Jaar B, DHJ 23

Drieëntwintigste zondag door het jaar B – Marcus 7, 31-37

Je zou het evangelie van vandaag ervan kunnen verdenken gewoon wat primitieve magie te zijn: vingers in de oren, speeksel op de tong, zuchten, en bezwerend uitroepen: ‘Effeta!’

Maar precies de lijfelijkheid in het verhaal maakt duidelijk dat het gaat over een ontmoeting tussen twee levende mensen, mensen van vlees en bloed.

De ene, de gezonde, de gezondene, zegt tot de andere, de zieke, de zoekende, de hulpbehoevende die op redding wacht: ga open – effeta!

Effeta: de meest gebalde samenvatting van Jezus’ boodschap; een perfect resumé van zijn persoon, zijn leven en zijn zending.

In deze Jezus gaat de oude droom in vervulling. De oude verzuchting van de mensheid wordt opgenomen in Jezus’ zuchten ten hemel, als voor Hem staat: de doofstomme, de man over wie de oude profeet heeft gezegd dat de oren van de dove zullen worden geopend en de tong van de stomme zal jubelen.

Effeta: het antwoord op de klacht van wie de moed verloren had en die geen toekomst meer verwachtte; het startsein voor een nieuw begin, door de profeet omschreven als beken die zullen ontspringen in de steppe en rivieren in de woestijn, als de dorre vlakte die een vijver wordt en het droge land een waterbron. Effeta.

Jezus’ kerk heeft dit evangelie blijkbaar goed begrepen. In elke doopviering wordt hetzelfde verhaal als het ware heropgevoerd, als aan het begin van een nieuw leven voor de Heer wordt gebracht: de doofstomme mens. Voor hem bidden wij dan dat de Heer hem aanraakt, hem de handen oplegt en tot hem zegt: effeta, ga open.

Ook hier gaat het over een ontmoeting tussen twee levende mensen. De ene, de zoekende, vraagt aan de andere, de gezondene: Heer, geef dat ik horen kan, geef dat ik luisteren kan, opdat ik dan ook spreken kan en verkondigen dat Gij alles wel hebt gedaan.

Waarom wordt dit verhaal telkens opnieuw verteld? Waarom wordt het telkens heropgevoerd bij het doopritueel?

Niet vanwege de anekdote, niet als een nieuwsbericht over een sensationeel eenmalig mirakelfeit, maar als een zich steeds herhalend en vernieuwend heilsgebeuren, helemaal actueel, helemaal op ons betrokken.

Zijn wij mensen dan doofstom? Wij horen en wij spreken toch?

Maar Jezus zegt dan ook niet tot de man: Ik wil dat je hoort voortaan, Ik wil dat je spreken kunt van nu af aan. Jezus zegt: effeta, ga open.

Open je horende oren en leer luisteren. Open je pratende mond en leer troosten en verkondigen.
Want gepraat wordt er genoeg – met de mond maar het hart spreekt zo weinig. Lawaai is er genoeg – voor het oor – maar het hart wordt er doof van.

Wij zouden ons bidden misschien beter als volgt formuleren: Heer, maak mij eerst evangelisch doofstom, opdat ik daarna in de goede richting, op de juiste plaats openga.

In de oude Bijbel wordt doofstomheid, zoals elk organisch, lichamelijk letsel, gezien als een straf van de hemel. Maar is het vaak niet veeleer een genade, een zegen?

Paulus wordt blind gebliksemd, opdat na drie dagen van deugdzame stilte en duisternis hem de schellen van de ogen vallen.

Zacharias, de man in de dienst van de lofzang en van Gods woord wordt stom geslagen, opdat hij in de tijd van stilte zou Ieren begrijpen, opdat hij in zwijgzaamheid het wonder zou leren aanvaarden en Verwerken.

En wanneer hij, de stomme, bij het schrijven van ‘Johannes is zijn naam’ laat zien dat hij het snapt, getuigt dat hij het doorheeft dat het oude voorbij is en het nieuwe gekomen is, dan kan hij weer spreken en volop de grote daden des Heren verkondigen, zoals het hem zijn taak en zending past.

‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël; want Hij heeft zijn volk bezocht en het verlost.’

Iedere dag opnieuw mogen en kunnen wij het effetawonder aan ons laten gebeuren.

Iedere nieuwe dag mogen en kunnen wij laten ontstaan uit doofstomme stilte:
stil worden van de schoonheid en de lelijkheid van mensen,
stil worden van het geroep en de onmondigheid van mensen,
stil worden van het geweld en van de onmacht van mensen,
stil worden van het mysterie en de stilte van God zelf.

Stilte doet ons altijd weer opengaan voor God en voor de mensen: voor het Woord en de heerlijkheid van God, voor het aanbod en de smeekbede van de mensen.

Zoals de Heer Jezus zelf is opengegaan voor het smeken van de doofstomme mens.

Jezus zucht, zegt het evangelie. Hij maakt de stilte hoorbaar: de onmacht en de klacht. Maar ook maakt Hij de kracht los, roept Hij de Geest tot leven, tot werkzaamheid bij de mensen. Jezus zegt: ‘Effeta’: een startschot voor telkens een nieuw begin.

Wij vragen de Heer dat Hij zijn effeta op ons richt als een pijl op ons hart, ons oor, onze mond.
En dat Hij ons op onze beurt leert om met volle kracht effeta te roepen tot de harten van de mensen, onze zusters en broeders aan ons toevertrouwd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x