Jaar B, DHJ 27

Zevenentwintigste zondag door het jaar B – Marcus 10, 2-12 of Marcus 10, 2-16

In de confrontatie tussen de Heer Jezus en de schriftgeleerden en farizeeën moest het vroeg of laat wel gaan over de kwestie die vandaag wordt aangesneden. De joodse wet voorziet in bepaalde gevallen in echtscheiding en in procedures die daarbij van toepassing zijn. Wat denkt Rabbi Jezus daarover? willen zijn opponenten weten. De Heer aarzelt niet om als het ware boven de joodse wetgeving absolute voorrang te verlenen aan de natuurwet.

Hij citeert enkele verzen uit het scheppingsverhaal. Omdat in het begin, bij de schepping, God hen als man en vrouw geschapen heeft – en dan volgt het citaat – ‘daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en die twee zullen één vlees worden’. Jezus’ conclusie laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Wat God derhalve heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.

Je kunt je dan wel bij dit evangelie, bij dit stukje scheppingsverhaal direct enkele vragen stellen. Bijvoorbeeld: als God de schepping zó gewild heeft en de toestand nú is wat hij is, is dan de schepping niet gewoon mislukt? Of nog: was Mozes zijn tijd niet ver vooruit met zijn tolerantie ten aanzien van wat minder ideale toestanden om groter kwaad te vermijden, of noem het zijn dispensatieregels ‘avant la date’, in vergelijking met Jezus en na hem Paulus en in hun spoor een kerk van twintig eeuwen?

Misschien hebben sommigen daarjuist wat vreemd opgekeken, toen zij in deze context het woord natuurwet hoorden vallen. Velen verbinden tegenwoordig dit begrip exclusief met de bevindingen van de natuurwetenschap. Dat ‘exclusief’ is er op zijn minst te veel aan. Wetten van fysica of chemie gelden slechts totdat zij verkeerd blijken te zijn; en dan vallen ze weg en worden desgewenst door andere vervangen. Is de wet van de zwaartekracht een natuurwet? Wij weten intussen wel beter dat zij toch zomaar niet algemeen geldend is. En dat lijkt ons toch wel een voorwaarde om echt van natuurwet te spreken.

In onze taal geldt het begrip natuurwet zeker evenzeer het geheel van rechten en plichten die direct samenhangen met de menselijke natuur, met de natuur van de mens als redelijk wezen. Je moet het goede doen en het kwade laten bijvoorbeeld. Je moet aan iedereen het zijne geven. Met het leven mag je niet spelen. Over de concretisering van deze natuurwet kan men filosoferen en discussiëren, maar de algemene principes ervan blijven ergens duidelijk en universeel. Daarom precies heet het natuurwet.

Een groot verschil met de eerdergenoemde natuurkundige of natuurwetenschappelijke wetten, die als ze onjuist bevonden worden, niet langer gelden en wegvallen of ‘opgeheven worden’, is dat door het niet vervullen van menselijke wetten in het algemeen en a fortiori van de menselijke natuurwet deze wetten niet worden opgeheven. Als je door een rood licht rijdt, betekent dat niet dat voortaan het verkeersreglement niet langer geldt. Dat is des te dwingender het geval met de menselijke natuurwet die het ethisch handelen van mensen fundamenteel bepaalt: zij blijft geldig, ook als zij niet, niet perfect, niet steeds, niet goed of ‘nog’ niet wordt toegepast.

Laat ons nu even teruggaan naar de zojuist gestelde vraag. Als God enerzijds de schepping zó gewild heeft wat de onverbrekelijke eenheid van de verbintenis tussen man en vrouw in het huwelijk betreft, zijnde dus een aspect van de natuurwet, en als anderzijds de toestand nú is wat hij is, is dan inderdaad de schepping niet mislukt?

Als mensen, man en vrouw, tegen elkaar ja hebben gezegd, maar elkaar niet trouw zijn; als mensen, man en vrouw, ja zeggen tegen elkaar, maar niet getrouwd zijn of niet trouwen; als mensen, man en vrouw, met elkaar getrouwd zijn, maar neen zeggen tegen elkaar; en dit alles in die mate waarin wij het vandaag vaststellen en meemaken – is dan Gods schepping mislukt?

Als wij Gods schepping zien als enkel maar verleden tijd, dan is het antwoord op deze vraag: ja, dan is ze vandaag mislukt. Dan is de hemel veel te groot en de hel veel te klein. Maar de schepping is niet louter verleden tijd, de schepping is niet ‘af’, ze is nog volop aan de gang. Ze betreft verleden, heden én toekomst. Ze is noch min noch meer constante evolutie en constante groei: van alfa naar omega.

In het begin heeft God de mens als man en vrouw geschapen, zodat ze samen volkomen één worden. In het begin. In den beginne, heet het plechtig. Dat is nú geen voltooid verleden tijd, maar dat duurt voort. In principio, dat begrip wordt heel goed vertaald als: in principe, in beginsel. In principe heeft God man én vrouw geschapen, zodat ze volkomen één worden. En dat principe blijft zichzelf, ook als de realisatie ervan niet volmaakt is of zelfs verre van volmaakt en schijnbaar mislukt.

Het scheppingsverhaal speelt zich af vandaag. Het blijft onverminderd de opgave van man en vrouw om volkomen één te worden en samen Gods schepping uit te bouwen tot een paradijs. Een paradijs dat zij blijkbaar soms of vaak voor elkaar afsluiten of waar zij zichzelf en elkaar buitensluiten, maar dat nooit definitief gesloten is.

Als Gods schepping dan niet mislukt is, niet mislukken kan – zo zeggen ons ons geloof en ons vertrouwen – dan blijft toch wel de toestand van de facto mislukte huwelijken en gebroken relaties bestaan met alle gevolgen van dien.

Wij weten hoe lichtzinnig mensen kunnen omgaan met de echtelijke trouw, met het gegeven woord en met de ernst van de liefde. Wij weten hoe in huwelijken die standhouden, soms de liefde en zelfs de trouw ver zoek kunnen zijn. Wij kennen mensen die gestreden, geleden en gebeden hebben en al het mogelijke gedaan hebben om hun echtelijke verbintenis trouw te blijven en die toch elkaar verlaten hebben om een nieuwe relatie aan te gaan. Dan stelt zich de vraag: hoe gaan wij daarmee om, hoe gaat onze kerk daarmee om? In alle trouw aan en eerbied voor het principe maar met alle begrip voor het menselijke dwalen en falen.

Wie zijn wij om enerzijds te zeggen: eruit, jij, uit mijn vriendschap, uit onze kerk!? Of heb je niet gehoord en gelezen wat er geschreven staat van ‘in den beginne’?

Wie zijn wij om anderzijds te zeggen: zand erover; er is niets gebeurd; vergeven en vergeten? Onze kerk is toch ál te stroef in plaats van zich wat soepeler op te stellen precies omwille van een God die toch barmhartigheid is.

Enerzijds: waarom kun jij, waarom kan niet iedereen wat mijn ouders, wat talloze trouwe trouwers hebben gekund en kunnen? Anderzijds: het is toch wel erg en ergens onaanvaardbaar, zo’n uitzichtloze en vastgelopen situatie van mensen aan wie geen verdere, geen tweede kans geboden wordt.

Als de apostel Paulus, bekend om zijn rigoureuze en rechtlijnige standpunten en aanmaningen rondom huwelijk en trouw, op zijn beurt in de brief aan de christenen van Efeze, en net zoals Jezus in het evangelie van vandaag, de woorden van het oude scheppingsverhaal citeert, ‘Zijn vader en moeder zal de mens verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw en die twee zullen één vlees worden’, dan voegt hij daaraan toe: dit geheim is groot. Ik voor mij betrek het op Christus en op zijn kerk.

Daarmee bedoelt de apostel – zij het in zijn tijdsgebonden kader van tradities wat bepaalde rolpatronen tussen vader en moeder en kinderen binnen het gezin betreft – de fundamentele relatie die bestaat tussen de Heer Jezus en zijn kerk, dat wil zeggen: hen die in zijn Naam geloven, die zijn leerlingen zijn en willen zijn; christenen in de enge zin van het woord, maar ook in de brede betekenis waar het dan gaat over al zijn zusters en broeders, kinderen van eenzelfde Vader.

Kinderkens, bemin elkander zoals Ik u heb liefgehad. De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen. Wie de grootste wil zijn, moet de kleinste van allen worden en de dienaar van allen.

‘In principe’ en tegelijk als de toestand is wat hij is, zijn en blijven mensen, man en vrouw, geroepen om volkomen één te zijn, om elkanders dienaar te zijn: geroepen tot caritas en dienstbaarheid, tot barmhartigheid en verdraagzaamheid, tot liefde.

Zeker wat het huwelijk als primaire, door de schepper geschapen eenheidsverbintenis tussen man en vrouw betreft, geldt onze slotzin van vorige week a fortiori vandaag: credidimus caritati. Laat ons alle krediet geven aan de liefde.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x