Jaar B, DHJ 29

Negenentwintigste zondag door het jaar B – Marcus 10, 34-45

Het Marcusevangelie is een mooi gestructureerde compositie met goed afgelijnde onderdelen en een gestage climax naar het finale hoogtepunt toe. Dat wordt bijvoorbeeld in de hand gewerkt door de wijze waarop Marcus Jezus’ leerlingen ten tonele voert.

Reeds bij het begin van Jezus’ optreden in Galilea vermeldt de evangelist de roeping van de eersten onder hen. Met vier zijn ze dan blijkbaar, vier vissers die de Heer uitnodigt om Hem te volgen; Simon en zijn broeder Andreas, en direct daarna de beide zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes.

Aan het einde van wat je als de inleiding kunt beschouwen, een globale schets van Jezus’ prediking en weldoende rondgang in Galilea, komt Marcus daar even op terug, als hij in hoofdstuk 3 de namen noemt van de twaalf ‘die Hijzelf wilde’, zegt de evangelist uitdrukkelijk, om Hem te vergezellen en om door Hem uitgezonden te worden. Vooraan in de rij staat Simon, die van Jezus de toenaam Petrus, steenrots, krijgt. Dan volgen in één adem genoemd de zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes. Ook dit tweetal krijgt van de Heer een bijnaam: donderzonen. Hierna komen de negen anderen, zonder toenaam.

Er moet dus wel wat bijzonders zijn met die eerste drie. En waarom déze koosnamen? Ik heb de neiging om Jezus van enige verborgen humor te verdenken. Tegen de wispelturigheid zelve zegt Hij: steenrots. En tegen die beide stille broers die hun mond amper opendoen: donderzonen.

Dat het over een geprivilegieerd trio gaat, blijkt uit de verschillende gebeurtenissen waarbij enkel zij gedrieën als getuigen aanwezig zijn. Dat is zo bij de eerste confrontatie tussen leven en dood, de opwekking van het dochtertje van Jaïris. Maar zij moeten er tot nader order over zwijgen. Dat is eveneens het geval bij de voorafgebeelde verheerlijking, de gedaanteverandering op de Tabor. Ook daarover moeten zij zwijgen tot na de definitieve confrontatie tussen dood en leven, kruis en verrijzenis; tot bij de definitieve verheerlijking van de opstanding.

Zou het misschien op de Tabor geweest zijn dat de donderzonen de inspiratie vonden voor hun vraag van vandaag: mogen wij links en rechts van U staan, de ene naast Mozes, de andere naast Elia?

Als de twaalf na hun eerste missie – hun eerste stage hebben wij het genoemd – bij Jezus terugkomen (dat gebeurt in het zesde hoofdstuk), noemt de auteur hen apostelen. Het is de enige keer in zijn hele geschrift dat hij dat doet.

Apostelen. Het zijn enerzijds tochtgenoten, anderzijds uitzendkrachten: mensen die getuige zijn van wat er gebeurt en van wat er gezegd wordt om dan ook zelf getuigenis af te leggen. Het eerste, het getuige zijn, is de onmisbare voorwaarde; het tweede, het getuigenis afleggen, is het logisch gevolg. Apostelen zijn vertrouwelingen die zendelingen worden. Wij zijn hier even op ingegaan, omdat in deze missiemaand (oktober) en dicht bij (of op) missiezondag het zo’n prachtige omschrijving is van ‘missionaris’: vertrouweling-zendeling, hij die deze beide kenmerken in zich verenigt, hij die gezonden wordt vanuit verbondenheid.

In wat volgt na het verhaal van de eerste missiereis van de twaalf tot op dit moment, heeft Jezus drie keer zijn lijden voorspeld: de eerste keer in hoofdstuk 8, de tweede keer in hoofdstuk 9 en de derde keer in hoofdstuk 10, dit is vlak vóór de net gelezen perikoop. En telkens was Jezus zeer duidelijk in zijn uitspraken: de Mensenzoon zal ter dood worden gebracht, maar na drie dagen zal Hij verrijzen.

Deze ene zin is als een soort binnenrefrein, een keervers, zoals wij dat in liederen kennen. Ook dat is een structuurmiddel dat veel bijdraagt tot de duidelijkheid van het geheel en tot de opbouw van de climax.

Telkenmale bij dit tussenrefein, ‘De Mensenzoon zal ter dood worden gebracht, maar na drie dagen zal Hij verrijzen’, wordt een reactie van de apostelen vermeld. Driemaal gaat het over een reactie die zeker niet positief te noemen is.

Bij de eerste gelegenheid gaat het over Petrus. Die heeft net tevoren in naam van de twaalf zijn belijdenis geformuleerd: ‘Gij zijt de Christus.’ Maar blijkbaar heeft hij ook goed begrepen wat Jezus daarna gezegd heeft. Dat kan hij echter onmogelijk aanvaarden. Hij protesteert met klem. Zijn goede bedoelingen ten spijt wordt hij ernstig terechtgewezen. De steenrots heet plots ‘duivel’. Ga weg, satan.

De tweede keer gaat het over de groep apostelen, de negen anderen allicht. Marcus zegt dat zij het niet begrepen hebben. Maar, de les van Petrus indachtig: zij durven niets te zeggen, niet te reageren, geen uitleg te vragen of wat dan ook.

Vandaag gaat het over Jakobus en Johannes. Hebben die het begrepen of hebben die het niet begrepen? Je zou denken van niet aan hun onverwachte vraag te horen: wilt U voor ons doen wat wij U vragen, Rabbi?

Jezus zelf denkt ook dat zij het niet begrepen hebben, maar dat zij het tenminste durven te zeggen en dat hun vraag er een om nadere uitleg is. Vandaar zijn eerste wedervraag: wat willen jullie precies dat Ik voor jullie doe?

Zij concretiseren hun vraag: de ereplaatsen in uw Rijk, alstublieft, de een naast Mozes, de ander naast Elia.

Zie je wel dat zij er niets van begrepen hebben. Daarom stelt Jezus een nieuwe tegenvraag – waarom is zijn reactie zoveel milder dan eerder jegens Petrus? – namelijk: Kennen jullie de consequenties van jullie vraag? Zijn jullie bereid die te aanvaarden?

Hun repliek hierop, die is pas opvallend te noemen: ja, dat zijn wij; ja, dat kunnen wij en dat willen wij. Meestal wordt dit door Bijbelcommentaren afgedaan als een argeloos en naïef voorbijpraten aan de kern van de zaak. Maar moet dat per se zo zijn? Donderzonen zijn het toch, iets dat bij Jezus vanaf het begin bekend is. En dat is een antwoord als een donderslag bij heldere hemel. Zelfs de Heer is erdoor overdonderd.

Wat alleen maar onbegrip en louter ambitie leek, zou enerzijds toch wel consequentie en trouw kunnen betekenen, al blijft het anderzijds uiteraard ambitie tot en met. Het kan zelfs zo zijn dat Jezus geroerd is dat die twee vertrouwelingen/zendelingen de kelk met Hem willen drinken en de doop willen ondergaan. Dat geeft hun ambitie in elk geval een andere klank en kleur.

Maar de Heer voegt eraan toe: dan moet je toch ook begrijpen dat Ik je vraag niet kán beantwoorden. Die is pas te beantwoorden als de kelk zal zijn geledigd en het doopsel voltrokken. Dat wil zeggen: als de ambitie om de eerste te zijn is uitgegroeid tot de ambitie om de slaaf van allen te worden; als de ambitie om de grootste te zijn is onderbouwd met de caritas als argumentatie: de grootste van allen om zodoende de dienaar van allen te worden. Dat is de enige volwaardige, gezonde christelijke ambitie.

Dit laatste antwoord richtte Jezus aan alle twaalf de apostelen, ook aan de anderen die boos waren, zegt de tekst. Allicht waren die niet boos omdat zij hun collega’s dom en arrogant vonden, maar omdat zij in de waan verkeerden dat het gras onder hun eigen voeten was weggemaaid.

Datzelfde antwoord van de Heer aan de twaalf, is trouwens ook weer een soort tussenrefrein, een keervers dat driemaal voorkomt, telkens volgend op een lijdensvoorspelling en op de noem het maar verkeerde reactie erop van de leerlingen.

De eerste maal in Caesarea Filippi: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen.’

De tweede maal toen, aansluitend op de tweede lijdensvoorspelling de discussie onder hen ook al ging over de grootste zijn: ‘Als iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste van allen en dienaar van allen zijn.’

En vandaag: ‘Wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet de slaaf van allen worden.’ En Jezus voegt er als een fundamentele beweegreden aan toe: ‘Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.’ In dit laatste zinsdeel herkennen wij overigens opnieuw de eerdere lijdensvoorspellingen.

Wat een heerlijk resumé van het gehele Marcusevangelie! Wat een prachtige compilatie van de kern van zijn Blijde Boodschap: dit driemaal herhaalde keervers met zelf telkens een tweevoudige geleding!

Ten eerste: het geloof in verlossing en verrijzenis. De Mensenzoon zal ter dood gebracht worden, maar drie dagen later zal Hij verrijzen.

Ten tweede (na de reactie van onbegrip vanwege de twaalf): de evangelische wet van de caritas. Wie onder u de eerste wil zijn, moet de laatste van allen worden en de dienaar van allen.

De slotzin van de lezing van vandaag is dan als het ware geen structureel maar een inhoudelijk keervers van het gehele evangelie, een titel en een conclusie: de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x