Jaar B, DHJ 25

Vijfentwintigste zondag door het jaar B – Marcus 9,30-37

Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen.
Het evangelie van vandaag gaat over dienen en dienstbaarheid als de kern van de christelijke boodschap, de caritas als kern van het christendom.

Maar hoe kan dat: als doel van je leven de laatste zijn? Het lijkt toch met de schepping mee in het hart van de mens geplant: de drang, de ambitie, de behoefte om zichzelf te zijn, de beste, de eerste, de grootste. Heel onze samenleving is daar toch op gestoeld: zo goed mogelijk zijn, zijn best doen, zich verbeteren – in sport en spel, op school, in maatschappelijke functies?

Als wij de geciteerde evangelietekst goed lezen, dan is die daar niet direct en zonder meer mee in tegenspraak. Er staat: als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen – moeten worden – en de dienaar van allen. Dus toch en inderdaad: de eerste zijn, de beste, de sterkste om dan de laatste, de minste, de kleinste te worden en op die plaats, niet van bovenaf, maar van onderuit – met al je maximaal ontplooide talenten en mogelijkheden – de dienaar van allen te zijn, ook en in de eerste plaats van de minsten en de kleinsten.

Hierin ligt het revolutionaire van het christendom. Het doel is niet de beste, de sterkste, de grootste te zijn om zich dan door alle minderen te laten dienen, maar wel: goed te zijn, beter en zo goed mogelijk, de beste, om dienaar van allen te zijn.

Het is maatschappelijk inderdaad zo revolutionair dat het telkens weer uitloopt op een kruis: ‘De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden.’ Want dit christelijk ideaal, dit levenspatroon is een al te sterke hinderpaal voor hen die gediend willen worden. Zij weten daar geen weg mee, zij kunnen daar niet mee omgaan. En daarom moet de ander worden uitgeschakeld.

Caritas, dienstbaarheid. Het is een begrip met een vaak holle of veel te bolle betekenis geen begrip dat het gevaar loopt zijn oorspronkelijke frisheid te verliezen en belast te worden met veel gehuichel en onwaarachtigheid.

Dienen is niet per se ongewone en excentrieke prestaties leveren, opvallend anders doen dan gewoon of normaal. Integendeel, het is gewoon doen wat gedaan moet worden: op je eigen plaats, binnen je eigen levenscontext.

Daar vragen armen je om brood, daar vragen verdrukten je om ruimte, eenzamen om mensen naast hen, kinderen om levenskansen en toekomst. Zodra je ernaar moet zoeken zonder het onmiddellijk en voor de hand liggend te vinden, is dat een teken dat er iets schort. Als je er helemaal niet meer naar op zoek gaat, schort er nog veel meer.

Dienstbaarheid is ook niet synoniem van slaafsheid. Dienen is geen kleverige of krampachtige onderdanigheid, zonder vreugde, zonder spontaniteit, zonder initiatief. Dienen is geen automatische beschikbaarheid die met een beveltoets in gang wordt gezet.

Dienstbaarheid vraagt wakkerheid, vindingrijkheid. Je moet alert zijn, inventief zijn, creatief zijn als de Schepper zelf. Vandaar de zo mooie koppeling van het caritasgehod, de evangelische wet van de dienstbaarheid: ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen’, aan wat er in hetzelfde stukje evangelie direct na komt: ‘Hij nam een kind en zette het in hun midden. Hij omarmde het en sprak tot hen: wie een kind als dit opneemt in mijn Naam, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt niet Mij op maar Hem die Mij gezonden heeft.’

Ubi caritas et amor, Deus ibi est.
De dichter Gerard Reve heeft dit op een unieke wijze uitgedrukt in één enkele zin: ‘Wij moeten God liefhebben als ons kind.’

Daar schuilt achter dat liefde van ouders voor hun kleine kinderen van het mooiste en edelste en eerlijkste is, van het meest authentieke en geloofwaardige dat onder mensen bestaat, precies wat belangeloze dienstbaarheid en grenzeloze bezorgdheid aangaat: doodgewone ouderliefde als model van Godsgeloof en caritas.

Hierachter schuilt ook dat God de inzet van mensen die Hem zoeken te dienen, beantwoordt met telkens een nieuwe vraag, een nieuw appel, een nieuwe nachtelijke noodkreet van ‘ons’ kind. Wij moeten God beminnen als ons kind: dat kind dat ons geweten wekt; dat kind dat onze onmiddellijke hulp én onze toekomst opeist; die God die mij mijn leven lang geen dag of uur met rust zal laten.

Ten slotte schuilt hierachter ook de vraag: wat gebeurt er met het kind van mijn liefde, als hij groter wordt? Blijft hij mij boeien en aanspreken, ook als hij leert praten en eindeloos vragen stelt, ook als hij zonder pardon mijn zwakheden blootlegt? Blijft hij dan in ons midden staan of wordt hij vlug wat aan de kant geschoven? Jij bent geen kind meer; trek zelf je plan nu maar.

Kinderen in hun onschuld en argeloosheid – zoals jeugdigen in hun eerlijkheid, zoals kleine mensen, zieke mensen, oude mensen, al wie niet verder kunnen zonder onze hulp en onze dienst – zijn de barometers van onze samenleving, van ons geloof, van onze caritas.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x