Jaar B, DHJ 26

Zesentwintigste zondag door het jaar B – Marcus 9, 8-48

Een evangelie is vaak enkel maar goed te begrijpen in zijn verband met wat voorafgaat. Ook vandaag is dat zo. Je kunt deze tekst niet loskoppelen van die van vorige week. Maar wie herinnert zich die zomaar? Eén enkel vers kan voldoende zijn om ons geheugen op te frissen.

Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen.

Over dienen en dienstbaarheid ging het, onmiskenbaar de kern van de christelijke boodschap, de caritas als het hart zelf van het christendom. Leven heeft niet als doel de eerste te zijn, de beste, de sterkste, de grootste om zich door alle anderen te laten dienen. Maar wel: goed te zijn, zo goed mogelijk, de allerbeste om de dienaar van allen te kunnen zijn én te zijn.

Deze evangelische wet van de dienstbaarheid werd onmiddellijk gevolgd door de mooie passage over het kind. Hij nam een kind op en zette het in hun midden. Hij omarmde het en sprak tot hen: wie een kind als dit opneemt in mijn Naam, neemt Mij op. Kinderen zijn de beste thermometers van de dienstbaarheidskoorts in onze samenleving.

Onze omgang met kinderen – of je hen opneemt, of en hoe je het voor hen opneemt – geeft aan of wij ziek zijn of gezond; dat wil zeggen: goed voor de dienst of enkel goed genoeg om buiten dienst gesteld te worden.

En dan volgt de perikoop van vandaag. De apostel Johannes, de trouwe, de onkreukbare, de geliefde leerling neemt het woord. Hij beklaagt er zich over dat niet-leerlingen, niet-volgelingen, niet-christenen – stel je voor – het aandurven wonderen te doen, duivels uit te drijven nog wel, in Jezus’ naam nog wel. Johannes zal wel felicitaties verwacht hebben voor deze alerte reactie en dit bewijs van trouw. Maar Jezus’ repliek is heel anders dan het verwachte ‘snoer ze de mond en gooi ze eruit’. Laat ze hun gang gaan, zegt Hij, want wie niet tegen ons is, is vóór ons.

Dit evangelisch gezegde kennen wij veeleer andersom, zoals bij Matteüs en Lucas te lezen is: wie niet voor Mij is, is tegen Mij. De tweede versie laat naar ons aanvoelen heel wat minder speelruimte dan de eerste. Voor één keer lijkt Marcus minder radicaal dan zijn collega’s. Wie niet tegen Jezus is, is voor Hem. Zo is er veel meer kans dat wij erbij Zijn, maken wij veel meer kans om erbij te horen.

Met dit wederwoord van Jezus is hier, na de dienstbaarheid, in dezelfde context, de ruimdenkendheid, de verdraagzaamheid aan de orde. Als het goede maar gebeurt! Het goede, de vrucht van de dienstbaarheid, laat zich niet indammen in structuren van kerken en exclusieve verenigingen. De Geest waait waar Hij wil. Eenieder die positief in het leven staat, meebouwen aan het komende Rijk. Iedere vorm van dienstbaarheid heeft recht op onze erkenning en waardering.

De terechtwijzing die Johannes krijgt in plaats van de verwachte gelukwensen, is ook voor onze tijd van toepassing. Laat ons toch niemand verdacht maken omwille van het feit dat hij het niet met ons eens is, dat hij ons niet ligt, dat we hem niet sympathiek vinden. Verdenk toch niemand, wantrouw toch niemand, verketter toch niemand, alleen maar omdat hij ‘anders’ denkt. Ontzeg toch niemand de verdienste van het dienstwerk, enkel omdat hij ‘anders’ is.

Wij hebben redenen te over om ons af te vragen of onze hedendaagse cultuur, die een cultuur van dienstbetoon en ruimdenkendheid behoort en beweert te zijn, niet veeleer een cultuur is geworden van verdachtmaking. En dit onder de geestdriftige of liever geestdodende leiding van de sensatiepers: media die omwille van kijk- en leescijfers, omwille van de winst dus, een hoop emotioneel opgeklopt nieuws brengen waarin mensen zomaar en zonder terughoudendheid verdacht worden gemaakt.

Veel meer dan openheid en verdraagzaamheid tekenen en beheersen verdachtmaking en wantrouwen de samenleving. De integriteit van personen en instellingen wordt stelselmatig in twijfel getrokken. Hoeveel mensen zijn niet het slachtoffer van vage insinuaties en ongenuanceerde veralgemeningen? Bijna is het alsof de caritas zelf onder verdenking staat.

In het daaropvolgende lijkt Jezus een heel andere toon aan te slaan. Men kan de indruk krijgen dat wat Hij nu zegt, maar weinig met het voorgaande te maken heeft. Bij nader inzien blijkt dat echter wel degelijk het geval te zijn.

Als iemand een van deze kleinen die geloven aanleiding tot zonde geeft, zou het beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp.

Met in ons achterhoofd de spreuk: ‘Wie niet tegen ons is, is voor ons’, zijn er dus toch ook wel mensen die niet voor, maar tegen zijn. Jezus zegt duidelijk over wie Hij het heeft: die deze kleinen die geloven, aanleiding geven tot zonde.

Wie zijn deze kleinen die geloven? De kinderen van wie sprake was in de vorige passage – Hij zette een kind in hun midden en omarmde het? Als dat zo is, dan menen wij meteen te weten over welke zonde het gaat: die vreselijke kwaal die niet eigen is aan onze tijd, maar van alle tijden en culturen lijkt te zijn. En daar passen de molensteen om de hals bij en de verdrinkingsdood in zee.

Uiteraard is er voor dat soort feiten geen enkel excuus. Maar tegelijk – en dat heeft alles te maken met het voorgaande gedeelte – loopt men in onze tijd toch zo vlug en ongenuanceerd van stapel dat op den duur iedere jeugdleider, internaatsverantwoordelijke of kloosterbroeder verdacht wordt, of op zijn minst beklad met het odium van mogelijk verdachte. Juist die mensen die zorg willen dragen en verantwoordelijkheid opnemen, juist deze simpele kampioenen van de dienstbaarheid staan op de eerste rij van kritiek en argwaan. Inderdaad alsof in onze tijd de caritas zelf ter verdenking staat.

Wellicht echter zijn deze kleinen die geloven, niet enkel en zelfs niet in de eerste plaats de kinderen die Jezus omarmde, maar alle kleine mensen, alle gewone lieden die de Heer volgen, die hun hoop op Hem stellen, zijn woord aanhangen, van Hem redding verwachten, in zijn Blijde Boodschap geloven: geloven dat het Rijk op komst is, geloven in het leven en de toekomst, hoe klein en hulpbehoevend, hoe afhankelijk en beïnvloedbaar ze ook zijn.

En de aanleiding tot zonde is dan: al datgene wat men hun aandoet, wat men hun voorhoudt en wat schade toebrengt aan dit geloof, wat hen van dit geloof wil of tracht af te brengen. Ook dat heeft alles te maken met het eerste deel van het dagevangelie: met verdachtmaking en wantrouwen in plaats van ruimdenkendheid en verdraagzaamheid. De aanleiding tot zonde, de ergernis gegeven aan die kleinen onder ons, is precies die argwaan die alle ruimte doodt, de bekrompenheid die alle dienstwerk afdoet als twijfelachtig, die achterdocht die gewoon niet duldt dat de Geest waait waar Hij wil.

Wanneer men ten overstaan van kinderen, van jonge, opgroeiende, zoekende kleine mensen door een cultuur van negatieve kritiek, argwaan en verdenking alle geloof in rechtvaardigheid en eerlijkheid gaat ondermijnen, elk geloof in een mogelijke verzoening tussen mensen, elk geloof in de schoonheid van de schepping, in de goedheid van de mens, in de goede bedoelingen van leiders en verantwoordelijken… dan ontneemt men inderdaad die jonge, zoekende kleine mensen zelf de moed en de kracht om te leven: om zelf eerlijk, vergevingsgezind, goed, vredelievend in het leven te staan.

Op dit punt aangekomen wordt ons evangelie radicaal tot en met. Als je daaraan meedoet, zegt Jezus, als je ene hand de andere niet meer vertrouwt, als je ene voet niet meer mee vooruit wil met de andere maar achteruit, als je ene oog blind is voor alle schoonheid en je andere oog voor alle goedheid om je heen, hak ze af, ruk ze uit. Aan het einde van dit hoogst merkwaardige stukje Marcusevangelie gaat het over radicaal kritisch zijn tegenover jezelf. Wie dienstbaar is en ruimdenkend openstaat voor alle goeds om zich heen, die wordt vanzelf extreem gevoelig en radicaal kritisch voor eigen doen en denken.

Aan het basiscriterium van het christendom, de caritas, worden twee extra criteria toegevoegd. Deze drie maatstaven, in de volgorde van het evangelie – ten eerste de dienstbaarheid, ten tweede de openheid voor alle goeds om je heen en ten derde een eerlijke kritische kijk op jezelf – maken het christendom tot een religie en een levensleer, een geloof dat resoluut kiest, niet voor een cultuur van argwaan en verdenking, maar voor een nieuwe en steeds vernieuwde cultuur van vertrouwen.

De grootste dienst die mensen elkaar kunnen bewijzen, en de ruimste openheid van geest waarin mensen elkaar kunnen ontmoeten, bestaan hierin dat ze elkaar vertrouwen met alle risico van dien en zonder reserve. Christen-zijn is het risico aandurven van de caritas.

Johannes’ woord van jaren later, ‘credidimus caritati’, wij hebben ons toevertrouwd aan de liefde, of-zoals wij het zingen – ‘Kom laten wij geloven in de liefde’, kan nog het best van al zo letterlijk mogelijk vertaald worden: christen-zijn is alle krediet geven aan de caritas.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x