de overgave; blind voor de consequenties van de liefde die de Meester hun heeft voorgeleefd, en voor die van het geloof dat Hij van hen vraagt. Wie de grootste wil zijn, moet de dienaar van allen worden. Dat lijken zij maar niet te kunnen vatten. Dat zien zij niet in. Hun ogen blijven blind voor de koninklijke weg van de Heer.

En dan zijn wij aan het verhaal van vandaag toe.

Langs de weg zit een blinde bedelaar. Op de achtergrond van wat wij net in herinnering geroepen hebben omtrent het ‘niet-zien’ van de twaalf, is het verhaal van zijn genezing zeer betekenisvol en spreekt het tegelijk voor zichzelf. Marcus’ bedoeling is duidelijk. In deze Bartimeüs wil hij het tegenbeeld schetsen van de leerlingen.

In tegenstelling tot de twaalf onderkent Bartimeüs zijn blindheid.

Zijn belijdenis evenaart als het ware die van Petrus: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij.’ Tegelijk is het een uiting van zijn ontluikende geloof dat in deze Jezus het Rijk is gekomen.

De vraag die Jezus aan hem stelt is dezelfde als die van vorige week aan de donderzonen: ‘Wat wilt gij dat Ik voor u doe?’ Hun antwoord getuigde toen van onbegrip, van blindheid. De Heer was om zo te zeggen machteloos om erop in te gaan. Het wederwoord van deze blinde getuigt van inzicht: ‘Maak dat ik zien kan.’

En zijn reactie en besluitvorming zijn tegengesteld aan die van de rijke jongen. Hij liet alles achter wat hij bezat. Zijn mantel was zijn enige have en goed. Hij wierp hem van zich af om de Heer te volgen. Hij sloot zich bij Jezus aan op zijn tocht. Het belangrijkste voor hem was niet dat hij zien kon, maar wel dat hij dankzij het licht dat hem geschonken was, wist welke richting het uit moest: Jezus volgen in zijn opgang naar Jeruzalem.

Het verhaal van de blinde van Jericho werd in de Lucasversie weliswaar, destijds gelezen als evangelie op zondag quinquagesima. Dat is in de preconciliaire liturgie de zondag voor Aswoensdag, het begin van de veertigdagentijd. Dat was een zinvolle keuze, als je de veertigdagentijd terecht ziet als de tijd van opgaan naar Jeruzalem, in het spoor van de Heer.

Dat heeft Willem Barnard prachtig uitgedrukt in zijn lied: ‘Alles wat over ons geschreven is.’

Zo in elk geval begint de laatste strofe van het tweede kerklied dat hij onder deze titel maakte (Zingt Jubilate, lied nr. 370): ‘Dit is uw opgang naar Jeruzalem waar Gij uw vrede stelt voor onze ogen.’

Het eerste lied met dezelfde titel en beginregel (Zingt Jubilate, lied nr. 327) werd specifiek gedacht en gedicht voor quinquagesimazondag: ‘Alles wat over ons geschreven is, gaat Gij volbrengen deze veertig dagen.’ Die versie sluit naadloos aan bij ons evangelie. Vooral de tweede strofe verwijst er letterlijk naar: ‘Uw schepping die voor ons gesloten bleef, ontsluit Gij weer; Gij opent onze ogen. 0 Zoon van David, wees met ons bewogen’…

Dit laatste vers is in de oudchristelijke traditie een typische gebedsformule geworden. Jezus, Zoon van David, heb medelijden met ons: Tesu, eleison. De formule op zich werd eindeloos herhaald als een poging tot onophoudelijk gebed. Van daaruit heeft ze zich ontwikkeld tot litanie-refrein in het algemeen om zijn belangrijkste plaats te vinden in onze liturgie, ook vandaag nog, als eerste deel van wat wij het Kyriale van de eucharistieviering noemen.

Onze laatste bedenking betreft veeleer de omstanders dan de blinde.

Onder het ene mirakel van de blinde die ziende wordt, gaat een ander wonderteken schuil waaraan wij achteloos voorbijgaan, omdat wij het helemaal niet opmerken.

Als de blinde bedelaar langs de weg verneemt dat Jezus voorbijkomt, roept hij boven alle rumoer en geroezemoes uit: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij.’ De omstanders snauwen hem af om hem het zwijgen op te leggen; zozeer lijkt zijn geroep hen te storen.

Maar hij stoort zich helemaal niet aan hun reactie en herhaalt zijn bede nog luider als het moet. Als Jezus daar positief op reageert, draaien plots de omstanders helemaal bij. In plaats van hem verder af te snauwen, moedigen zij hem aan en nodigen hem namens Jezus uit om op te staan en naderbij te komen.

Die ommekeer van de naamloze omstanders, van afsnauwen tot uitnodigen: is dat geen wonder op zich?

Moge dit wonder zich aan ons, aan kerk en wereld voltrekken ten overstaan van mensen die langs de weg zitten of liggen, hinderpalen vanwege hun mankementen, ordeverstoorders vanwege hun noodkreten. Dat wij hen niet afsnauwen en de mond snoeren, maar hen bemoedigen en met woord en daad uitnodigen om hun volle vertrouwen te stellen in de barmhartigheid en de menslievendheid van God, zoals Hij zich in de Heer Jezus heeft laten kennen en – God geve – Hij ook in ons een beetje herkenbaar wordt.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x