Jaar B, DHJ 28

Achtentwintigste zondag door het jaar B – Marcus 10, 17-27 of Marcus 10,17-30

In het evangelieverhaal van de rijke jongen komt andermaal en zeer scherp gesteld de tegenstelling aan bod tussen enerzijds de natuurlijke drang van de mens om het goed te hebben, om zich voortdurend te verbeteren, en anderzijds de boodschap van het christendom dat oproept om arm te worden, om zich te onthechten, zich prijs te geven omwille van het Koninkrijk.

Het lijken wel onverzoenbare uitersten. De rijke jongeman was ontsteld over Jezus’ woorden en ging ontdaan heen omdat hij vele goederen bezat. De leerling van Jezus daarentegen getuigt: zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen.

Een vraag die zich hierbij opdringt, is de volgende. Als je alles doet wat je moet doen, inclusief rechtvaardig en mild zijn, waarom moet je dan ook nog afstand nemen van je rijkdom? Hoe komt het dat rijkdom en bezit een mens blijkbaar ongeschikt maken om Jezus te volgen? Waarom kan de
rijke jongen geen leerling van Jezus zijn?

Het antwoord is: niet omdat hij te veel geld had, maar omdat hij er te veel aan vasthield, omdat hij er zich al te zeer aan vastgeklampt had. Dit evangelie gaat niet over de tegenstelling rijk – arm als zodanig. Als iedereen franciscaan zou (moeten) worden in de graad van Franciscus zelf, waar zou Franciscus zelf dan nog terechtkunnen voor zijn eten en drinken?

Er zijn rijke en er zijn arme mensen. Waar juist de grens ligt tussen beide, is niet zomaar te zeggen. Rijkdom is een relatief begrip. Wel is het zo dat aan beide kanten – de kant van de armen en die van de rijken – er mensen zijn die tevreden en mild in het leven staan. Blijkbaar zijn er heel wat meer die in alle mogelijke gradaties streven naar méér, enkel maar streven naar méér. Niet alleen rijke mensen doen dit en armen niet, integendeel. Maar van die laatsten is dat te begrijpen en logisch, of niet soms?

In een van zijn vele prachtige verhalen vertelt de Russische schrijver Leo Tolstoi de lotgevallen van een arme boer die amper het levensnoodzakelijke bezat. Plots krijgt hij een onverwachte kans. Een grootgrondbezitter biedt hem zoveel grond aan als hij op één dag kan afstappen, tussen zonsopgang en zonsondergang. Als enige voorwaarde geldt dat hij op het moment dat de zon ondergaat, net op dezelfde plaats terug is als waar hij ’s morgens vertrok.

Onze boer is dolblij. Hij zal lang geen hele dag nodig hebben om het stuk land af te stappen dat hem rijk zal maken. Vol goede moed gaat hij op weg, kalm en rustig. Maar plots overvalt hem de gedachte om deze unieke kans toch maar helemaal te benutten en zoveel mogelijk grond te verwerven. Dromend over nog meer rijkdom stapt hij sneller en sneller. Regelmatig controleert hij de stand van de zon om zeker niet te laat te komen. De kring die hij maakt, wordt steeds ruimer: hier nog een bosje, daar nog een vijver. Zijn stap wordt haastiger, zijn ademhaling gaat moeilijker; het zweet staat hem op het voorhoofd. Een laatste inspanning en hij bereikt zijn doel, nog net bij het licht van de ondergaande zon. Dat machtige stuk land behoort hem nu toe! Maar dan… dan valt hij plots neer en sterft. De inspanning heeft hem al te zeer uitgeput, zijn hart is eraan bezweken. Hem bleef uiteindelijk nog enkel dat minimale stukje land waar hij begraven werd.

Het verhaal van Tolstoi is zo universeel als het evangelie zelf. Wij kunnen niet voorbij aan de vaststelling dat rijkdom en bezit overal en altijd mensen zodanig boeien en fascineren dat zij er totaal door in beslag genomen worden: ze willen altijd maar méér, ze ontzien daar niets of niemand voor, zelfs hun eigen gezondheid niet, totdat ze eraan ten onder gaan. Drang naar kwantiteit gaat synoniem worden van streven naar levenskwaliteit. De drang om op te hopen en op te stapelen gaat alle andere levenskrachten verlammen en maakt het blikveld zó bekrompen dat er geen plaats meer is voor wat anders, zeker niet voor iemand anders of voor God.

Deze attitude van bezitterigheid, hebberigheid beperkt zich niet tot geld of materiële goederen. Hetzelfde kan gelden voor alle mogelijke menselijke eigenheden, capaciteiten: het werk, de hobby, de studie, de vakantie, de vriendenkring, de belangenvereniging… Je kunt er totaal in opgaan, er helemaal door opgeslorpt worden. Of je kunt er afstand van nemen en houden omwille van het Rijk, omwille van andere, diepere levenswaarden, omwille van het geheel, omwille van de medemens, omwille van God.
Is dit evangelieverhaal van de rijke jongen niet in tegenspraak met bijvoorbeeld de parabel van de talenten? Je moet woekeren met je talenten, heet het daar: dat ze het dubbele opbrengen, veel vrucht voortbrengen, zo wordt dat in Bijbelse taal genoemd. Maar bij de gelijkenis van de talenten gaat het niet over ‘onze’ bezittingen, ‘ons bezit’, maar over het eigendom van de Schepper dat Hij ons in bruikleen heeft gegeven, ons heeft toevertrouwd voor de uitbouw van ons geluk en het geluk van de medemens.

Beide evangelieteksten moeten wij tezamen nemen om eruit te leren dat wij geroepen zijn om afstand te nemen van de dingen, om op zo’n onthechte manier met de dingen om te gaan dat wij er anderzijds voor honderd procent geëngageerd mee bezig kunnen zijn, precies ten bate van de medemens.

Dit kadert helemaal in Jezus’ onderricht over de caritas van enkele verzen, enkele weken geleden, gestoeld op de drie fundamentele pijlers: de dienstbaarheid, de verdraagzaamheid en een eerlijke kritische kijk op zichzelf.

En wat onze eerste bemerking over Franciscus betreft: dit verhaal leert ons ook dat onze kerk én onze wereld behoefte hebben aan levende tekenen die ons de evangelische waarden voorleven in hun totale radicaliteit. ‘Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen.’ Hier situeren wij de bijzondere roepingen, de bewuste keuze van enkelingen, gedreven door een innerlijke stem en gedragen door een gemeenschap, om de evangelische armoede integraal in haar totale consequentie te beleven, om te trachten ze op die manier te beleven: individueel of vooral in het groepsverband van de monniken- of monialengemeenschap.

Van dom Helder Camara, die moderne Franciscus van onze tijd, is de volgende pertinente uitspraak. ‘Toen ik in een paleis woonde en aalmoezen gaf aan de armen, werd ik geprezen door de machthebbers om mij heen. Toen ik verkocht wat ik had en aan de armen ging vertellen waarom zij arm waren, heette ik een communist.’

Dit breng ons bij een laatste bedenking.

Het evangelie gaat niet over economie. Het geeft geen uitsluitsel over de ethische waarde van onze moderne economische systemen; het is niet voor of tegen kapitalisme enerzijds en communisme of collectivisme anderzijds.

Al lijkt een en ander toch een stevige waarschuwing te zijn voor de gevaren van een kapitalistisch stelsel waar dienstbaarheid, verdraagzaamheid en radicaliteit tegenover zichzelf amper te verzoenen lijken met het eeuwige persoonlijke gewin, dat toch moeilijk anders mogelijk is dan ten koste van de ander. Dus toch maar: collectivisme?

In hetzelfde evangelie is er een tweede grote levenswaarde die steeds hand in hand gaat met de bovengenoemde en die je nooit uit het oog mag verliezen als eveneens integraal tot de caritas behorend; vergeving, bekering, verzoening, barmhartigheid. Collectivisme is haast bij bepaling onbarmhartig, straft per definitie elke individuele fout af als een ongeneeslijk gevaar voor het hele systeem. Elke zwakke schakel moet gewoonweg worden uitgeschakeld.

Het evangelie gaat niet over economie. Maar de twee wegen van de caritas, de dienstbaarheid en de barmhartigheid, kunnen op een heel concrete manier elk aspect van onze huidige samenleving inkleuren, ook het economische aspect. Het zijn de beide gezichten ervan, voor- en achterzijde van de waarheid: gerechtigheid en vrede.